ECLI:NL:GHAMS:2022:3786

ECLI:NL:GHAMS:2022:3786, Gerechtshof Amsterdam, 21-12-2022, 23-001407-22, 23-001358-22, 23-001408-22, 23-001422-22, 23-001406-22, 23-001663-22, 23-001435-22, 23-001434-22

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 21-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23-001407-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0001941 BWBR0009709

Samenvatting

Proces-verbaal regiezitting 21 december 2022, beslissingen van het hof op de onderzoekswensen o.a. met betrekking tot EncroChat in het onderzoek 26Douglasville.

Uitspraak

Beslissingen op de onderzoekswensen

De voorzitter deelt het volgende mede over de beslissingen en de overwegingen van het hof:

Getuigenverzoeken

De verzoeken van de verschillende verdachten tot het horen van alle medeverdachten worden in alle zaken toegewezen. Ambtshalve bepaalt het hof dat de medeverdachten ook zullen worden gehoord in de zaken van de verdachten die niet hebben verzocht deze getuigen te horen, teneinde in alle zaken een gelijk dossier te houden. Dit betekent dat als getuigen zullen worden gehoord:

Deze verhoren zullen plaatsvinden tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak. De medeverdachten die niet in appel zijn gekomen – [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] – zullen als eerste worden gehoord.

Het door de verdediging van [verdachte 8] gedane verzoek [getuige 2] te horen als getuige wordt afgewezen. Deze getuige is in eerste aanleg door de rechter-commissaris gehoord. Het noodzaakscriterium geldt dus. Het hof acht hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd onvoldoende om de noodzaak van het verzochte aan te nemen, terwijl ook anderszins de noodzaak daartoe niet is gebleken. Daarbij is van belang dat de verklaringen van deze getuige door de rechtbank niet als bewijsmiddel zijn gebruikt.

Het door de verdediging van [verdachte 8] gedane verzoek [getuige 3] te horen als getuige wordt afgewezen. Uit het verzoek van de verdediging maakt het hof op dat de verdediging haar wenst te bevragen over hetgeen zij heeft besproken met de eigenaren van de loods te Wouwse Plantage. Uit het dossier blijkt echter dat [getuige 3] onder meer heeft verklaard dat zij geen contact heeft gehad met de eigenaren van die loods en dat zij geen [verdachte 8] ' kent. Mede gelet hierop is onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is deze getuige te horen. Ook anderszins is de noodzaak daartoe niet gebleken.

Het door de verdediging van [verdachte 8] gedane verzoek [getuige 4] te horen als getuige wordt afgewezen. Uit het dossier blijkt dat zij de mede-eigenaar is van de loods te Wouwse Plantage en dat [getuige 5] , heeft verklaard dat hij in contact stond met verdachte en dat [getuige 4] de verdachte [verdachte 8] slechts een paar keer heeft gesproken. Mede gelet hierop is onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is deze getuige te horen. Ook anderszins is de noodzaak daartoe niet gebleken.

EncroChat-verzoeken

Door de raadslieden van [verdachte 1] en [verdachte 6] zijn verschillende onderzoekswensen gedaan die betrekking hebben op, samengevat, de verkrijging van gegevens (berichten) uit de servers van EncroChat. De raadsvrouw van de verdachte [verdachte 7] heeft zich bij deze verzoeken aangesloten.

Van de navolgende stukken is voeging verzocht:

Verzocht is om de volgende personen als getuigen te horen:

Documenten die zien op de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van EncroChat-gegevens

De verdediging heeft aangegeven te willen onderzoeken of de verkrijging van de Encrochat-berichten door Frankrijk en de latere verkrijging en verwerking van deze gegevens door Nederland in het onderzoek 26Lemont rechtmatig zijn geweest. Teneinde dit te kunnen beoordelen is – op onderdelen op algemene wijze en summier onderbouwd – verzocht om bovengenoemde stukken te voegen.

Het hof stelt voorop dat de in Douglasville gevoegde EncroChat-berichten afkomstig zijn uit het onderzoek 26Lemont. Dit onderzoek kan niet worden beschouwd als een voorbereidend onderzoek jegens de verdachten in Douglasville. Dit staat evenwel aan een toetsing op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet in de weg, omdat een eventueel vormverzuim in het onderzoek 26Lemont van bepalende invloed kan zijn geweest op het verloop van het onderzoek naar en/of de vervolging van de verdachten in deze zaak.

