ECLI:NL:GHAMS:2021:4490

ECLI:NL:GHAMS:2021:4490, Gerechtshof Amsterdam, 25-06-2021, 23-003877-18

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 25-06-2021
Datum publicatie 05-12-2025
Zaaknummer 23-003877-18
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2018:7559
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Witwassen en verboden middelen.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26, 27 en 31 mei 2021 en 3 en 11 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

Aan de verdachte is onder 1, elfde gedachtestreepje, ten laste gelegd dat hij in de periode van 22 december 2015 tot en met 19 april 2016, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, te Den Haag meerdere, althans één, onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of bereid, bewerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad. Het hof is – net als de rechtbank – van oordeel dat dit deel van de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is en daarom niet voldoet aan de eisen die aan een dagvaarding worden gesteld in artikel 261 Sv. Om die reden zal de dagvaarding ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging nietig worden verklaard.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1, zesde gedachtestreepje (afnemer [persoon 7] ) tenlastegelegde.

Onder feit 3 zijn aan de verdachte – cumulatief – witwashandelingen ten aanzien van negen geldbedragen en drie personenauto’s tenlastegelegd. Van de bedragen € 675.000,00 (tweede gedachtestreepje), € 100.000,00 (zevende gedachtestreepje), € 12.000,00 (negende gedachtestreepje) heeft de rechtbank vrijgesproken.

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Blijkens de appelschriftuur van de officier van justitie en de toelichting van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is het door het Openbaar Ministerie (onbeperkt) ingestelde appel niet gericht tegen voormelde vrijspraken. Dit betekent dat ook in het hoger beroep van het Openbaar Ministerie deze vrijspraken niet meer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Om die reden zal het hof ook de officier van justitie – op grond van artikel 416, derde lid, Sv – in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is na de toegelaten wijziging tenlastelegging door de rechtbank en voor zover inhoudelijk nog aan het oordeel van het hof onderworpen tenlastegelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 22 december 2015 tot en met 19 april 2016, te Den Haag en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3 kilogram cocaïne (op 31 maart 2016)

[zaaksdossier C01, afnemers [persoon 1] en [persoon 2] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 10 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemer [persoon 3] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 26 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemer [persoon 4] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 4 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemer [persoon 5] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 10 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemer [persoon 6] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 3 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemer [persoon 7] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 2 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemers [persoon 8] en/of [persoon 9] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 4 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemers [persoon 10] en [persoon 11] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 1 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C01, afnemer [persoon 12] ] en/of

- een hoeveelheid van (in totaal) tenminste 146 kilogram cocaïne

[zaaksdossier C04] en/of

in elk geval (steeds) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of

opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad;

2.hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 19 april 2016 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om feiten, althans een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren; en/of

binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van meerdere hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

voor te bereiden en/of te bevorderen:

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk:

meerdere (telefoon)gesprekken gevoerd (in versluierd taalgebruik) met transporteur(s), financier(s), afnemer(s), verkoper(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of ander(en) over verborgen laadruimtes, dekladingen, douanecontroles, kiloprijzen, kwaliteit, verpakking, aflevering, betaling, koop, verkoop, opslag, bereiding, verwerking, vervoer, het testen, verstrekking en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen met betrekking tot voornoemde hoeveelheden cocaïne; en/of

meerdere ontmoetingen en/of besprekingen gehad en/of gemaakt in een woonwagen aan de [adres 2] en/of op andere plaatsen met transporteur(s), financier(s), afnemer(s), verkoper(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of ander(en) over verborgen laadruimtes, dekladingen, douanecontroles, kiloprijzen, kwaliteit, verpakking, aflevering, betaling, koop, verkoop, opslag, bereiding, verwerking, vervoer, het testen, verstrekking en/of het binnen en/of

buiten het grondgebied van Nederland brengen met betrekking tot voornoemde hoeveelheden cocaïne; en/of

meerdere personen voorzien van informatie, opdrachten, geld en/of een (tijdelijke) opslag- en/of verblijfplaats ten behoeve van het vervoeren, opslaan, verbergen, verpakken, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, kopen, financieren en/of het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheden cocaïne ; en/of

meerdere grote (contante) geldbedragen voorhanden gehad bestemd voor het bestellen, vervoeren, opslaan, verbergen, verpakken, bewerken, verwerken, verstrekken, af te leveren, bereiden, kopen, verkopen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheden cocaïne; en/of

meerdere keren de kwaliteit van cocaïne getest door het te koken met ammoniak, soda en/of een andere stof ten behoeve van het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheden cocaïne; en/of

meerdere zogenaamde PGP-telefoons, althans telefoons voorzien of te voorzien van versleutelingssoftware, verstrekt aan anderen en/of gebruik gemaakt van dergelijke PGP-telefoons ten behoeve van afgeschermde communicatie over het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheden cocaïne; en/of

meerdere keren gebruik gemaakt van verpakkingsmateriaal (condooms/sealbags/huishoudfolie/elastieken), een sealapparaat, geldtelmachines,

versnijdingsmiddelen en/of opslagruimte bestemd voor het bestellen, vervoeren, opslaan, verbergen, verpakken, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, bereiden, kopen, verkopen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde hoeveelheden cocaïne; en/of

meerdere keren auto’s voorhanden gehad en/of van die auto’s gebruik gemaakt welke auto’s waren voorzien van verborgen ruimtes ten behoeve van het vervoeren en/of afleveren van voornoemde hoeveelheden cocaïne en/of contante geldbedragen, waaronder: een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 1] ) en/of een Range Rover (kenteken [kenteken 2] );

3.hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2016 tot en met 19 april 2016 te Den Haag en/of Amsterdam en/of Amstelveen in elk geval in Nederland en/of in Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van een of meer voorwerp(en), te weten:

- contante geldbedragen van (in totaal) 457.000 euro (in of omstreeks de periode van 17 januari 2016 tot en met 11 februari 2016)

[zaaksdossier C03, pv 26DLR14046-4047 en 26DLR14046-4399] en/of

- een (contant) geldbedrag van 212.000 euro (op of omstreeks 27 januari 2016)

[zaaksdossier C03, pv 26DLR1 4046-3920] en/of

- een (contant) geldbedrag van 150.000 euro (op of omstreeks 5 maart 2016)

[zaaksdossier C07] en/of

- een (contant) geldbedrag van 342.000 euro (op of omstreeks 6 maart 2016)

[zaaksdossier C03, pv 26DLR14046-3656] en/of

- een (contant) geldbedrag van 56.625 euro (op of omstreeks 19 april 2016)

[zaaksdossier C08] en/of

- een (contant) geldbedrag van 12.500 euro (op of omstreeks 19 april 2016)

[zaaksdossier C08] en/of

- een personenauto, Landrover, type Range Rover Evoque, met het kenteken [kenteken 2]

[zaaksdossier C08] en/of

- een personenauto, Volkswagen, type Golf, kenteken: [kenteken 3] ,

[zaaksdossier C08] en/of

- een personenauto Mercedes-Benz, type A180 CDI, met het kenteken [kenteken 4]

[zaaksdossier C08]

de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is

en/of

die voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van die voorwerpen gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 31 januari 2015 te Den Haag, in elk geval in Nederland, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft hij van een voorwerp, te weten

een geldbedrag van (ongeveer) Euro 1.640.000,- (één miljoen zeshonderveertigduizend),

de werkelijke aard, herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die geldbedragen was/waren

en/of

dat voorwerp verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of van dat voorwerp gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die geldbedragen onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Verweren ex artikel 359a Sv

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd, zakelijk weergegeven, dat sprake is geweest van twee onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek die primair moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs dat door de vormverzuimen is verkregen en subsidiair moeten worden verdisconteerd in de strafmaat door de duur van de straf met 50% te verminderen.

Onrechtmatige betreding woning en plaatsing apparatuur voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC)

De raadsvrouw heeft betoogd dat het betreden van de woning van [verdachte] om daar OVC-apparatuur te plaatsen onrechtmatig was, omdat het onderzoeksteam op het moment van binnentreden niet beschikte over een rechtmatig door de officier van justitie gegeven bevel. Dat bevel was onrechtmatig omdat de machtiging van de rechter-commissaris daartoe niet voldeed aan de eisen van de wet. Zo is in de machtiging geen enkel misdrijf vermeld, hoewel dat op grond van artikel 126l, derde lid, onder a in samenhang met het vierde lid, Sv wel een vereiste is. Daarnaast is in de machtiging niet uitdrukkelijk aangekruist dat de woning van de verdachte mocht worden betreden, hetgeen volgens artikel 126l, vierde lid, Sv ook een vereiste is. Weliswaar heeft de rechter-commissaris op 19 februari 2016 een proces-verbaal opgesteld waarin is vermeld dat het hokje bij de opmerking dat de woning mocht worden betreden per abuis niet is aangekruist, dit laat onverlet dat de wet de eis stelt dat deze toestemming uitdrukkelijk in de machtiging wordt vermeld. In dit geval is dat niet gebeurd en moet het er voor worden gehouden dat de woning van [verdachte] zonder deze toestemming is binnengetreden.

Onrechtmatige observatie in de woning van de verdachte

De raadsvrouw heeft verder betoogd dat door een camera te richten op de voordeur van de woning van de verdachte, hiermee ook gedurende vijf maanden zicht is geweest op wat zich achter het raam, in de woning afspeelde. Daarbij wordt gesteld dat de camera kon inzoomen zodat het onderzoeksteam ook in de woning kon filmen. Door zo te handelen is er sprake geweest van een stelselmatige observatie in de woning, wat in strijd is met de wet.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren dienen te worden verworpen omdat van onherstelbare vormverzuimen geen sprake is.

