ECLI:NL:GHAMS:2022:3926

ECLI:NL:GHAMS:2022:3926, Gerechtshof Amsterdam, 12-04-2022, 23-003600-19

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-04-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23-003600-19
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:898
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Mishandeling van portier van uitgaansgelegenheid

Uitspraak

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken middelvinger (van de linkerhand), heeft toegebracht door, toen en daar, een of meer, vingers (waaronder de middelvinger) van de (linker) hand, vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) in tegengestelde richting (naar en/of in de richting van de bovenzijde van de (linker) hand (rug)) te duwen en/of brengen en/of te houden;

subsidiair

hij op of omstreeks 03 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door, toen en daar, een of meer, vingers (waaronder de middelvinger) van de (linker) hand, vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) in tegengestelde richting (naar en/of in de richting van de bovenzijde van de (linker) hand (rug)) te duwen en/of brengen en/of te houden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken middelvinger van de (linker) hand, ten gevolge heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsvrouw heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van de eenvoudige mishandeling. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de portiers niet volgens de regels hebben opgetreden en dat het dossier veel tegenstrijdigheden, althans incompleetheden, bevat en dat op verschillende punten de verklaringen van aangever en de getuigen niet gelijkluidend zijn. Niet is vast komen te staan dat de pijn of het letsel bij de aangever het gevolg is geweest van handelen van de verdachte. Het feit kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Het hof overweegt als volgt.

Dat aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen kan niet worden bewezen, zodat de verdachte in zoverre van het subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Het hof stelt kort samengevat het volgende vast. De portier heeft de verdachte bij zijn capuchon gepakt omdat hij ondanks aanroepen niet reageerde en [plek 1] inliep. Zonder dat het beetpakken door de portier kon worden aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, heeft de verdachte zich direct hevig verzet, waarop een collega portier aangever te hulp schoot, de situatie chaotisch werd en de portiers de verdachte mee naar buiten hebben genomen, waar de verdachte eerst op zijn rug is gevallen. Vervolgens heeft de verdachte zich verder verzet en heeft de tenlastegelegde mishandeling plaatsgevonden, waarna de verdachte op zijn buik terecht is gekomen en noodgedwongen onder controle is gehouden, waarop de politie arriveerde.

Hoewel er geen camerabeelden voorhanden zijn, heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de getuigen, die in grote lijnen op elkaar aansluiten en steun geven aan bovenstaande vaststelling van feiten. Dat op bepaalde details verschillend is verklaard maakt dat niet anders. Ook ziet het hof hierin geen reden om aan te nemen dat door de getuigen verborgen wordt gehouden dat zij de verdachte met te veel geweld zouden hebben aangepakt. Het hof heeft er dan ook geen twijfel over dat de verdachte zonder rechtvaardiging letsel aan aangever heeft toegebracht.

In het voorgaande, alsmede in de te bezigen bewijsmiddelen, ligt de verwerping besloten van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd met het oog op vrijspraak van de eenvoudige mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 03 april 2019 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door, toen en daar, vingers, waaronder de middelvinger van de linkerhand, vast te pakken en vast te houden en vervolgens in tegengestelde richting naar en in de richting van de bovenzijde van de linkerhand te duwen en te houden.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2019068107-1 van 3 april 2019 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde bladzijden 3 tot en met 5):

2. Een geschrift, van 3 april 2019 betreffende [benadeelde] , opgemaakt door [arts] (doorgenummerde bladzijden 6 tot en met 7):

3. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2019068107-4 van 3 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde bladzijde 8):

4. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2019068107-2 van 3 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde bladzijden 13-14)

5. Een proces-verbaal van 20 december 2021 betreffende een verhoor van de getuige [getuige 2] door de raadsheer-commissaris.

De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het subsidiair ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van aangever [benadeelde] :

“Ik wil aangifte doen van mishandeling. Ik ben werkzaam als portier voor de uitgaansgelegenheid ‘ [plek 1] ’ gevestigd op het [adres 2] . Op woensdag 3 april 2019 omstreeks 01:58 uur stond ik voor de deur te praten met mijn collega portier [getuige 1] , beter bekend als [naam] , links naast de dranghekken die fungeren als gang.

Er kwam een man aanlopen die zonder iets te zeggen langs ons heen liep, de gang in richting de voordeur van [plek 1] . Ik sprak hem aan dat hij niet zomaar door mocht lopen maar daar gaf hij geen gehoor aan en liep door. Een tweede maal riep ik en ook [naam] hem aan, maar ook nu negeerde hij ons. Ik ben achter hem aangelopen en greep hem bij zijn capuchon nog voordat hij de tweede deur kon passeren, die als buffer voor het geluid dient. De man draaide zich om en nam mij direct in een greep. Ik zag en voelde dat hij zijn beide armen onder mijn armen plaatste. Daarbij bracht hij zijn armen onder mijn oksels en duwde hij mij tegen de wand aan tussen de twee deuren in. [naam] schoot mij te hulp en pakte ook de man vast. We zijn met de man naar buiten gegaan, waar de man zijn agressie richting ons verhoogde. Ik zei meerdere malen dat de man rustig moest doen, maar hij draaide door in zijn verzet. Hierdoor zijn wij met z’n drieën ten val gekomen. De man belandde met zijn rug op de grond, op de rand van het trottoir. Eenmaal op de grond schopte en sloeg de man wild om zich heen. Ik wilde de man zijn handen vastpakken om hem te fixeren in afwachting van de politie. Dit mislukte en de man kreeg vier vingers van mijn linkerhand te pakken. Ik zag en voelde dat hij mijn vingers omhoog richting de bovenzijde van mijn hand duwde, hij boog de vingers dus met grote kracht de verkeerde kant op. Ik voelde hierdoor een hevige pijnscheut door mijn hand gaan en hoorde en voelde hierbij iets kraken in mijn linker middelvinger. Ik kon mijn vinger ook niet meer bewegen. Het duurde lang voordat ik mijn vingers los kon krijgen en ik voelde dat de man continu veel kracht bleef zetten op mijn vingers. Uiteindelijk lukte het mij om drie vingers los te krijgen, maar hij bleef grip houden op mijn middelvinger die hij steeds verder naar achteren probeerde te bewegen. Met hulp van twee collega’s is het uiteindelijk gelukt om mijn middelvinger los te krijgen. Ik ben nadat de politie de man had overgenomen naar het ziekenhuis gegaan ter controle van mijn hand.”

