afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001215-21 (ontneming)
datum uitspraak: 16 juni 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-870719-19 tegen de betrokkene
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag 2] 1981,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 61.004,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 april 2021 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2A van de Opiumwet, het medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie.
De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 29 april 2021 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 60.578,55 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Bij arrest van 16 juni 2023 (parketnummer 23-001322-21) heeft het hof het vonnis van de rechtbank in de strafzaak bevestigd met aanpassing van de bewijs- en strafmaatoverwegingen en de bewijsmiddelen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2022, 28 en 29 november 2022, 1 december 2022, 11 en 24 januari 2023, 13 april 2023 en 2 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de overwegingen aanvult en gedeeltelijk vervangt op hierna te melden wijze.
De betrokkene is in de strafzaak (onder andere) veroordeeld ter zake van het medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 29 december 2014 tot en met 24 juli 2019. Uit de ontnemingsrapportage in het onderzoek Salamis volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is onderzocht over de periode december 2014 tot en met 9 maart 2020, derhalve over een langere periode dan de pleegperiode van de bewezenverklaarde feiten. Het hof stelt evenwel vast dat in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen voordeel is begrepen dat is verkregen na de bewezenverklaarde periode. Het hof wijzigt daarom de datum ‘9 maart 2020’ in de laatste alinea van pagina 4 van het vonnis van de rechtbank in ‘24 juli 2019’.
Hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd, kort samengevat dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel omdat de betrokkene in de strafzaak moet worden vrijgesproken, dient te worden verworpen, gelet op het arrest van het hof van heden in de strafzaak, waarin het veroordelend vonnis van de rechtbank is bevestigd.
Ook in het licht van de in de strafzaak tegen de betrokkene compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, bestaat geen aanleiding de betalingsverplichting te verminderen.
BESLISSING
Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het voorgaande.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Senden,
in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juni 2023.