Oordeel van het hof

Betreden woning en plaatsing OVC-apparatuur

In de beslissing op de vordering tot machtiging bevel OVC (Methodiekendossier, deel 7, BD11-144) staat vermeld dat de officier van justitie de machtiging op 17 december 2015 schriftelijk heeft gevorderd (Methodiekendossier, deel 7, BD11-143) en ter onderbouwing van de vordering een proces-verbaal van het onderzoeksteam van 10 december 2015 heeft overgelegd (Methodiekendossier, deel 7 BD11-132 e.v.). De rechter-commissaris heeft, gelet op inhoud van de schriftelijke machtiging, op de gronden en wijze en onder de voorwaarden als in de vordering omschreven, de machtiging tot het geven van het bevel tot OVC afgegeven. Door op deze wijze de machtiging te verlenen heeft de rechter-commissaris hetgeen is opgenomen in de vordering tot machtiging OVC, als grondslag genomen. In de vordering, evenals in het ter onderbouwing overgelegde proces-verbaal van 10 december 2015, is uitdrukkelijk vermeld dat de vordering tot machtiging wordt verzocht in verband met de verdenking van overtreding de artikelen 2 onder A en 10a van de Opiumwet (OW) evenals de artikelen 420bis en 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor de verdenking van artikel 2 onder A in samenhang met artikel 10 OW en artikel 140 (derde lid) Sr geldt dat dit misdrijven betreft waarop een gevangenisstraf is gesteld van acht jaren of meer. Bovendien is in het ter onderbouwing gevoegde proces-verbaal van 10 december 2015 de verdenking uitvoerig beschreven evenals de resultaten tot dan toe.

Uit de vordering machtiging OVC blijkt voorts dat de machtiging wordt gevorderd teneinde OVC-apparatuur aan te brengen in de woning van de verdachte aan de [adres 2] . Weliswaar heeft de rechter-commissaris bij de door gegeven schriftelijke machtiging verzuimd het hokje aan te kruisen bij de opmerking dat de woning mag worden betreden, maar gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat dit een kennelijke omissie betreft en dat het duidelijk was dat de rechter-commissaris heeft beoogd die toestemming te verlenen. In zoverre ontbeert het verweer feitelijke grondslag. Ten overvloede merkt het hof in dit verband op dat de rechter-commissaris bij aanvullend proces-verbaal van 19 februari 2016 heeft bevestigd dat het betreffende hokje per ongeluk niet is aangekruist en dat het de bedoeling is geweest toestemming te verlenen voor het betreden van de woning van de verdachte teneinde daarin de OVC-apparatuur te plaatsen.

Het hof concludeert dan ook dat van de door de raadsvrouw gestelde onregelmatigheden niet is gebleken en er daarom geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De resultaten van de OVC-opnames kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt.

Observatie in de woning van de verdachte

Op 19 november 2015 is een observatiecamera geplaatst, gericht op de voordeur, althans de voorzijde van de woning van de verdachte. Behalve de toegangsdeur bevindt zich daar ook een raam en was het soms mogelijk om flitsen van de televisie en langslopende personen direct achter het raam waar te nemen, waarbij moet worden opgemerkt dat het zicht op de personen achter het raam – dat was voorzien van dichte gordijnpanelen – zo beperkt was dat slechts ‘onherkenbare schimmen’ zichtbaar waren (Algemeen dossier, BA381). Hoewel dus door de camera op de voorzijde een enkele keer ook zeer beperkt zicht is geweest op wat zich direct achter het raam afspeelde, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat de situatie gelijk te stellen is met observatie in de woning van de verdachte. Bijna de volledige binnenkant van de woning is buiten het bereik van de camera gebleven. Dat de camera een zoomfunctie had, zoals door de raadsvrouw is gesteld, is uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken. De officier van justitie heeft in eerste aanleg – bij gelegenheid van het repliek – ook uitdrukkelijk betwist dat die mogelijkheid bestond.

Het hof concludeert dat van de door de raadsvrouw gestelde onregelmatigheden niet is gebleken en er daarom geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De resultaten van de cameraobservatie kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt.

Bewijsoverweging

Inleiding

De politie heeft vanaf eind 2015 onderzoek gedaan naar de handel in verdovende middelen door [verdachte] en [medeverdachte] vanuit de woonwagen van [verdachte] aan de [adres 2] (onderzoek 26 Melogale 2). In dat onderzoek zijn diverse technische hulpmiddelen ingezet. Zo is een videocamera gericht op de voordeur van de woonwagen, is afluisterapparatuur in de woonwagen geplaatst (OVC) en zijn kentekenregistratiesystemen (ANPR) langs de twee toegangswegen naar het woonwagenkamp geplaatst. Diverse personen zijn in beeld gekomen als mogelijke afnemers van de verdovende middelen, onder wie [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 12] , [persoon 5] , [persoon 11] , [persoon 10] , [persoon 6] en [persoon 7] (onderzoek 26Melogale 3).

Ten aanzien van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 12] , [persoon 5] , [persoon 11] , [persoon 10] , [persoon 6] en [persoon 7] wordt gelijktijdig arrest gewezen. De verdachten worden hierna ter bevordering van de leesbaarheid telkens met hun naam aangeduid.

Het hof gaat op grond van de – deels in de voetnoten opgenomen – wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden. De hierna volgende overwegingen zijn grotendeels gelijkluidend aan de overwegingen van de rechtbank.

OVC-gesprekken

Van 1 januari 2016 tot 19 april 2016 is alle communicatie in de woonkamer van de woonwagen van [verdachte] aan de [adres 2] opgenomen. Deze communicatie is beluisterd en uitgewerkt (G, mappen 1 tot en met 6). Hieruit blijkt niet alleen dat [verdachte] en zijn contacten op diverse momenten openlijk over cocaïne en coke spreken, ook wordt veelvuldig (in versluierd taalgebruik) gesproken over onder andere Poker, J10, Audi, Muzieknoot, Toyota, Technomarine, F1R, Yamaha, stempels, de (diesel)geur van producten en het koken ervan. Deze termen zijn door experts op het gebied van drugs en precursoren met cocaïne in verband gebracht. Zij hebben erop gewezen dat een deel van de genoemde termen bekend is als logo’s van cocaïneblokken bij Europol en/of is opgenomen in de Europol Cocaïne Logo Catalogue 2008, dat cocaïne door de kristallisatie met zoutzuur een typisch zurige lucht heeft en dat bij de cocaïneproductie in Zuid-Amerika vaak dieselolie wordt gebruikt om de cocaïne te extraheren uit de bladeren van de cocaplanten. Indien er niet goed gezuiverd wordt is het mogelijk dat het eindproduct naar dieselolie ruikt. Ten slotte hebben zij erop gewezen dat uit analyses van de douane en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van rechtstreeks uit Zuid-Amerika afkomstige cocaïne blijkt dat dit vermengd is met andere producten en dat deze versnijdingsmiddelen eruit worden gehaald door de cocaïne te koken.

Van een handel in andere goederen dan cocaïne, op een kleine bijkomstige handel van [verdachte] in PGP-telefoons en een paar gesprekken die over softdrugs lijken te gaan na, is in dit uitgebreide onderzoek niet gebleken. De gesprekken over PGP-telefoons en softdrugs zijn over het algemeen makkelijk en duidelijk te onderscheiden van de hiervoor bedoelde gesprekken. PGP-telefoons zijn immers geurloos, worden niet van stempels voorzien, niet gewogen en worden niet gekookt; het is dan ook volstrekt helder dat de vele gesprekken over Poker, Audi, diesel en koken niet over PGP-telefoons gaan. Softdrugs komen slechts in een paar gesprekspassages voor en worden dan ook onomwonden bij naam genoemd. Softdrugs worden evenmin gekookt en ruiken niet naar diesel.

In de vele gesprekken in de woonwagen van [verdachte] wordt de handelswaar in de meeste gevallen aangeduid met één van de hiervoor genoemde benamingen en/of een rond aantal. Tijdens de (delen van) gesprekken die gaan over de handelswaar met de genoemde benamingen wordt niets gezegd wat duidt op verschillende soorten handelswaar (zoals andere soorten drugs). Evenmin wordt gesproken over verschillende gewichten. Kennelijk was het voor de gesprekspartners niet nodig om nader te specificeren van welke handelswaar men er een, twee of zes wilde hebben, of wat het gewicht van ‘een Poker’ is. Verder valt uit de gesprekken af te leiden dat Poker, Audi, Puma, Toyota, Techno Marine en J10 en dergelijke verschillende benamingen zijn voor hetzelfde product. Uit de gesprekken wordt dan ook duidelijk dat het gaat om een eenvormige handel in telkens hetzelfde product, dat in vaste (gewichts)eenheden wordt verkocht.

Administratie in PGP-telefoon

Op 19 april 2016 zijn de woningen van [verdachte] en [medeverdachte] doorzocht. In beide woningen is onder meer een telefoon van het merk BlackBerry aangetroffen en in beslag genomen. Uit onderzoek aan deze telefoons is gebleken dat het ging om zogenoemde ‘PGP-telefoons’, te weten telefoons voorzien van encryptiesoftware. Specialisten van het NFI hebben de encryptiesleutels van de telefoons gebroken en de inhoud ervan veiliggesteld. In de telefoons zijn e-mailberichten, PGP-berichten en een contactenlijst aangetroffen. De gebruikers van deze telefoons zijn geïdentificeerd als [verdachte] (onder de naam [naam 1] ) en [medeverdachte] (onder de naam [naam 2] ). Uit de PGP-communicatie tussen [medeverdachte] en [verdachte] blijkt dat er gesproken wordt over onder andere Toyota, Poker, Puma, J10, Techno Marine, 777, F1R, CN en Audi in combinatie met verschillende aantallen. In de telefoon van [medeverdachte] is een administratie aangetroffen over het meegeven, ontvangen en omruilen van producten en bedragen, waarin de hiervoor genoemde benamingen voor de handelswaar van [verdachte] en [medeverdachte] zijn opgenomen. In de administratie wordt veelal volstaan met notities als ‘1 poker meegegeven’, ‘10 techno marine mee’, ‘3 poker opgehaald’. In de meeste gevallen is, net als in de OVC-gesprekken, niet nader aangegeven wat met deze getallen wordt bedoeld. Het hof maakt hieruit op dat een nadere aanduiding van wat bijvoorbeeld ‘3 poker’ is, niet nodig was omdat het kennelijk steeds om dezelfde eenheden ging. Een aantal keren is in deze administratie wel uitdrukkelijk een gewicht genoemd, bijvoorbeeld ‘gewicht 1046 en 1048’ en ‘gewogen met verpakking 1134’, waarbij opvalt dat die gewichten dan steeds rond de kilo (1000 gram) liggen. In de administratie is niets te ontdekken wat een onderscheid aangeeft tussen verschillende soorten handelswaar, anders dan de benaming (zoals Poker, Audi’s en Techno Marine).

In de administratie zijn verwijzingen naar de kennelijke kiloprijs van de handelswaar opgenomen, bijvoorbeeld:

’27-11 5J10 mee en 3 Toyota

211 betaald’

’30-01 lelikie 1 poker gebracht en 26 gehad.

