Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak A: hij op of omstreeks 8 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn (ex-) levensgezel, [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde]
- een of meermalen (met kracht) met de vuist(en) in/tegen het oog, althans in/tegen het gezicht heeft geslagen en/of heeft gestompen en/of
- tegen/naar de grond heeft gewerkt en/of (vervolgens) een of meermalen (met kracht) tegen de keel en/of nek en/of tegen de rug en/of tegen het (achter)hoofd heeft geschopt en/of heeft getrapt en/of
- ( met een kabel) (met kracht) de keel heeft dichtgeknepen en/of (vervolgens) (langdurig) dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair hij op of omstreeks 8 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn (ex-)levensgezel, [benadeelde] , heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde]
- een of meermalen (met kracht) met de vuist(en) in/tegen het oog, althans in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen en/of
- tegen/naar de grond te werken en/of (vervolgens) een of meermalen (met kracht) tegen de keel en/of nek en/of tegen de rug en/of tegen het (achter)hoofd te schoppen en/of te trappen en/of
- ( met een kabel) (met kracht) de keel dicht te knijpen en/of (vervolgens) (langdurig) dichtgeknepen te houden;Zaak B:hij op of omstreeks 10 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [benadeelde] , heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde] een of meermalen (met kracht) met de vuist(en) tegen de kaak en/of tegen de mond, althans in/tegen het gezicht heeft geslagen en/of heeft gestompt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere bewezenverklaringen komt dan de politierechter.
(Deel)vrijspraken
Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in de zaak A primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Voorts is het hof, anders dan de politierechter en met de raadsman en de advocaat-generaal, van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende informatie daaromtrent en het verhandelde ter zitting, de affectieve relatie tussen de verdachte en de aangeefster niet kan worden geduid als een relatie die gelijksoortig is aan die tussen echtgenoten of geregistreerde partners, zoals bedoeld in artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat de verdachte in beide (gevoegde) zaken zal worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid, dat de mishandeling is begaan tegen zijn levensgezel.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het alcohol- en drugsgebruik van de aangeefster tot dermate veel twijfel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster leidt, dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de in zaak A en B tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft daarbij gewezen op de e-mail van aangeefster van 9 juli 2020, waarin zij te kennen geeft een valse verklaring te hebben afgelegd en zij het openbaar ministerie verzoekt de verdachte niet te vervolgen. Daarnaast heeft hij gewezen op de mogelijkheid dat haar verwondingen door een ander dan de verdachte zijn veroorzaakt.
Het hof overweegt dat de aangeefster in beide zaken consequent en gedetailleerd heeft verklaard, welke verklaringen in lijn zijn met het bij haar waargenomen letsel. Uit de verklaring die zij op 13 januari 2021 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, volgt bovendien niet dat zij terugkomt op haar aangiftes. In het dossier en het verhandelde ter zitting zijn evenmin solide aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat iemand anders verantwoordelijk zou zijn voor het bij aangeefster geconstateerde letsel van 10 augustus 2019 en 8 april 2020. Het hof acht daarom de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A subsidiair en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna bewezen verklaard.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A: hij op 8 april 2020 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door [benadeelde]
- meermalen met de vuist tegen het oog te stompen en
- naar de grond te werken en tegen de keel, de rug en het achterhoofd te schoppen en
- met een kabel de keel dicht te knijpen;
Zaak B: hij op 10 augustus 2019 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door [benadeelde] met de vuist tegen de kaak en de mond te stompen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van zaak A
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2020050018-2 van 11 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 1 - 8).
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020050018-9 van 26 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 10).
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020050018-5 van 12 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 9).