In het onderzoek Douglasville zijn via de zaaksofficier van het onderzoek 26Lemont, en na machtiging van de rechter-commissaris, EncroChat-gegevens ontvangen. Bij de interceptie van deze EncroChat-gegevens zijn Franse bevoegdheden ingezet, op basis van het Franse recht, onder verantwoordelijkheid van een Franse rechter. De EncroChat gegevens zijn vervolgens ook aan Nederland verstrekt in het kader van een interstatelijke samenwerking. Aan interstatelijke samenwerking ligt het vertrouwensbeginsel ten grondslag. Zonder wederzijds vertrouwen in elkaars rechtssysteem is samenwerking niet mogelijk. Dit vertrouwen is tussen EU-staten vastgelegd in verschillende verdragen. Uit dit vertrouwensbeginsel vloeit voort dat de Nederlandse strafrechter de rechtmatigheid van de door de autoriteiten van de andere (lid)staat toegepaste bevoegdheden niet toetst. Uitgangpunt is namelijk dat de toepassing van bevoegdheden rechtmatig heeft plaatsgevonden. Ook in de onderhavige zaak geldt dus dat (de rechtmatigheid van) deze Franse onderzoekshandelingen niet worden getoetst door de Nederlandse strafrechter. Dit zou slechts anders zijn indien de onderzoekshandelingen in Frankrijk zouden hebben plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat sprake is van een verdergaande inmenging door de Nederlandse autoriteiten, begrijpt het hof dat dit zou zien op de technische bijstand van Nederland bij het ontwikkelen van de interceptietool. Daargelaten de vraag of die stelling juist is, technische bijstand van Nederlandse zijde betekent niet dat de inzet van de bevoegdheid tot interceptie in Frankrijk door Franse autoriteiten onder verantwoordelijkheid van Nederland heeft plaatsgevonden. Een dergelijke technische bijstand behelst immers niet de uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied, noch dat sprake is van gegevens die in Nederland zijn vergaard. Nader onderzoek hiernaar door middel van het voegen van stukken is daarom niet noodzakelijk. Ook anderszins is van de noodzaak daartoe niet gebleken. Het verzoek tot voeging van ‘alle documenten’ met betrekking tot de samenwerking met Frankrijk in verband met EncroChat, ‘alle documenten’ waaruit blijkt dat de JIT-partners bij het verzamelen van informatie over de gebruikers van EncroChat rechtmatig hebben gehandeld op basis van geldende rechtsregels in de betreffende landen, alle rechtshulpverzoeken in verband met EncroChat en alle rechterlijke machtigingen uit Frankrijk en de vorderingen die daaraan ten grondslag liggen wordt afgewezen.

Overige documenten

De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd waarom de voeging van de JIT-overeenkomst en de overige documenten met betrekking tot het contact tussen Frankrijk en Nederland noodzakelijk is, zodat het verzoek om voeging van deze stukken wordt afgewezen.

Ook het verzoek om afschriften van de diplomatieke klachten van Nederland naar aanleiding van de “disclosure” door het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de EncroChat -hack en het verzoek om alle officiële stukken in de disclosure-procedure te voegen wordt afgewezen, nu de noodzaak daartoe onvoldoende is gemotiveerd en ook overigens niet is gebleken.

Horen getuigen in kader rechtmatigheid EncroChat

Het belang van de verdediging om de hiervoor genoemde getuigen te horen is onvoldoende onderbouwd, mede in aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen over het vertrouwensbeginsel. De verzoeken lijken meer een verkennend karakter te hebben. Niet is gebleken dat het horen van de verzochte getuigen van belang is voor enig te nemen beslissing. De verzoeken worden afgewezen.

Nadere regiezitting

Zoals opgemerkt bevindt het onderzoek zich nog in de regiefase en zijn de beslissingen van het hof dus gebaseerd op de huidige stand van het onderzoek. Indien in de loop van de procedure zal blijken dat het voegen van stukken dan wel het horen van getuigen toch aangewezen is, zal het hof hiertoe overgaan.