‘totaal 21 stuks gekocht

8 toyota’s

7 audi’s

5 J10’s

1. techno marine

totale gewicht

was 20.708 x 26.500 = 548.762

totaal te betalen 548.762’.

Het hof leidt uit deze verwijzingen af:

- dat de genoemde handelswaar (Toyota’s, Audi’s, J10, Techno Marine) per stuk gemiddeld ongeveer een kilo weegt;

- dat de prijs van een kilo van elk van deze waar gelijk is, en

- dat die prijs ongeveer € 26.000,00 per kilo is.

Het hof hecht grote bewijswaarde aan deze administratie. [medeverdachte] hield deze administratie bij in een PGP-telefoon en deelde deze, voor zover bekend, alleen met de PGP-telefoon van [verdachte] , zoals kan worden afgeleid uit het overzicht van berichten op de PGP-telefoon van [medeverdachte] . De administratie was kennelijk daadwerkelijk voor ‘intern’ gebruik door [medeverdachte] en [verdachte] bedoeld en had geen ander kennelijk doel dan het bijhouden van de daadwerkelijke stand van zaken met betrekking tot de verkoop van cocaïne. Een ander doel van deze administratie is overigens ook niet door de verdediging betoogd. Het hof heeft geen reden te twijfelen dat deze administratie klopt.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat wanneer [verdachte] en [medeverdachte] spreken over Poker, Audi, 777 en dergelijke, zij spreken over cocaïne, die zij verhandelen in blokken van ongeveer één kilo. Dat het daadwerkelijk om cocaïne ging vindt bovendien bevestiging in hetgeen hieronder ten aanzien van de afnemers [persoon 1] en [persoon 2] is overwogen. Overigens heeft [verdachte] noch [medeverdachte] ontkend dat vanuit de woonwagen van [verdachte] werd gehandeld in kiloblokken cocaïne.

Ten aanzien van feit 1

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder 1 tenlastegelegde inhoudende, samengevat, dat [verdachte] aan verschillende afnemers hoeveelheden cocaïne heeft verkocht en verstrekt. Anders dan in eerste aanleg is het Openbaar Ministerie van oordeel dat niet in alle gevallen waarin sprake is van verstrekking aan afnemers gesproken kan worden van medeplegen met [medeverdachte] .

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van verschillende ‘afnemers’ gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het betreft hier de afnemers [persoon 1] en [persoon 2] , [persoon 5] , [persoon 9] , [persoon 8] , [persoon 11] , [persoon 10] en [persoon 12] . Ten aanzien van afnemer [persoon 3] heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er een partiële vrijspraak dient te volgen nu in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig is voor alle gestelde leveringsdata, omdat [verdachte] op 13, 14 en 16 januari 2016 in Spanje was en [persoon 3] op 22 januari 2016 niet naar binnen is gegaan. Enkel de levering op 25 januari 2016 kan bewezen worden. Ten aanzien van afnemer [persoon 4] heeft de raadsvrouw betoogd dat maximaal een hoeveelheid van 11 kilogram kan worden bewezen en voor de overige kilo’s dient te worden vrijgesproken. Voor afnemer [persoon 6] dient vrijspraak te volgen omdat onvoldoende uit het dossier kan worden afgeleid dat sprake is van levering van cocaïne; subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat slechts ‘een hoeveelheid’ kan worden bewezenverklaard. Voor afnemer [persoon 7] dient vrijspraak te volgen nu uit het dossier onvoldoende blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] cocaïne aan hem hebben verkocht en geleverd. Tot slot kan niet worden bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte] 146 kilogram cocaïne voorhanden heeft gehad op 16 februari 2016, zodat ook voor dat onderdeel vrijspraak dient te volgen.

Oordeel hof

Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] vanuit de woonwagen van [verdachte] kiloblokken cocaïne verkochten. In feit 1 wordt hen verweten aan verschillende, met name genoemde, afnemers cocaïne te hebben verstrekt. Het hof zal, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, beoordelen of dat telkens kan worden bewezen.

Afnemers [persoon 1] en [persoon 2]

Op 31 maart 2016 gaat [verdachte] omstreeks 12.30 uur zijn woning binnen met een gevulde sporttas. Omstreeks 12.54 uur gaat [medeverdachte] met een gevulde tas van [winkel] de woning in. Omstreeks 13.00 uur vertrekt [medeverdachte] . Ongeveer een kwartier later komen twee mannen bij de woning aan. Zij gaan naar binnen. Zij verlaten om 13.56 uur de woning en rijden weg in een voertuig met kenteken [kenteken 5] . Om 14.12 uur wordt het voertuig een stopteken gegeven waaraan gevolg wordt gegeven. Zij worden geïdentificeerd als [persoon 1] en [persoon 2] . Bij de doorzoeking van het voertuig wordt in de rechterachterbank een verborgen ruimte aangetroffen. In de verborgen ruimte liggen twee witte blokken en een [winkel] tas. In de [winkel] tas zit nog een wit blok en een kassabon. Op de blokken staat respectievelijk ‘CN 1015’, ‘777 1012’ en ‘F1R 978’ geschreven. Monsters van de blokken, die samen 3.01 kilogram wegen, worden voor onderzoek naar het NFI gestuurd en blijken cocaïne te bevatten. Er is onderzoek gedaan naar de kassabon. Deze bleek afkomstig van het [winkel] -filiaal aan het [adres 3] te Den Haag en betrof een transactie van 29 maart 2016 te 10.42 uur. Op camerabeelden is te zien dat [verdachte] bij dat filiaal op dat tijdstip bij de kassa staat en goederen op de band legt. Die goederen komen overeen met de goederen op de kassabon. Zichtbaar is dat hij de boodschappen in een [winkel] tas doet. Als [verdachte] vertrekt, neemt hij de kassabon aan. Uit het OVC-gesprek van 31 maart 2016 volgt dat [medeverdachte] tegen [verdachte] zegt dat hij ‘nu alleen deze twee heeft en Audi. [medeverdachte] en [verdachte] spreken vervolgens over de prijs. In het gesprek tussen [verdachte] en [persoon 1] en [persoon 2] , dat kort na het vertrek van [medeverdachte] plaatsvindt, zegt [verdachte] dat hij 777, Poker, CN, F1R, Puma en Audi heeft en dat ze het mogen openmaken. [persoon 2] en [persoon 1] zeggen dat het erg goed is. Verder zegt [verdachte] dat ze het even op de weegschaal leggen en hij de gegevens erop schrijft. Hij zegt vervolgens ‘777’, ‘1012’, waarop een van de gesprekspartners antwoordt ‘777’. [verdachte] herhaalt ‘1012’ waarna een van de gesprekspartners zegt: ‘777 1012’ en vervolgens ‘1015 is CR (het hof begrijpt CN)’. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan worden bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte] drie kilo cocaïne aan [persoon 1] en [persoon 2] heeft verkocht.

[persoon 3]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [persoon 3] , zoals hij ook als getuige ten overstaan van het hof heeft verklaard, in de tenlastegelegde periode op verschillende dagen blokken cocaïne heeft opgehaald in de woonwagen van [verdachte] . Hij maakte daarbij gebruik van een aan hem ter beschikking gestelde Audi A6 met een verborgen ruimte. Uit het dossier blijkt dat [persoon 3] in de maanden januari en februari 2016 meerdere keren in de woning van [verdachte] is geweest. Op verschillende dagen waarop is gezien dat [persoon 3] de woning van [verdachte] is binnengegaan, zijn er – zo blijkt uit de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] – ‘Toyota’s’, ‘Audi’s’, ‘J10’en ‘Techno Marine’ meegegeven aan ‘ [naam 3] ’. [persoon 3] heeft als getuige verklaard dat de naam [naam 3] gekoppeld was aan de telefoon in de Audi A6 waarmee hij communiceerde zodra het over het vervoer van cocaïne ging. Gelet op de aantekeningen in de administratie in de PGP-telefoon van [medeverdachte] die overeenkomen met de momenten waarop [persoon 3] bij de woning van [verdachte] is gezien stelt het hof vast dat het [persoon 3] is die in de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] is geduid als “ [naam 3] ”. Uit deze administratie blijkt dat een hoeveelheid van 21 blokken, bijna 21 kilogram aan “ [naam 3] ” is verstrekt. Het hof leidt hieruit af dat de in de administratie genoemde hoeveelheid van bijna 21 kilogram cocaïne door [medeverdachte] en [verdachte] is verstrekt aan [persoon 3] . Overigens is tenlastegelegd een hoeveelheid van ‘(in totaal) tenminste 10 kilogram’. Het hof zal in de bewezenverklaring daarom uitgaan van een hoeveelheid van 10 kilogram.

[persoon 4]

Op 20, 21 en 25 januari 2016 heeft [persoon 4] de woning van [verdachte] bezocht. Op 21 en 25 januari 2016 zijn er – zo blijkt uit de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] ’10 techo marine aan [naam 4] mee (gegeven)’ en ‘1 poker’. Gelet op deze aantekeningen in de administratie in de PGP-telefoon van [medeverdachte] die overeenkomen met de momenten waarop [persoon 4] bij de woning van [verdachte] is gezien stelt het hof vast dat het [persoon 4] is die in de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] is geduid als ‘ [naam 4] ’. Uit deze administratie blijkt dat onder het kopje ‘ [naam 4] ’ een hoeveelheid van 18 stuks openstaan en dat ook op 20 januari ‘1 audi en 1 techni’ en op 26 januari ‘5 techno’ zijn meegegeven er betalingen zijn gedaan op 24, 27, 29 en 31 januari (het hof begrijpt hier steeds: 2016) en 4 februari 2016, waarbij de laatste betaling ‘aan mij’ (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) is gedaan. Het hof leidt hieruit af dat de in de administratie genoemde hoeveelheid van 18 stuks, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de kiloblokken en ‘techno marine, audi en poker’, dat het hier gaat om 18 kilogram cocaïne die door [verdachte] en [medeverdachte] zijn verstrekt aan [persoon 4] . Die hoeveelheid kan dus worden bewezen.