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 november 2020.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde], zakelijk weergegeven:
Van 7 op 8 april 2020 sliep ik bij mijn (ex) vriend [verdachte] . [verdachte]
woont op [adres 1] . Toen ik in de ochtend van 8 april 2020 wakker werd zag en rook ik dat [verdachte] onder invloed was van alcohol en drugs. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met zijn linker vuist op mijn rechteroog sloeg. Het deed heel erg pijn. Ik zag en voelde dat hij mij weer met zijn linker vuist sloeg, op mijn linkeroog. Ook dit deed heel erg pijn. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij vast pakte. Ik voelde dat hij mij bij mijn sweater pakte en weer op de grond trok. Ik zag en voelde dat hij met zijn rechterbeen mij tegen mijn keel schopte. Het deed heel veel pijn. Ik voelde dat hij mij daarna tegen mijn rug schopte. [verdachte] schopte mij heel hard tegen mijn achterhoofd. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij weer met zijn linker vuist sloeg. Ik voelde dat het op mijn linker wenkbrauw was. Het deed heel erg pijn. Ik voelde vanuit het niets iets om mijn nek heen: ik kon [verdachte] niet zien omdat hij achter mij stond. Ik zag wel dat hij een witte kabel om mijn nek had gedaan. Ik voelde dat [verdachte] het strak om mijn nek deed. Ik kreeg bijna geen lucht. Ik had het gevoel dat ik ging stikken.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
Op 8 april 2020 hoorde ik dat de AD2201 de melding kreeg te gaan naar de [adres 2] alwaar een vrouw onwel in de woning zou zijn. Ik ben ter plaatse gegaan. Omstreeks 21:31 uur kwam ik ter plaatse. Ik ben de woning in gelopen en zag hier een vrouw op de bank zitten. Ik zag dat haar beide ogen rood en opgezwollen waren. Ook zag ik wat bloed op de bovenkant van haar trui rond haar hals. Ik vroeg de vrouw hoe deze verwondingen ontstaan waren. Ik hoorde dat de vrouw, welke later [benadeelde] bleek te zijn genaamd, in gebrekkig Nederlands verklaarde dat zij vanochtend door haar vriend (het hof begrijpt: de verdachte) mishandeld was op de [adres 1] .
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
Op 11 april 2020 heb ik de aangifte opgenomen van mishandeling van de aangeefster [benadeelde] .
Ik zag dat zij letsel had, te weten:
- bloeduitstortingen rondom de ogen;
- striem in haar nek;
- wondje op haar linker wenkbrauw;
- striemen in haar hals.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Aangeefster, die ik verder [benadeelde] noem, heeft aangifte tegen mij gedaan. Wij hadden tweeëneenhalf jaar een relatie. Ze heeft mij alleen vanaf het begin belazerd. Daar heb ik haar op 8 april 2020 op aangesproken.
Ten aanzien van zaak B
4. Een proces-verbaal aangifte (met foto's als bijlage) met nummer PL1300-2019169095-1 van 11 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 4-9).
5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019169095-3 van 11 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (doorgenummerde pag. 10).
6. De eigen waarneming van het hof gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2022.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van de verbalisant en verklaring van [benadeelde], zakelijk weergegeven:
Op 10 augustus 2019 was ik samen met [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). We waren in zijn woning in Amsterdam en ik stelde voor om sigaretten te gaan halen. Voordat wij naar buiten stapten zei ik tegen hem dat ik niet wilde dat hij mij weer opsloot. Nadat ik dit tegen hem gezegd had zag ik dat hij met zijn rechterhand een vuist maakte en deze met veel kracht tegen mijn rechter kaak aan sloeg. Onmiddellijk voelde ik een pijnscheut in mijn rechter kaak. Ik merkte dat na de klap meteen bloed uit mijn mond kwam. Meteen na de eerste klap voelde ik dat [verdachte] mij nogmaals met zijn rechterhand een vuistslag gaf tegen mijn mond. Nadat ik buiten stond heeft [verdachte] mij een derde keer geslagen. Dit was weer met een vuist tegen mijn mond.