Het hof zal bepalen dat de zaken op een nadere regiezitting zullen worden behandeld, teneinde te bezien wat de gevolgen van de (eventuele) beantwoording door de Hoge Raad van de door de rechtbanken Noord-Nederland en Overijssel gestelde prejudiciële vragen over de, gemakshalve zo te duiden, EncroChat-problematiek zullen zijn voor de beoordeling van deze zaken.

Voegen van overige stukken

Het verzoek van de verdediging van de verdachte [verdachte 2] tot het voegen van de processen-verbaal van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg van de zaken van de medeverdachten wordt toegewezen. Het hof bepaalt ambtshalve dat ook in de zaken van de andere verdachten deze processen-verbalen worden gevoegd.

De door de verdediging van [verdachte 3] en [verdachte 6] gedane verzoeken het zaaksdossier Barca uit het dossier 26Sartell en het requisitoir in de zaak 26Sartell te voegen worden afgewezen. Nu het eerder gevoerde preliminaire verweer is afgewezen bestaat geen noodzaak tot het voegen van die stukken.

Het laten opstellen van reclasseringsrapportages

Het door de verdediging van [verdachte 8] gedane verzoek tot het laten opstellen van een reclasseringsrapportage ten behoeve van de inhoudelijke behandeling wordt afgewezen, mede in aanmerking genomen dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis al een voortgangsrapportage zal worden opgesteld door de reclassering.

Het door de verdediging van [verdachte 1] gedane verzoek tot het laten opstellen van een schorsingsrapportage door de reclassering wordt afgewezen, nu – mede in aanmerking genomen de in eerste aanleg opgelegde straf en de gronden voor de voorlopige hechtenis – een schorsing van de voorlopige hechtenis thans niet aan de orde is. Er is dan ook geen noodzaak tot het laten opstellen van voornoemde rapportage.

Het door de verdediging van [verdachte 2] gedane verzoek tot het laten opstellen van een schorsingsrapportage door de reclassering wordt afgewezen, nu – mede in aanmerking genomen de in eerste aanleg opgelegde straf en de gronden voor de voorlopige hechtenis – een schorsing van de voorlopige hechtenis thans niet aan de orde is. Er is dan ook geen noodzaak tot het laten opstellen van voornoemde rapportage.

Het door de verdediging van [verdachte 5] gedane verzoek tot het laten opstellen van een reclasseringsrapportage ten behoeve van de inhoudelijke behandeling wordt afgewezen. Het hof acht hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, onvoldoende om de noodzaak van het verzochte aan te nemen, terwijl ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken.

Schorsingsverzoek

Het door de verdediging van [verdachte 7] gedane verzoek tot schorsing van zijn voorlopige hechtenis wordt afgewezen, nu op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar is ten aanzien van de vraag of de eerder onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in het kader van een tijdelijke schorsing van de voorlopige hechtenis kan worden tenuitvoergelegd op een wijze die geen afbreuk doet aan de belangen die met de voorlopige hechtenis zijn gediend. De advocaat-generaal heeft evenwel toegezegd nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden hiertoe; desgewenst kan de raadsvrouw aan de hand van nieuwe informatie opnieuw een schorsingsverzoek doen.

De voorzitter deelt vervolgens als beslissing van het hof mede dat:

met bevel tot oproeping van de verdachten en hun raadslieden. Voor de verdachte [verdachte 2] dient een tolk in de Engelse taal te worden opgeroepen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Noot van de griffier

Het hof streeft ernaar de zaken in de eerste helft van 2023 te behandelen op een (nadere) regiezitting.

Het hof streeft ernaar de zaken in de tweede helft van 2023 inhoudelijk te behandelen. Er dienen voor de inhoudelijke behandeling zeven zittingsdagen te worden gereserveerd op het Justitieel Complex Schiphol, waarbij de eerste dag wordt gepland in een week met één zittingsdag. De getuigen dienen te worden opgeroepen voor een nader daartoe te plannen terechtzitting. Het hof zal te zijner tijd een planning met betrekking tot de volgorde van de verhoren aan de procespartijen verstrekken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?