[persoon 5]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [persoon 5] op 4 maart 2016 omstreeks 08:34 uur de woonwagen van [verdachte] bezoekt. Omstreeks 08.57 uur komt [medeverdachte] eveneens bij de woonwagen van [verdachte] . In zijn linkerhand draagt hij een blauwe tas van [winkel] . Aan de onderkant van de tas is een blokvormig voorwerp zichtbaar. In de woonwagen voeren [persoon 5] , [medeverdachte] en [verdachte] vervolgens een gesprek. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte] dat hij al twintig heeft betaald, waarna [verdachte] zegt “neem er een mee”. [verdachte] vraagt vervolgens aan [medeverdachte] of hij ‘een poker mee’ heeft opgeschreven. [medeverdachte] antwoordt bevestigend. Omstreeks 09.06 uur verlaat [persoon 5] de woning. Hij draagt in zijn rechterhand een blauwe tas. In de administratie in de PGP-telefoon van [medeverdachte] is aangetekend dat ‘buurman’ op 04-04 een poker heeft gehad. Het hof stelt vast dat de aantekening 04-04 een kennelijke typefout betreft, omdat de aantekeningen telkens op chronologische volgorde zijn gemaakt en de daaraan voorafgaande notitie van 29-02 en de daarop volgende notitie van 06-03 is. Met 04-04 is dus bedoeld: 04-03, dus 4 maart. [persoon 5] is jarenlang woonachtig geweest, en stond op 4 maart 2016 ook nog ingeschreven, op het adres [adres 4] – en was toen dus de buurman van [verdachte] . Op grond van deze feiten en omstandigheden kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] op 4 maart 2016 aan [persoon 5] ongeveer één kilo cocaïne hebben verstrekt.

[persoon 6]

Op 17, 20, 24 en 26 januari 2016 en op 11 februari 2016 heeft [persoon 6] de woning van [verdachte] bezocht, deels in gezelschap van [persoon 4] . Tijdens gesprekken op 17, 20 en 24 januari 2016 wordt er onmiskenbaar gesproken over de handel in drugs. Er wordt op 17 januari 2016 zelfs letterlijk gesproken over ‘coke’. In de PGP-telefoon van [medeverdachte] heeft [persoon 6] een eigen administratie. Hij wordt hierin aangeduid als ‘maat (van) [naam 4] ’ of ‘vriend [naam 4] ’. Uit deze administratie blijkt het volgende:

11-02 maat v [naam 4] 15.000 euros en 12.000 f. franc gegeven

15-02 maat [naam 4] 20 betaald fr terug

17-02 vriend [naam 4] 33 betaald.

Op 11 februari 2016 heeft een gesprek plaatsgehad tussen [medeverdachte] en [persoon 6] , dat onmiskenbaar aansluit bij deze administratie. Er is namelijk te horen:

[persoon 6] : Maar ik hier, voor eentje

[…]

[persoon 6] : Nee omdat ik, ik kom vanavond of misschien breng ik meer geld vanavond. (…)

[medeverdachte] : Oke dit is 12.000 frank

[persoon 6] : ja ja

[medeverdachte] : en hier hebben we dus

[persoon 6] : 15

[…]

[persoon 6] : Ja. Met die 11.000, honderd procent, maar dan van die 11.000, had ik al

[medeverdachte] : dan heb je één betaald

[persoon 6] : ja, een betaald is goed.

Het hof gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat [persoon 6] van [verdachte] en [medeverdachte] cocaïne heeft afgenomen, namelijk voor een bedrag van in totaal € 78.000,00. Gelet op de door [verdachte] gehanteerde prijs van rond de € 26.000,00 per kilo komt dat neer op ongeveer drie kilo cocaïne. Deze conclusie pas goed bij het feit dat [persoon 6] op 26 januari 2016 bij de woning van [verdachte] is geweest en daar is vertrokken met een gevulde bigshopper. Blijkens het OVC-gesprek van die dag vraagt [medeverdachte] aan [verdachte] : wat zei je nou net, je hebt 6 meegegeven? Waarop [verdachte] antwoordt: ja. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] aan [persoon 6] ongeveer drie kilo cocaïne hebben verstrekt.

[persoon 9] en [persoon 8]

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte] op 9 januari 2016 één kilo cocaïne aan [persoon 9] en [persoon 8] heeft verstrekt. [verdachte] heeft dit niet betwist.

[persoon 10] en [persoon 11]

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte] aan [persoon 11] een hoeveelheid van vier kilogram cocaïne hebben verkocht en verstrekt. [verdachte] noch [medeverdachte] heeft dit betwist.

[persoon 12]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [persoon 12] op 5 januari 2016 in de woonwagen van [verdachte] is geweest en daar met [verdachte] een gesprek had. Tijdens dit gesprek gebruikt [verdachte] de termen ‘Techno Marin’ en ‘Audi’. [verdachte] zegt tegen [persoon 12] dat hij even moet wachten en dat hij even gaat kijken. [verdachte] verlaat de woonwagen en komt 13 minuten later weer terug. In de tussentijd is [medeverdachte] bij de woonwagen gearriveerd. [medeverdachte] vraagt aan [persoon 12] waar ‘die grote’ heen is. [persoon 12] zegt: “[...] pakken.” Als [verdachte] weer terugkomt in de woonwagen, wordt er gesproken over koken. [verdachte] vraagt aan [persoon 12] of hij ammoniak wil. [verdachte] zegt vervolgens: “Dat is Poker”. Als [persoon 12] vraagt: “En dit is?”, zegt [verdachte] : “J10”. Een paar minuten later vraagt [verdachte] : “Wil je er een meenemen?”, waarna [persoon 12] reageert: “Ik neem die mee [...] deze betaal ik gewoon 27”. [verdachte] zegt dat hij het meegeeft en dat hij [persoon 12] die avond verwacht met betalen. In de administratie op de telefoon van [medeverdachte] staat dat ‘ [naam 1] ’ op ‘05-01 1 Toyota aan zoon’ heeft gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] aan [persoon 12] ongeveer één kilo cocaïne hebben verkocht en verstrekt.

146 kilogram

Op 16 februari 2016 arriveert [medeverdachte] met drie ‘Mexicanen’, althans Spaanssprekende personen bij de woning van [verdachte] . In de woning wordt gesproken over de kwaliteit van het product en wordt door een van de Mexicanen het getal 201 genoemd. Het gesprek gaat over het ‘poker ding’ dat ze erg slecht zijn, dat de Engelsen het terug hebben gegeven en over ‘vis, die is niet goed, Toyota, Puma is niet goed, J10, Techno Marie, de Audi’ en dat poker ze niet aanstaat omdat het een ander geurtje heeft en niet goed kookt. [verdachte] zegt ze te verkopen voor 26 en dat hij een klein beetje heeft verkocht, hij denkt 50 of 60. Vervolgens wordt de voorraad besproken. [medeverdachte] zegt dat er 55 zijn verkocht, waarvan 7 Poker en 8 Audi en antwoordt op vragen van [verdachte] en een van de Mexicanen, samengevat:

In de administratie in de PGP-telefoon van [medeverdachte] staat het volgende genoteerd:

Totaal Meiden

89 x groen poker

23 x mexicaan zwart is audi

17 x techno marine

17 x J10

10 x Puma

9 x Toyota

8 x Yamaha verkocht

9 x niks witte verpakking

4 x XO stinkt

3 x jode ster ruikt ok

2 x V ruikt oke maar lelijk

2 x poten stinkt

3 x rechthoek ok

1. x audi

1. x 777 ok

1. x F1R ok

1. x cn stinkt

1. x ruit stinkt

Nu verkocht:

(…)

7 poker

8 audi

17 techno

8 yahama

9 toyota

5 J10

1. zachte

Het in het gesprek op 16 februari 2016 genoemde getal ‘201’ en ‘55’ in combinatie met de termen zoals ‘poker’, ‘audi’, ‘toyota’ komen exact overeen met hetgeen in de administratie in de PGP-telefoon van [medeverdachte] is genoteerd. Uit wat hiervoor is opgemerkt over de afnemers en de wijze waarop [verdachte] en [medeverdachte] aan de afnemers blokken cocaïne verstrekten, leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte] beschikkingsmacht hadden over een voorraad cocaïne. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] tezamen en in vereniging op 16 februari 2016 nog een hoeveelheid van 146 kilo cocaïne aanwezig hebben gehad.

Voornoemde conclusies worden anders indien [verdachte] een verklaring heeft afgelegd die de redengevendheid van de voorgaande genoemde feiten en omstandigheden ontzenuwt. Dit is niet het geval. [verdachte] heeft gedurende het opsporingsonderzoek en in beide fasen van de berechting grotendeels gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Op tal van vragen die betrekking hadden op uit de processtukken blijkende feiten en omstandigheden die belastend kunnen worden uitgelegd heeft hij geen antwoord gegeven.

Ten aanzien van feit 2

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van feit 2 juist zijn en in hoger beroep dienen te worden gevolgd.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat vrijspraak dient te volgen ter zake van het voorhanden van verpakkingsmateriaal, het sealapparaat en versnijdingsmiddelen, zoals ook door de rechtbank is beslist. Voor het overige heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

Oordeel hof

Ontmoetingen met afnemers, verkopers en tussenpersonen

Op 10 januari 2016 bezoekt een persoon de woning van [verdachte] . Deze persoon wordt geïdentificeerd als [persoon 14] . In de woning voert hij een gesprek met [verdachte] . Daarin wordt gesproken over bedragen (24 ruggen, 27 en 28,5), ‘mensen van Engeland’ en het verzenden van spullen. [verdachte] zegt: “Maar ik heb pokers liggen. En die zijn goed”. [persoon 14] zegt later dat er klanten uit Rome aan het zeuren zijn. Zij willen een hoop spullen hebben. De jongen die zou gaan rijden heeft problemen met het CJIB, dus als ze hem aanhouden, nemen ze gelijk zijn auto in beslag. [verdachte] vraagt hierop: “Je moet transport naar Italië hebben? (…) Ik kan wel kijken voor je of ik iemand kan laten rijden (…) Hoeveel erin?” [persoon 14] reageert dat het varieert tussen de vijf en de tien stuks.

Op 17 januari 2016 bezoeken twee personen de woning van [verdachte] . Zij worden geïdentificeerd als [persoon 9] en [persoon 13] . In de woning voeren zij een gesprek met [verdachte] en [medeverdachte] . Er wordt gesproken over een product uit Panama. [verdachte] vraagt of [persoon 9] alleen die poker heeft gezien. Hij antwoordt bevestigend. [verdachte] zegt vervolgens: “Deze coke is het beste (…) gewoon Colombiaans. Coke van de straat.” [verdachte] zegt dat deze trager kookt, maar dat het er top uitziet. [medeverdachte] en [verdachte] noemen de term ‘Techno Marine’. Het gesprek gaat dan verder over vermoedelijk blokken cocaïne met andere opdrukken, als ‘Ster met 7 erin’ en ‘Dior’. [verdachte] zegt dat hij daarom heeft gevraagd, volgens [persoon 9] was het top en [verdachte] vraagt: “Wat vroegen ze ervoor?’ [persoon 13] antwoord dat hij die kan pakken voor 27.