Noot verbalisant: Ik heb van de verwondingen bij de mond foto's gemaakt. Deze worden bij dit proces-verbaal gevoegd. Ik heb een foto gemaakt van het slachtoffer.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als mededeling van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:
Wij kregen op 10 augustus 2019 de opdracht om een aanhouding te plegen van de verdachte [verdachte] . Wij hoorden dat de verdachte zijn vriendin mishandeld zou hebben. Wij hielden de verdachte aan. Wij hoorden verdachte verklaren: “Ik heb nu ongeveer een jaar een relatie met mevrouw (het hof begrijpt: [benadeelde]). Ik heb haar uit mijn woning gezet”.
Deze eigen waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op de foto’s die zijn gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte van 11 augustus 2019 (dossierpagina’s 7 en 8), neemt het hof waar dat over de volledige breedte van de binnenkant van de onderlip en bovenlip van de aangeefster, op diverse plekken, ontvellingen en openliggende schaafwondjes te zien zijn. De verwondingen zijn sterker aanwezig op de bovenlip dan op de onderlip.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A subsidiair en in zaak B bewezenverklaarde levert op:
telkens:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A subsidiair en zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd (met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partij).
De raadsman heeft bepleit dat terughoudendheid bij de strafmaat op zijn plaats is, nu de feiten van 2019 en 2020 dateren, niet is gebleken van enige recidive en de verdachte zijn alcoholprobleem onder controle schijnt te hebben.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld op 10 augustus 2019 en 8 april 2020 en aldus inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en haar pijn en letsel bezorgd. De verdachte heeft met zijn handelen zeer beangstigende situaties geschapen voor het slachtoffer, dat zich bij hem – haar partner – juist bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Het gedrag dat de verdachte op 8 april 2020 tentoon heeft gespreid, waarbij hij grof geweld heeft uitgeoefend tegen het slachtoffer en daarmee in nog sterkere mate dan op 10 augustus 2019 agressief en intimiderend heeft gehandeld jegens haar, acht het hof in het bijzonder laakbaar. Dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid dat het misdrijf is begaan tegen een levensgezel maakt dat niet anders.
In het licht van de ernst van de bewezen geachte feiten en in aanmerking genomen de straffen die rechters in soortgelijke gevallen plegen op te leggen, kan in beginsel slechts een stevige onvoorwaardelijke straf als een passende reactie worden gezien. Mede gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 augustus 2022, waaruit volgt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en gelet op de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten, zal het hof desalniettemin in dit specifieke geval een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het hof zal daaraan de bijzonder voorwaarde verbinden dat de verdachte geen contact dient te leggen of te laten leggen met het slachtoffer. Hiermee wordt beoogd (verdere) recidive van de verdachte te voorkomen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] in zaak A
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.047,82. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 797,82. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering bevat de volgende schadeposten:
- Verletkosten aangifte d.d. 11 april 2020, € 20,43
- Reiskosten aangifte d.d. 11 april 2020, € 0,56
- Verletkosten overleg advocaat d.d. 1 november 2021, € 10,22
- Reiskosten overleg advocaat d.d. 1 november 2021, € 1,96
- Verletkosten zitting d.d. 11 november 2021, € 6,81
- Reiskosten zitting d.d. 11 november 2021, € 7,84
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, mede gelet op de namens de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering benoemde jurisprudentie, moet worden toegewezen.
De raadsman heeft bepleit dat een vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid dat het misdrijf is begaan tegen de levensgezel, met zich brengt dat een lager bedrag (dan in eerste aanleg) aan vergoeding van geleden immateriële schade moet worden toegekend. Daarnaast moet bij de beslissing op de vordering van de benadeelde partij in aanmerking worden genomen dat aan de vordering ook andere feiten dan het tenlastegelegde ten grondslag zijn gelegd.
Het hof stelt voorop dat in artikel 51f, eerste lid, en artikel 361, tweede lid, Sv is vastgelegd dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding kan voegen als benadeelde partij in het strafproces. Hiervoor is vereist dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend (Hoge Raad 25 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van
€ 20,99, dat bestaat uit de reis- en verletkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt in het kader van haar aangifte ter zake van de in zaak A bewezenverklaarde mishandeling. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden en de vordering van de benadeelde partij zal in zoverre worden toegewezen.