Dit geschrift houdt in een letselverklaring van de SEH arts [arts] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Datum aangemaakt: 3-4-2019 03:36

Lichamelijk onderzoek :

Alert, helder.

Enigszins zwelling rond PIP dig 3.

Flexie in PIP pijnlijk niet beperkt.

Drukpijn PIP.

Aanvullend onderzoek:

X-hand links: verdenking avulsie fractuur volaire zijde basis midfalanx dig 3

Conclusie:

26 jarige patiënt presenteert zich met een avulsie fractuur volaire zijde basis midfalanx dig 3.”

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [getuige 1] :

“Ik ben werkzaam als portier bij ‘ [plek 1] ’. Ik zag dat er een persoon de club in wilde zonder gefouilleerd te worden. Daarna werd hij tegengehouden door mijn collega. Ik zag dat hij niet meewerkte. Daarna werd hij vastgepakt en uit de club gezet. Ik zag toen dat die man de hand pakte van mijn collega en daar aan trok met veel kracht.”

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

“Wij kregen op 3 april 2019 omstreeks 02:00 uur een melding dat beveiligers bij [plek 1] een man verdachten van mishandeling. Ter plaatse zagen wij [verdachte] , op de grond liggen. Wij zagen dat er drie beveiligers op [verdachte] zaten en [verdachte] onder controle hielden.”

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Dit proces-verbaal houdt als verklaring van de getuige het volgende in:

“Het klopt dat ik op 3 april 2019 werkzaam was als portier bij [plek 2] (het hof begrijpt: nabij [plek 1]). Toen ik buiten de deur stond kwamen [benadeelde] en [naam] door de gang met de jongen naar buiten. Ik ben gaan helpen. De jongen was heel sterk en verzette zich. Ik kan mij nog herinneren dat de verdachte op de grond voorover boog en dat ik [benadeelde] over zijn vinger hoorde roepen. Na afloop heb ik de vinger van [benadeelde] gezien, die was erg dik. Hij kon zijn hand niet goed bewegen en zei dat hij pijn had.”

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte na bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde (eenvoudige mishandeling) veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die in verzekering is doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij € 600,- aan immateriële schade wordt toegewezen, alsmede de kosten voor de rechtsbijstand (conform het liquidatietarief), vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft veel te heftig gereageerd toen aangever [benadeelde] hem tegenhield omdat hij zonder omkijken [plek 1] binnenliep. De verdachte heeft daarmee opzettelijk een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] , die aan het werk was als portier. Daarbij heeft [benadeelde] dusdanig letsel aan zijn vinger opgelopen, dat hij een periode na het gebeuren zijn werkzaamheden niet of niet naar behoren heeft kunnen uitvoeren. Dit rekent het hof de verdachte aan.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn. De onderzoekswensen van de verdediging zijn hier mede aanleiding geweest voor het feit dat de behandeling van het hoger beroep meer dan twee jaar op zich heeft laten wachten. Dat laat onverlet dat het aanzienlijke tijdsverloop wel enige matigende invloed heeft op de hoogte van de straf.

Alles afwegende acht het hof weliswaar de gevorderde straf te hoog, maar de reeds door de politierechter opgelegde taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3872,- (waarvan € 1.100,- aan immateriële schade en € 2.772,- aan materiële schade).

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.372,- (waarvan € 600,- aan immateriële schade en (€ 2.772,- aan materiële schade).

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, waarbij de immateriële schade wordt vastgesteld op een bedrag van €400,-.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van materiële schade overweegt het hof dat mede door de overgelegde verklaring van de werkgever voldoende is vast komen te staan dat aangever gedurende enige tijd niet heeft kunnen werken en aldus schade heeft geleden, maar dat twijfel is gerezen of hij daadwerkelijk gedurende de gehele gestelde periode niet heeft gewerkt of kunnen werken, eventueel ook voor andere werkgevers. Om die reden schat het hof de materiële schade op een bedrag van €1200,-.

Verdachte is tot vergoeding van deze schadebedragen gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering tot vergoeding van immateriële schade afwijzen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van de materiële schade.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) bestaande uit € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op totaal € 2322,18 (tweeduizenddriehonderdtweeëntwintig euro en 18 cent), te weten € 800,- voor de procedure in eerste aanleg en € 1522,18 voor de procedure in hoger beroep.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) bestaande uit € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 26 (zesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 april 2019.

De voorzitter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter terechtzitting van dat recht afstand te doen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?