Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002647-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 6 juni 2023 (bij vervroeging)
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlemmermeer, van 4 november 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-036828-20 tegen de betrokkene
[verdachte] ,
geboren te [verdachte] ) op [geboortedatum] 1987,
adres: [adres] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie adres] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 67.537,58.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 november 2020 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, de invoer van een hoeveelheid cocaïne (feit 1 primair) en het aanwezig hebben van 1.003,4 gram cocaïne (feit 2).
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 4 november 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 59.592,94 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de ontnemingszaak.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, de invoer van een hoeveelheid cocaïne (feit 1 primair) en het aanwezig hebben van 1.003,4 gram cocaïne (feit 2).
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft aan de hand van zijn schriftelijke conclusie van 7 april 2023 gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting worden vastgesteld op € 59.592,94.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 34.300,00 en gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de ontnemingsvordering.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof in aanvulling daarop als volgt overweegt.
Redelijke termijn
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden: de verdachte is in verzekering gesteld op 10 februari 2020, het vonnis is gewezen op 4 november 2020 en het hof wijst op 6 juni 2023 arrest. Het hof zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden nu de berechting in eerste aanleg én in hoger beroep is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. H.A. Stalenhoef en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
6 juni 2023.
Mr. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.