Met betrekking tot de overige, hierboven weergegeven, door de benadeelde partij gevorderde reis- en verletkosten, overweegt het hof dat dit geen schade betreft die op de voet van art. 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze kosten zijn ook niet aan te merken als te vergoeden proceskosten in de zin van artikel 532 Sv. De civiele proceskostenregeling, die is vastgelegd in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), geeft een (in beginsel) exclusieve en limitatieve regeling voor de proceskostenvergoeding. Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van overeenkomstige toepassing op de vordering van de benadeelde partij in het strafgeding. Uit artikel 238 Rv. volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij reis- en aanverwante kosten, gemaakt voor het bijwonen van de zitting, als proceskosten vergoed kan krijgen. In deze procedure heeft de benadeelde partij (zowel in eerste aanleg als) in hoger beroep geprocedeerd met bijstand van een gemachtigde en dus niet in persoon. Voor andere reis- of verblijfskosten – zoals voor het bezoeken van de advocaat – kent de proceskostenregeling geen vergoeding. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld, noch gebleken. De verdachte is daarom niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering, voor wat betreft de opgevoerde materiële schade, voor het overige zal worden afgewezen.
Immateriële schade
Op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de stukken van het dossier is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Omdat de benadeelde partij ten gevolge van het in zaak A subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, heeft zij op grond van artikel 6:106, lid 1 sub b, BW recht op vergoeding van de geleden immateriële schade.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid vaststellen op € 1.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de aard en de ernst van de normschending en de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, een en ander zoals ook is omschreven in de strafmotivering;
- het lichamelijk letsel dat deze daarbij heeft bekomen, te weten bloeduitstortingen rondom de ogen, striemen in haar nek en hals en een wondje op haar linker wenkbrauw;
- de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Résume
De verdachte is gehouden tot vergoeding van een bedrag van € 20,99 aan materiële schade en van € 1000,00 euro aan immateriële schade, zodat de vordering tot een bedrag van € 1020,99 wordt toegewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] in zaak B
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 800,00 aan geleden immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 600,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, mede gelet op de namens de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering benoemde jurisprudentie, moet worden toegewezen.
De raadsman heeft bepleit dat een vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid dat het misdrijf is begaan tegen de levensgezel, met zich brengt dat een lager bedrag (dan in eerste aanleg) aan vergoeding van geleden immateriële schade moet worden toegekend. Daarnaast moet bij de beslissing op de vordering van de benadeelde partij in aanmerking worden genomen dat aan de vordering ook andere feiten dan het tenlastegelegde ten grondslag zijn gelegd.
Immateriële schade
Op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de stukken van het dossier is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Omdat de benadeelde partij ten gevolge van het in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, heeft zij op grond van artikel 6:106, lid 1 sub b, van het Burgerlijk Wetboek, recht op vergoeding van de geleden immateriële schade.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid vaststellen op € 500,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de aard en de ernst van de normschending en de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, een en ander zoals ook is omschreven in de strafmotivering;
- het lichamelijk letsel dat deze daarbij heeft bekomen, te weten ontvellingen en openliggende schaafwondjes aan de lippen;
- de schadevergoeding die in soortgelijke gevallen door rechters pleegt te worden toegekend.
Hetgeen ter compensatie van immateriële schade méér is gevorderd, gaat de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat de vordering voor dat deel zal worden afgewezen.
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 300 Sr.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A subsidiair en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1976.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] in zaak A
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in zaak A subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.020,99 (duizend twintig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 20,99 (twintig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in zaak A subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.020,99 (duizend twintig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 20,99 (twintig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 april 2020
en van de immateriële schade op 8 april 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] in zaak B
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 augustus 2019.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. C.N. Dalebout en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. L. Muyselaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 september 2022.