Op 23 februari 2016 bezoeken drie personen de woning van [verdachte] . Deze personen worden geïdentificeerd als [persoon 15] , [persoon 16] en [persoon 17] , allen geboren in Colombia. In de woning voeren zij een gesprek met [verdachte] over onder meer de verdeling van de kosten voor een deklading in een container. [persoon 15] geeft aan dat men een bedrijf heeft dat papier/karton kan exporteren in containers naar Europa. [verdachte] zegt dat hij de prijs van de deklading te hoog vindt. [persoon 15] legt vervolgens uit dat iedereen betaald moet worden: het bedrijf, de politie, de mensen van de haven en de paramilitairen. Op 25 februari 2016 komt [persoon 15] weer bij de woning van [verdachte] . Hij heeft een gevulde plastic tas bij zich. In het gesprek worden bedragen genoemd en is het geluid van een geldtelmachine hoorbaar. [persoon 15] zegt dat het in totaal 219 is. Wederom wordt gesproken over het regelen van een bedrijf om containers met papier/karton vanuit Zuid-Amerika naar Europa te sturen. [persoon 15] zegt dat er in de containers 1000 kan zitten, waarvan 500 voor [verdachte] is. Vervolgens worden bedragen besproken. [verdachte] zegt dat hij alleen 25 kan krijgen als het heel goede kwaliteit is. Op 2 maart 2016 komt [persoon 15] opnieuw bij de woning van [verdachte] , samen met [persoon 16] . Het gesprek gaat over transporten van containers vanuit Zuid-Amerika naar Europa. [persoon 15] noemt Antwerpen als eindbestemming. Vervolgens zegt hij: “Als ze jou de namen geven, maken wij het zwanger want elke container kan het.”

Op 2 februari 2016 bezoekt een persoon de woning van [verdachte] . Deze persoon wordt geïdentificeerd als [persoon 18] , woonachtig in [plaats] (Engeland). In de woning zijn [verdachte] en [medeverdachte] aanwezig. Zij voeren een gesprek met [persoon 18] . [persoon 18] zegt tegen [verdachte] dat hij klanten heeft en vraagt wat [verdachte] heeft. [verdachte] zegt dat hij Poker heeft en dat het goed is. [verdachte] vraagt of [persoon 18] er iets mee kan. [persoon 18] zegt dat hij er eentje kan laten zien en dat hij er twee per keer zou doen. [persoon 18] vraagt of de prijs in Amsterdam nu 26 is. [verdachte] zegt dat ze goed en glanzend zijn. [persoon 18] vraagt hoe het zit als je het rookt. [verdachte] zegt dat je ze kunt roken en zegt dat hij er een goed stuk uit kan halen, zodat [persoon 18] het kan ruiken. [persoon 18] zegt dat hij morgen voor elf uur een stuk wil zien. [persoon 18] zegt dat ze vandaag een man hebben gepakt in Madrid met 3,5 kilo. [medeverdachte] zegt dat ze het eerst moeten zien en ze niet iedere keer voor niks heen en weer gaan. Hij moet er eerst één testen. [verdachte] zegt: “Dat zeg ik toch?” [medeverdachte] zegt dat ze de eerste keer eentje laten zien en als het oké is, dat ze het kunnen doen. [persoon 18] zegt “als hij eenmaal ja zegt”, waarop [medeverdachte] antwoordt: “Ja, dan breng ik het en neem ik geld terug”. [persoon 18] vraagt aan [medeverdachte] of hij morgen in Amsterdam is. [medeverdachte] antwoordt bevestigend. [medeverdachte] zegt dat ze moeten besluiten waar ze afspreken. [verdachte] zegt dat ze niet in de buurt van vreemde huizen komen, waarop [persoon 18] zegt dat hij hen niet in gevaar brengt. [verdachte] vraagt of ze een rugzak moeten kopen. [persoon 18] zegt dat ze er twee nodig hebben. [persoon 18] zegt dat hij naar binnen loopt, het geld brengt en dan meteen omruilt. Je loopt dan met dezelfde naar binnen en naar buiten.

Op 22 maart 2016 wordt [verdachte] in zijn woning bezocht door drie personen. Deze personen worden geïdentificeerd als [persoon 5] , [persoon 19] en [persoon 20] . In de woning voeren de mannen een gesprek. [persoon 5] zegt dat hij een gram heeft uitgekookt en dat er niets over bleef. Het blok met een dolfijn of zeemeermin noemt hij pure versnijding. De aanslagen in Brussel worden besproken en [persoon 20] zegt: “Let nou maar op. De heel belangrijke punten gaan ze extra beveiligen.” Als [persoon 5] zegt dat ze daar toch niet komen, zegt [persoon 20] dat de haven ook een belangrijk punt is. Later op de dag zijn [verdachte] , [persoon 19] en [persoon 20] wederom in de woning. [persoon 19] vraagt aan [verdachte] of hij nog 57 Pokers heeft. [verdachte] zegt dat hij er nog maar 12 heeft. [verdachte] zegt later dat hij het heeft gekookt met baking soda en dat de toyota’s niet jofel zijn. [persoon 19] vraagt aan [verdachte] of hij gaat schieten. [verdachte] antwoordt bevestigend. [verdachte] zegt dat ze hem die info moeten geven, dat het al klaar staat en dat ze al geld hebben. [persoon 19] vraagt aan [verdachte] wat geld overmaken kost. [verdachte] zegt dat het twaalf kost. [persoon 20] vraagt: “Naar Panama?” [verdachte] zegt: “Ja”. [persoon 20] zegt dat je het beter naar Colombia dan naar Panama kan sturen. [verdachte] zegt dat hij Colombia ook twaalf procent doet.

Overdracht van € 342.000,00

Op 6 maart 2016 rijdt [medeverdachte] tweemaal van Nederland naar België, eenmaal in de ochtend en eenmaal in de avond. Op 7 maart 2016 voert [verdachte] in zijn woning een gesprek met drie onbekende mannen. Het gesprek gaat over de betaling en het omwisselen van een geldbedrag. Een van de mannen legt uit dat het kantoor op maandagochtend opent en ze dan kijken wat de koers is. [verdachte] zegt dat maandagochtend het moment is dat het opengaat, maar niet het moment dat hij het geeft. [verdachte] zegt dat hij het zal uitleggen en dat het niet de eerste keer is dat hij een hoop geld wisselt. Een van de mannen zegt tegen [verdachte] dat hij zijn neef naar zijn huis heeft laten komen en hem heeft gezegd dat het zondag is en dat er niemand sluit. De man zegt dat hij een PGP-bericht stuurt als het is gesloten. Hij laat dan precies weten hoeveel je krijgt in Panama, punt uit. [verdachte] zegt dat als hij op zondag geeft, hij zondag opschrijft. Later zegt [verdachte] dat hij van zijn neef heeft begrepen dat hij moet betalen voor 20. Hij vraagt van wie de mannen 500 euro krijgen. “Welke kerel die bij jou gaat wisselen, geeft je alleen maar 500?” De mannen zeggen dat [verdachte] in de toekomst minimaal met vijftigjes moet betalen. [verdachte] vraagt hoe hij dat moet doen als hij allemaal twintigjes heeft. Ook geeft [verdachte] aan dat hij een nummer, een ‘token’ moet geven en zijn gesprekspartners geven aan dat dit ‘token’ dat [verdachte] hen geeft door anderen moet worden meegenomen.

Op 9 maart 2016 voeren [medeverdachte] en [verdachte] een gesprek in de woning van [verdachte] . [medeverdachte] vraagt of die man weer is geweest en dat als je twintigjes gaat doen, dat er kosten bijkomen. [medeverdachte] legt uit dat hij 324 had meegenomen in plaats van 342. [medeverdachte] vertelt dat hij mee naar binnen mocht en hij later ’s avonds terugkwam. De man zei vervolgens tegen hem: “Zeg tegen je oom niet die twintigjes”.

Op 20 maart 2016 bezoekt [persoon 21] de woning van [verdachte] . [verdachte] zegt dat ‘ [medeverdachte] ’ helemaal van slag was door een meisje. [verdachte] zegt dat je het aan hem merkte, ook in het werk. [verdachte] zegt dat het 42 was en hij 24 had.

Uit de hier geciteerde gesprekken volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] een geldbedrag naar Antwerpen hebben gebracht. Uit het feit dat [medeverdachte] op 6 maart 2016 tweemaal naar België is gereden, in combinatie met de aantekening in de administratie op zijn PGP-telefoon ‘06-03 324 gegeven jew s’avonds 18 bij’, leidt het hof af dat het gaat om bedragen van € 324.000,00 en € 18.000,00, dus in totaal € 342.000,00. Blijkbaar zijn deze bedragen via ondergronds bankieren (zoals onder meer blijkt uit het gebruik van een ‘een nummer en een token’) verder in het betalingsverkeer gebracht, vermoedelijk – gelet op het gesprek op 7 maart 2016 – naar Panama.

Geldtelmachine

Uit de opgenomen gesprekken in de woning van [verdachte] blijkt dat meermalen het geluid van een geldtelmachine te horen is, in aanwezigheid telkens van [verdachte] en/of [medeverdachte] . Het geluid is hoorbaar bij gesprekken waarbij er kennelijk (handmatig) wordt geteld. Als de politie op 19 april 2016 de woning van [medeverdachte] doorzoekt, wordt een geldtelmachine aangetroffen.

PGP-telefoons

Zoals hiervoor is overwogen, maakten zowel [verdachte] als [medeverdachte] gebruik van PGP-telefoons om daarmee kennelijk heimelijk te communiceren over hun cocaïnehandel. [verdachte] informeert anderen ook over de werking van deze telefoons en legt uit waarom hiermee chatten veiliger is dan mailen.

Verborgen ruimte in auto

[verdachte] is van 9 oktober 2015 tot 2 februari 2016 de eerste kentekenhouder geweest van een Range Rover met kenteken [kenteken 2] . Op 2 februari 2016 bezoekt [persoon 7] de woning van [verdachte] . Voor de deur staat de Range Rover geparkeerd. Waargenomen wordt dat [verdachte] en [persoon 7] samen naar het voertuig lopen. Zij kijken rondom het voertuig, in de kofferbak en aan de bestuurderszijde. Op 2 februari 2016 wordt het kenteken op naam gesteld van [persoon 22] . Uit onderzoek blijkt van een relatie tussen [persoon 22] en [persoon 7] . Op 2 april 2016 wordt de Range Rover onderzocht op verborgen ruimten. Hierbij wordt een verborgen ruimte aangetroffen in de ruimte achter de achterbank. De ruimte kon met een afstandsbediening worden aangestuurd.

