Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 1 augustus 2019 te Alkmaar, zijn levensgezel, [getuige01] , heeft mishandeld door die [getuige01] tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen en/of duwen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De aangifte vindt geen steun in andere bewijsmiddelen, waardoor het enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van de aangeefster is. Daarbij is erop gewezen dat de aangeefster inmiddels te kennen heeft gegeven haar aangifte te willen intrekken. Gelet op het voorgaande concludeert de raadsman dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat hij en de aangeefster de afspraak hadden dat zij elkaars telefoon mochten bekijken. Op 1 augustus 2019 heeft de verdachte echter de confrontatie opgezocht toen hij haar telefoon wou bekijken terwijl zij dit niet wilde. Hierbij hebben de verdachte en de aangeefster door het huis gerend en is door de aangeefster om hulp geroepen. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat er werd geduwd en getrokken. De aangeefster heeft zowel in haar aangifte als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verdachte haar een vuistslag in haar gezicht heeft gegeven. Tevens is door de verbalisanten geconstateerd dat de aangeefster een bloedneus had en dat haar bovenlip was opgezwollen.
Anders dan de raadsman twijfelt het hof niet aan de juistheid van de inhoud van de aangifte. Dat de aangeefster later om haar moverende redenen te kennen heeft gegeven haar aangifte te willen intrekken, maakt dat niet anders. Temeer nu de aangeefster ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de verdachte haar heeft geslagen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:
hij op 1 augustus 2019 te Alkmaar zijn levensgezel, [getuige01] , heeft mishandeld door die [getuige01] tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en te duwen.
Bewijsmiddelen
De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.
1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019148176-2 , van 1 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant01] en [verbalisant02] , doorgenummerde pagina’s 05-06.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:
Op 1 augustus 2019 aan de [adres02] troffen wij in de kamer aangeefster [getuige01] . Wij hoorden [getuige01] verklaren dat zij is mishandeld door haar partner [verdachte01] . Wij hoorden [getuige01] verklaren dat zij door [verdachte01] was geslagen en geraakt in haar gezicht. Wij zagen dat [getuige01] een keukenrol tegen haar neus drukte. Wij zagen dat er bloed op de keukenrol zat. Wij zagen dat [getuige01] een bloedneus had. Wij zagen dat de bovenlip van [getuige01] opgezwollen was. Wij hoorden [getuige01] zeggen dat zij veel pijn in haar been en rug had.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2019148176-1 , van 1 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant02] , doorgenummerde pagina’s 09-11.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de aangever [getuige01] :
Op 1 augustus 2019 aan de [adres02] . [verdachte01] lag naast mij in bed. Ik zat op de rand van mijn bed. Ik voelde een enorme pijnscheut in mijn rug, ik kon ook moeilijk ademhalen. Deze klap of trap kwam van achter mij vandaan.
Hij duwde mij vervolgens tegen de grond en pakte mijn telefoon. Ik stond op en [verdachte01] gaf mij gelijk een vuistslag in mijn gezicht. Ik voelde gelijk een pijnscheut in mijn neus en lip. Ik zag dat mijn neus gelijk begon te bloeden. Ik ben rondjes gaan rennen in huis en begon te schreeuwen: “help mij”. Tijdens het rennen in de woning ben ik meerdere keren geslagen en geschopt. Ik heb hierdoor pijn over de hele rechterkant van mijn lichaam.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1100-2019148176-8 , van 2 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant03] , doorgenummerde pagina’s 24-29.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de vragen (V) van de verbalisant, in antwoord (A) daarop, als de op voornoemde datum tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte :
V: Goed even naar 1 augustus vorig jaar. Weet jij nog wat er toen is gebeurd?
A: Het werd duwen en trekken. Ik wilde weten wat zij verborgen hield.
4. De verklaring van de getuige [getuige01] op de terechtzitting in hoger beroep van 2 augustus 2021.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover de raadsheer afgelegde verklaring van de getuige [getuige01] :
Voorafgaand aan het incident met de telefoon en de worsteling kreeg ik een klap of trap tegen mijn rug. Ik stond op en [verdachte01] gaf mij een vuistslag in mijn gezicht, waardoor mijn neus ging bloeden.
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
gepleegd op 1 augustus 2019 te Alkmaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner, waardoor zij pijn heeft ondervonden. Hierdoor heeft de verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit, haar angst ingeboezemd en haar respectloos behandeld. Bovendien is haar dit aangedaan in haar eigen woning. Op die plaats had zij zich bij uitstek veilig moeten kunnen voelen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juli 2021 is hij ook sinds het onderhavige feit veroordeeld ter zake van een soortgelijk misdrijf, te weten het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Het hof houdt rekening met de bijzondere voorwaarden die bij laatstgenoemde veroordeling zijn opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende en met inachtneming van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De artikelen 14a, 14b, 14c, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken .
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
===================================================================
De raadsheer geeft aan de verdachte kennis dat zij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.