Conclusie

Op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, zoals afgeleid uit de in de voetnoten weergegeven bewijsmiddelen, en in het licht van hetgeen hieronder het kopje ‘Algemeen’ is overwogen, acht het hof bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het voorbereiden van de handel in cocaïne, op de wijze zoals hieronder in de bewezenverklaring weergegeven.

Ten aanzien van feit 3

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat, dat kan worden bewezen dat [verdachte] de verschillende geldbedragen – voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde – en personenauto’s heeft witgewassen, zij het dat volgens hem van de geldbedragen van € 150.000,00 en € 342.000,00 slechts gedeeltes van respectievelijk € 75.000,00 en € 324.000,00 kunnen worden bewezen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het geldbedrag van € 457.000,00 (eerste gedachtestreepje) betoogd dat [verdachte] niet aanwezig is geweest bij de overdracht van het deelbedrag van 52.000,00. Hij kan dan ook niet als medepleger verantwoordelijk worden gehouden voor het aannemen van dit geldbedrag en moet dus in zoverre van het witwassen worden vrijgesproken. Wat het restant van het geldbedrag van € 457.000,00 betreft heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de geldbedragen van € 212.000,00 (derde gedachtestreepje), € 56.625,00 (zesde gedachtestreepje) en 12.500,00 (achtste gedachtestreepje) kan volgens haar niet worden bewezen dat verhullende handelingen zijn verricht. Ten aanzien van het bedrag van € 150.000,00 (vierde gedachtestreepje) geldt dat hooguit een bedrag van € 75.000,00 is overgedragen; van medeplegen is geen sprake. Ten aanzien van het geldbedrag van € 342.000,00 (vijfde gedachtestreepje), de Range Rover Evoque (tiende gedachtestreepje) en de Volkswagen Golf (elfde gedachtestreepje) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, zij het dat het volgens haar slechts een bedrag van € 324.000,00 kan worden bewezen. Over de Mercedes-Benz (twaalfde gedachtestreepje) heeft zij tot slot opgemerkt dat [verdachte] deze nog niet in eigendom had verkregen nu hij deze nog niet had betaald; van een witwashandeling is volgens haar ten aanzien van deze auto dus geen sprake.

Oordeel hof

Geldbedrag van € 457.000,00

Op 24 januari 2016 komt een persoon omstreeks 15.05 uur bij de woning van [verdachte] . Deze persoon wordt geïdentificeerd als [persoon 4] . [persoon 4] draagt op dat moment een tas bij zich. In de woning voert [persoon 4] een gesprek met [verdachte] . [persoon 4] zegt: “160 in totaal heb je nou. Dit is 96 en ik heb je 64 gegeven”. [verdachte] vraagt aan [persoon 4] of hij het heeft geteld. [persoon 4] zegt van niet. [verdachte] zegt dat ze het samen gaan doen. Vervolgens is te horen dat er iets wordt geteld. [verdachte] vraagt aan [persoon 4] of hij heeft opgeschreven hoeveel hij er gepakt heeft. [persoon 4] zegt dat hij er elf heeft gepakt, waarvan hij er nog eentje heeft liggen. [persoon 4] zegt dat hij vanavond misschien geld krijgt. Verder wordt de term ‘Techno Marin’ genoemd. Omstreeks 15.17 uur verlaat [persoon 4] de woning. Hij draagt geen tas meer bij zich. Vervolgens loopt [verdachte] zijn woning uit. Hij draagt in zijn hand een tas die lijkt op de tas die [persoon 4] bij zich droeg. Omstreeks 17.14 uur komt [persoon 4] weer bij de woning van [verdachte] . In de woning voert hij een gesprek met [verdachte] . Op de OVC is het geluid van een geldtelmachine te horen. Vervolgens is te horen dat er bedragen worden geteld. [persoon 4] zegt: “50, 1, 2, 3 plus 35 is 194.000. Kan ik je beter nu een rug geven zelf gewoon, dan heb je 195.000. Dat is beter toch?” In de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] staat vermeld: 24-01 195 [naam 4] gehad.

Op 27 januari 2016 gaat [persoon 4] omstreeks 13.53 uur de woning van [verdachte] binnen. In de woning voert hij een gesprek met [verdachte] . [verdachte] vraagt [persoon 4] : “Wat is dit? Twintig?” [persoon 4] zegt: “Yes (…) kennen we het samen tellen? (…) je kan het ook snel door die machine heen gooien.” [verdachte] zegt dat hij het zelf gaat doen. Hoorbaar is dat [verdachte] iets telt. Vervolgens vraagt hij aan [persoon 4] : “Drugs, heb je genoeg?” In de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] staat bij ‘ [naam 4] ’ vermeld: betalingen 27-01 aan black 20.

Op 29 januari 2016 loopt [persoon 4] de woning van [verdachte] binnen. In de woning voert hij een gesprek met [verdachte] . [persoon 4] en [verdachte] hebben het over geldbedragen. [persoon 4] zegt vervolgens: “je krijgt van mij (…) nog 25 ruggen. (…) hier is 30.” Vervolgens wordt gesproken over coke, spullen afnemen en Poker. In de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] staat het volgende vermeld: 29-01 [naam 4] 30 betaald.

Op 4 februari 2016 vindt in de woning van [verdachte] een gesprek plaats tussen [persoon 4] en [medeverdachte] . [persoon 4] zegt tegen [medeverdachte] dat hij er nog zes moet afrekenen. Hij zegt dat hij er nu twee wil afrekenen. [persoon 4] zegt: “Twee stuks is 52 (…) Dit hoort 60 te zijn (…) Dan moet ik er 8 ruggen vanaf pakken, ja toch?” [medeverdachte] stelt voor om het even te tellen en vraagt of [persoon 4] de telmachine even wil hebben, zodat hij het kan zien. [medeverdachte] zegt dat hij het gaat tellen en dat hij doorgeeft wat hij heeft. [persoon 4] neemt vervolgens afscheid. In de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] staat bij ‘ [naam 4] ’ vermeld: betalingen 04-02 aan mij 52.

Uit het voorgaande volgt dat [persoon 4] bedragen van € 195.000,00, € 20.000,00, € 30.000,00 en € 52.000,00 heeft betaald; in totaal dus € 297.000,00. Tijdens het gesprek in de ochtend van 24 januari 2016 wordt ook nog gesproken over een bedrag van € 160.000,00, maar uit het gesprek kan niet duidelijk worden afgeleid of dit een aparte betaling betreft of dat dit bedrag onderdeel is van het bedrag van € 195.000,00 dat later die dag ter sprake komt en dat ook, anders dan het bedrag van € 160.000,00, is verwerkt in de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] . Van dit bedrag van € 160.000,00 zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken.

Geldbedrag van € 212.000,00

Op 27 januari 2016 komt omstreeks 16.18 uur een persoon bij de woning van [verdachte] . Deze persoon wordt geïdentificeerd als [persoon 3] . [persoon 3] draagt een gevulde plastic boodschappentas bij zich. In de woning voert [persoon 3] een gesprek met [medeverdachte] en [verdachte] . [persoon 3] zegt: “Ik heb het niet kunnen tellen, want het ging allemaal zo snel (…) het moet 212 zijn.” Hoorbaar is dat er iets wordt geteld. Na enig moment zegt [verdachte] : “6 en 6 is 12. Tweehonderd en twaalf”. Vervolgens is meermalen het geluid van een geldtelmachine te horen. Hierna wordt door [verdachte] , [persoon 3] en [medeverdachte] gesproken over wat [persoon 3] morgen wil hebben. Daarbij worden de termen J10, F1, 777 en Audi gebruikt. Nadat [persoon 3] is vertrokken, spreken [verdachte] en [medeverdachte] nog verder over wat zij zojuist hebben ontvangen. Hierbij vraagt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Maar goed, je hebt met hem afgesproken 26,5 hè?” [verdachte] reageert hierop: “Ja, ja. Hij betaalt gewoon 26,5.” In de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] staat het volgende vermeld: 27-01 [naam 5] 211 betaald.

Hieruit volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] van [persoon 3] een bedrag van € 211.000 hebben ontvangen. Uit het OVC-verslag van 27 januari 2016 zou kunnen worden afgeleid dat [persoon 3] een bedrag van € 212.000,00 heeft betaald, hetgeen zou passen bij de afname van een hoeveelheid van acht kilo cocaïne tegen een kiloprijs van € 26.500,00. Nu echter in de administratie op de PGP-telefoon van [medeverdachte] het bedrag van € 211.000,00 is genoteerd, zal het hof zekerheidshalve uitgaan van dat laatste bedrag.

Conclusie

Voornoemde bedragen waren betalingen voor cocaïne die [verdachte] en [medeverdachte] tezamen in vereniging aan [persoon 4] en [persoon 3] hebben verstrekt. Het enkele feit dat [persoon 4] het geldbedrag van € 52.000,00 aan [medeverdachte] en niet aan [verdachte] heeft overhandigd, laat dan ook onverlet, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, dat de betaling van dit bedrag óók voor [verdachte] was bestemd en dat hij dit geldbedrag tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft verworven en voorhanden gehad.

Gelet op de omvang van de contante geldbedragen en de context van de grootschalige cocaïnehandel waarin deze bedragen worden betaald, ontstaat het vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig zijn. [verdachte] heeft geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van de geldbedragen. Het hof concludeert dan ook dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het hof zal [verdachte] vrijspreken van de overige tenlastegelegde witwashandelingen voor zover deze zien op de tenlastegelegde bedragen van € 457.000,00 en € 212.000,00. De geldbedragen zijn niet aangetroffen in de woon- of verblijfplaatsen van [verdachte] en [medeverdachte] en ook elders niet. Ook onderzoek naar de bankrekeningen van [verdachte] en [medeverdachte] heeft niet geresulteerd in het traceren van deze geldbedragen. Anders dan de rechtbank heeft beslist, is het hof van oordeel dat het enkele feit dat de geldbedragen niet zijn teruggevonden niet toereikend is voor de conclusie dat [verdachte] deze geldbedragen ook daadwerkelijk heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt. Ook overigens bevat het dossier voor deze witwashandelingen geen bewijs.

Geldbedrag van € 342.000,00

Bij de bespreking van feit 2 is al overwogen dat [verdachte] en [medeverdachte] een bedrag van € 342.000,00 – en dus niet, zoals de advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben bepleit, een bedrag van slechts 324.000,00 – naar Antwerpen hebben gebracht en daar hebben overgedragen om te investeren in cocaïne.

Uit het feit dat [verdachte] en [medeverdachte] in de periode voorafgaand aan deze transactie op grote schaal in cocaïne handelden (zoals volgt uit hetgeen hiervoor bij feit 1 is overwogen) en beiden niet over een (voldoende) legaal inkomen beschikten dat het voorhanden hebben van een dergelijk (contant) geldbedrag zou kunnen verklaren, ontstaat het vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig is. [verdachte] heeft geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van dit geld. Het hof concludeert dan ook dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Geldbedrag van € 150.000,00

Op 5 maart 2016 voert [verdachte] een gesprek in zijn woning met [persoon 21] . [persoon 21] vraagt aan [verdachte] of hij het geteld heeft. [verdachte] zegt dat hij dat nu met hem gaat doen. [persoon 21] vraagt of [verdachte] een machine heeft. Een paar minuten later zegt [verdachte] : “75 toch?” [persoon 21] antwoordt bevestigend. Vervolgens is hoorbaar dat er door [verdachte] wordt geteld. Hij zegt: “En vijf. Ja, dat is dan vijfenzeventig” [persoon 21] zegt: “Ja, vijfenzeventig duizend bij elkaar. (…) Zeg jij het ook tegen kleine [medeverdachte] ?” Vervolgens komt ( [medeverdachte] ) [medeverdachte] de woonwagen binnen. [verdachte] zegt: “75”. [medeverdachte] zegt: “Gegeven?” [verdachte] : “Ja”.

Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] een geldbedrag van € 75.000,00 heeft overgedragen aan [persoon 21] . Ook voor dit bedrag geldt – in lijn met hetgeen is overwogen ter zake van het bedrag van € 342.000,00 – dat het vermoeden bestaat dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is. [verdachte] heeft geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van dit geld. Het hof concludeert dan ook dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Nu [verdachte] het geld heeft overgedragen aan [persoon 21] , is reeds om deze reden, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, sprake van medeplegen; niet met [medeverdachte] , maar met [persoon 21] .

Geldbedragen van € 56.625,00 en € 12.500,00

Op 19 april 2016 is de woning op het adres [adres 5] (Spanje) doorzocht. Dit is het verblijfadres van [verdachte] in Spanje. De woning wordt door [verdachte] gehuurd; hij is hier ook aangehouden. In een slaapkamer van de woning wordt een kluis aangetroffen. In de kluis wordt een geldbedrag van € 56.625,00 aangetroffen.

Op 19 april 2016 wordt de woonwagen van [verdachte] doorzocht, waar een geldbedrag van € 12.500,00 wordt aangetroffen.

In lijn met hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de herkomst van het geldbedrag van € 342.000,00 concludeert het hof dat het niet anders kan dan dat ook deze beide geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Personenauto’s

[verdachte] is van 9 oktober 2015 tot 2 februari 2016 kentekenhouder geweest van een Range Rover met kenteken [kenteken 2] . Op 10 maart 2016 voert [verdachte] in zijn woning een gesprek met

[persoon 23] . Laatstgenoemde vraagt aan [verdachte] of hij de Range Rover heeft weggedaan. [verdachte] bevestigt dat en zegt dat hij er zevenendertig en een halve rug voor heeft gehad. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] de Range Rover voorhanden heeft gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt.

[verdachte] heeft op 17 februari 2016 een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 3] aangeschaft. Het aankoopbedrag van € 10.000 heeft [verdachte] contant voldaan. Uit observaties is gebleken dat [verdachte] deze auto in de periode van 17 februari tot 7 april 2016 2016 heeft gebruikt.

In de periode tussen februari 2016 en april 2016 is in Spanje waargenomen dat [verdachte] , al dan niet als bijrijder, gebruik maakte van een Mercedes-Benz, type A180 CDI met kenteken [kenteken 4] . Het kenteken is op 8 maart 2016 op naam van [verdachte] gezet. Op 17 januari 2016 voert [verdachte] een gesprek met een onbekend gebleven persoon. Hij zegt in het gesprek dat hij een auto heeft gekocht, te weten een ‘A-tje’. Als de onbekende persoon zegt: “Mercedes”, zegt [verdachte] : “Een witte”. [verdachte] zegt: “18 (…) ik heb hem geld gegeven”. Bij doorzoeking van de verblijfplaats van [verdachte] in Spanje wordt voornoemde Mercedes in de parkeergarage aangetroffen. De bijbehorende sleutels liggen in de woning. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof bewezen, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, dat [verdachte] voor de Mercedes heeft betaald en dat hij het eigendom hiervan heeft verkregen.

[verdachte] heeft de genoemde personenauto’s gekocht, terwijl hij in de periode rond deze transacties – zoals volgt uit hetgeen is overwogen met betrekking tot feit 1 – op grote schaal in cocaïne handelde, zonder te beschikken over een legaal inkomen dat de besteding van de betreffende geldbedragen zou kunnen verklaren. Ook ten aanzien van deze drie auto’s ontstaat daarom het vermoeden dat zij middellijk van misdrijf afkomstig zijn. [verdachte] heeft geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van het geld voor de aanschaf van de auto’s. Het hof concludeert dan ook dat het niet anders kan zijn dan dat de auto’s middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Gewoontewitwassen

Uit het voorgaande volgt dat [verdachte] zich gedurende een langere periode veelvuldig schuldig gemaakt aan witwassen. Het hof is daarom van oordeel dat [verdachte] hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Vrijspraak ten aanzien van feit 4

Standpunt Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft een bewezenverklaring gevorderd van het onder 4 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd, samengevat, dat in het huisafval van [verdachte] een hoeveelheid elastiekjes en huishoudfolies is aangetroffen. Een speurhond van de politie heeft op de elastiekjes de geur van geld waargenomen; op de folies zijn getallen geschreven. Deze omstandigheden rechtvaardigen – in het licht van eerdere onderzoeken naar ondergronds bankieren waarbij geld op deze wijze is verpakt – de conclusie dat [verdachte] de beschikking heeft gehad over het tenlastegelegde geldbedrag van € 1.640.000,00 (namelijk 32 x € 50.000,00 en l x € 40.000,00).

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd, samengevat, dat niet kan worden bewezen dat de folies afkomstig zijn uit het huisvuil van [verdachte] en, vervolgens, dat in de folies geld heeft gezeten tot een bedrag van € 1.640.000,00.

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof staat vast dat de folies zijn aangetroffen in het huisafval van [verdachte] . De folies zaten immers in een vuilniszak in een vuilcontainer die voor de woonwagen van [verdachte] was geplaatst; de vuilniszak was afgesloten en bevatte naast de folies onder meer schriftelijke bescheiden met de naam van [verdachte] en een verpakking met daarop een vingerafdruk van [verdachte] .

Voor de conclusie dat in de folies geld heeft gezeten tot een bedrag van € 1.640.000,00 kan steun worden gevonden in de volgende onderzoeksbevindingen:

Naar het oordeel van het hof vormen deze feiten en omstandigheden weliswaar een aanwijzing, maar geven zij niet de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid voor de conclusie dat [verdachte] op de tenlastegelegde datum de beschikking heeft gehad over een geldbedrag en wel tot een totaal van € 1.640.000,00. Daarbij is met name van belang dat in het dossier enkel wordt opgemerkt dat door de politie ‘in de afgelopen periode regelmatig partijen geld in het ondergronds bankieren in beslag waren genomen waarbij het geld op deze wijze was verpakt’ (Algemeen dossier, pagina BA-091). Dit enkele gegeven in combinatie met het aanslaan door de speurhond bij de – losliggende – elastieken, acht het hof ontoereikend om die conclusie te kunnen dragen. Daartoe zijn ondersteunende onderzoeksbevindingen nodig en die ontbreken in het dossier.

[verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen onder 4 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 hij in de periode van 22 december 2015 tot en met 19 april 2016, in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander

en alleen

- een hoeveelheid van 1 kilogram cocaïne, afnemers [persoon 8] en/of [persoon 9] ,

opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en/of verstrekt,

en

tezamen en in vereniging met een ander

- een hoeveelheid van 146 kilogram cocaïne

opzettelijk aanwezig heeft gehad;

2.hij de periode van 1 januari 2016 tot en met 19 april 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om feiten, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten:

het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van meerdere hoeveelheden cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

3

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 19 april 2016 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader, voorwerpen, te weten:

- contante geldbedragen van in totaal 297.000 euro en

- een contant geldbedrag van 211.000 euro

voorhanden gehad,

en

- een contant geldbedrag van 75.000 euro; en

- een contant geldbedrag van 342.000 euro,

voorhanden gehad en overgedragen,

terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk –

afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 19 april 2016 te Nederland en/of Spanje van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte voorwerpen, te weten:

- een contant geldbedrag van 56.625 euro; en

- een contant geldbedrag van 12.500 euro; en

- een personenauto, Landrover, type Range Rover Evoque, met het kenteken [kenteken 2] ; en

- een personenauto, Volkswagen, type Golf, met het kenteken [kenteken 3] ; en

- een personenauto Mercedes-Benz, type A180 CDI, met het kenteken [kenteken 4]

voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk –

afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de voetnoten van dit arrest, alsmede in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Kwalificatie-uitsluitingsgrond

Het hof heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geoordeeld dat de onder 3 tenlastegelegde geldbedragen (i) € 297.000,00 – het bedrag dat [persoon 4] aan de verdachte en [medeverdachte] heeft overgedragen – en (ii) 211.000,00 – het bedrag dat [persoon 3] aan de verdachte en [medeverdachte] heeft overgedragen – beide onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Bewezen is verklaard dat de verdachte deze geldbedragen heeft verworven en voorhanden gehad.

Ten aanzien van de geldbedragen (iii) € 56.625,00 – het bedrag dat is aangetroffen in de woning in Spanje waar [verdachte] verbleef – en (iv) € 12.500,00 – het bedrag dat is aangetroffen in de woonwagen van [verdachte] – geldt dat [verdachte] in de periode voorafgaand aan het aantreffen hiervan op grote schaal in cocaïne handelde (zoals volgt uit hetgeen hiervoor bij feit 1 is overwogen), terwijl hij niet over een (voldoende) legaal inkomen beschikte dat het voorhanden hebben van een dergelijke (contante) geldbedragen zou kunnen verklaren. Hieruit volgt dat ook deze bedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Bewezen is verklaard dat de verdachte deze geldbedragen voorhanden heeft gehad.

Het hof heeft, in lijn met hetgeen hiervoor is overwogen, ten aanzien van deze geldbedragen niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst hiervan. Dit betekent dat het bewezenverklaarde witwassen van deze geldbedragen niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Overig

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en het overigens bij feit 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

van het medeplegen van

en

het plegen van

witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen ten aanzien van het beslag genomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen deels worden verbeurd verklaard, deels worden onttrokken aan het verkeer en dat een voorwerp aan de verdachte wordt teruggegeven.

De raadsvrouw heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring rekening dient te worden gehouden met een aantal omstandigheden, te weten – kort gezegd – (i) de disproportionele en buitensporige media-aandacht die de strafzaak voor de verdachte tot gevolg heeft gehad, (ii) de nadelige gevolgen die de wet Straffen en Beschermen voor de verdachte zal hebben ten aanzien van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), het regime in de gevangenis en het penitentiair programma, (iii) het feit dat sprake is van eendaadse samenloop , (iv) de ouderdom van de zaak en de schending van de redelijke termijn, (v) de beperking die de schorsingsvoorwaarden voor de verdachte hebben meegebracht, (vi) zijn slechte gezondheid en (vii) de zorg die hij aan zijn zoon dient te verlenen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan grootschalige handel in cocaïne. Gedurende een periode van ongeveer vijf maanden is door de verdachte vanuit zijn woonwagen een hoeveelheid van minimaal 41 kilo cocaïne aan een veelheid aan afnemers verhandeld. Ook heeft de verdachte een hoeveelheid van 146 kilogram cocaïne voorhanden gehad. De verdachte heeft grote sommen geld en verschillende voertuigen witgewassen. Ook heeft hij zich beziggehouden met de voorbereiding van grensoverschrijdende cocaïnehandel.

Zoals algemeen bekend is vormt de handel in cocaïne een bedreiging voor de volksgezondheid. De verdachte heeft door zijn handelen ervoor gezorgd dat grote hoeveelheden van deze verboden middelen op de markt zijn gekomen. Daarenboven gaat de verspreiding van cocaïne doorgaans gepaard met ernstige en in voorkomende gevallen de samenleving ondermijnende vormen van criminaliteit. De verdachte heeft zich blijkbaar geen rekenschap gegeven van deze nadelige gevolgen van zijn handelen en heeft blijkbaar uit louter winstbejag gehandeld.

Het hof acht aannemelijk dat media-aandacht voor de verdachte belastend is geweest. Het is echter niet ongebruikelijk dat dergelijke media-aandacht zich voordoet in dit soort strafzaken en die aandacht is het (voorzienbare) gevolg van het eigen handelen van de verdachte. Het hof verbindt aan de media-aandacht dan ook geen gevolgen die van invloed zijn op de op te leggen straf.

Uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 17 mei 2021 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook ter zake van de Opiumwet, maar die veroordelingen zijn van lang geleden en voor feiten van een geheel andere ernst, zodat ze geen reden vormen voor strafverhoging.

De raadsvrouw heeft gewezen op de aankomende inwerkingtreding van de Wet Straffen en Beschermen. Deze inwerkingtreding staat gepland voor 1 juli 2021, maar is op dit moment nog een onzekere factor. Wat er ook van zij, het hof wijst vandaag – 25 juni 2021 – arrest in deze zaak. Dat is in elk geval gelegen voordat de wet inwerking treedt. De wijzigingen in voornoemde wet voor wat betreft de regelgeving over de VI en de datum waarop een gedetineerde mogelijk in aanmerking komt voor de VI zijn niet van toepassing op de verdachte in dit arrest. Voor zover de wijzigingen met betrekking tot het regime in de gevangenis (het verblijf in een (Z)BBI) en het penitentiair programma na de wijziging wel directe werking hebben en dus voor de verdachte zullen gelden, is het hof van oordeel dat dit – mede gelet ook op de wijze waarop het penitentiair programma is ingericht – bij uitstek een executieaangelegenheid is die niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Gelet op het voorgaande – met name ook in het licht van het strafdoel van de generale preventie – kan slechts worden volstaan met een langdurige gevangenisstraf. Het hof acht, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar passend en geboden, die dus de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste straf overtreft. In de overige door de raadsvrouw genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding de straf te matigen. Daarvoor zijn de feiten te ernstig. De verdachte had bovendien zelf moeten beseffen welke gevolgen zijn handelen voor hem zou kunnen krijgen.

Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, tussen het namens de verdachte instellen van het hoger beroep op

1 november 2018 en het wijzen van arrest door het hof op 25 juni 2021 is een periode verstreken van bijna twee jaren en acht maanden. De overschrijding bedraagt daarmee bijna acht maanden. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ziet het hof in deze overschrijding aanleiding de op te leggen gevangenisstraf te matigen in die zin dat aan de verdachte een gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden zal worden opgelegd.

Beslag

Onder de verdachte is een groot aantal voorwerpen in beslag genomen. Een deel daarvan (50 stuks) is vermeld op de beslaglijst waarover het hof beschikt. Het hof zal alleen ten aanzien van de voorwerpen die op deze beslaglijst staan een beslissing nemen.

De rechtbank heeft de teruggave aan de verdachte gelast van de voorwerpen genummerd als 5, 9, 12, 22, 26, 27, 37 t/m 42, 54, 56, 57, 58, 64, 66, 67, 68, 71, 72, 130 en 131 op de beslaglijst, de onttrekking aan het verkeer bevolen van de voorwerpen genummerd 52 en 119 en heeft verbeurd verklaard de overige voorwerpen genummerd als 2, 3, 4, 19, 20, 21, 23, 28, 32, 36, 43, 44, 47, 48, 49, 50, 51, 53, 55, 59, 60, 61, 62, 63, 65, 69 en 70.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het op de beslaglijst als 12 genummerde voorwerp aan de verdachte worden teruggegeven, dat de voorwerpen genummerd als 52 en 129 worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige voorwerpen worden verbeurd verklaard.

De raadsvrouw heeft teruggave verzocht aan de verdachte van alle inbeslaggenomen PGP-telefoons. Voor het overige heeft zij geen opmerkingen ten aanzien van de beslissingen van de rechtbank.

Verbeurdverklaring

Het onder 1 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de in beslag genomen en nog niet teruggegeven BlackBerry (69). Dit voorwerp behoort de verdachte toe en zal daarom worden verbeurd verklaard.

Het onder 3 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de in beslag genomen en nog niet teruggegeven Mercedes Benz (50) en Volkswagen Golf (53). Deze voorwerpen behoren de verdachte toe en zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een zakje met wit poeder (52) en een revolver (129) zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte onder 1, 2 en 3 begane feiten aangetroffen. Deze voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Deze zullen worden onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en, voor wat betreft de revolver geldt dat het een feit van algemene bekendheid is dat criminelen die zich inlaten met de kilohandel in cocaïne zich of hun waardevolle goederen plegen te beschermen, omdat zij in geval van een conflict met (potentiële) afnemers niet bij de overheid terecht kunnen.

De overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen en geldbedragen dienen aan de verdachte te worden teruggegeven. Daarbij zij opgemerkt dat op een deel van deze voorwerpen conservatoir beslag rust.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b 36c, 36d, 47, 57, 63, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 1 onder het elfde gedachtestreepje (‘meerdere, althans een, onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne’) tenlastegelegde.

Verklaart de verdachte en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van

( a) het tenlastegelegde onder 1, voor zover het betreft:

- het zesde gedachtestreepje (afnemer [persoon 7] )

en

( b) het tenlastegelegde onder 3, voor zover het betreft:

- het tweede gedachtestreepje (een geldbedrag van € 675.000,00)

- het zevende gedachtestreepje (een geldbedrag van € 100.000,00)

- het negende gedachtestreepje (een geldbedrag van € 12.000,00).

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezen geachte witwassen ten aanzien van de geldbedragen € 297.000,00, € 211.000,00, € 56.625,00 en € 12.500,00 niet strafbaar en ontslaat de verdachte ter zake daarvan van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1, 2 en overigens onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(50) een Mercedes-Benz A180 cdi

(53) een Volkswagen Golf [kenteken 3]

(69) een BlackBerry.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(52) een zakje met wit poeder

(129) een revolver.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(2) een geldbedrag van € 12.500,00

(3) een geldbedrag van € 1.790,00

(4) een geldbedrag van € 44,75

(5) vorderingen ter waarde van € 2.017,00 / 3V kaart [nummer 1]

(9) een Acer laptop zilver

(12) een kaart / 3V * [nummer 2]

(19) 39 BlackBerry’s in 7 soorten

(20) 21 stuks blanco simkaarten

(21) 23 stuks simkaarten (in een wit doosje)

(22) een USB-stick

(23) 14 BlackBerry’s

(26) een USB-stick ironkey

(27) een USB-stick ironkey

(28) een doos, 3 Nokia & 5 Lebara simkaarten

(32) een geldbedrag € 56.625,00

(36) een doos met SC kaarten

(37) een USB-stick

(38) een USB-stick

(40) een USB-stick

(41) een USB-stick

(42) een USB-stick

(43) 39 USB-sticks

(44) een aankoopbewijs voor 29 BlackBerry’s

(47) een BlackBerry, kleur zwart

(48) een BlackBerry, kleur wit

(49) een BlackBerry, kleur zwart

(51) een scooter, merk Paggio X7 Evo125

(54) Vorderingen ter waarde van € 4.535,54 / Banco Sabadelli

(55) een BlackBerry Porsche design

(56) een USB-stick

(57) een USB stick ironkey

(58) een USB-stick datashur

(59) een BlackBerry, kleur wit

(60) een Blackberry, kleur zwart

(61) een Blackberry, kleur zwart

(63) 32 BlackBerry’s in diverse kleuren

(64) een harde schijf

(65) een iPhone

(66) een USB-stick

(67) een USB-stick rocket

(68) een USB-stick

(71) een iPod 80 GB

(72) een USB-stick Kingston

(130) een USB-stick ironkey

(131) een USB-stick.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J. Piena en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2021.

=========================================================================

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?