ECLI:NL:GHAMS:2023:1825

ECLI:NL:GHAMS:2023:1825, Gerechtshof Amsterdam, 27-06-2023, 22/00420 en 22/00424 t/m 22/00427

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-06-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/00420 en 22/00424 t/m 22/00427
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2022:4263
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 13 zaken
Aangehaald door 5 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0008032 CELEX:31992R2913 EU:31992R2913

Samenvatting

Douane. Actieve veredeling van zaden. Het Hof oordeelt dat de inspecteur de uitnodigingen tot betaling terecht aan belanghebbende heeft uitgereikt. Er is geen grond voor terugbetaling o.g.v. art 239 CDW en art. 120 DWU en de aangiften van belanghebbende kunnen niet worden herzien of gewijzigd. De inspecteur heeft ook hoger beroep ingesteld maar dat faalt: hij heeft in dit geval ten onrechte rente op achterstallen berekend over de douaneschulden.

Uitspraak

II. Hoger beroep inspecteur betreffende utb1 - zaaknr. 22/00420

Rente op achterstallen

De inspecteur heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank inzake de heffing van rente op achterstallen over aangiften gedaan vóór 1 mei 2016. Hij stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 114, lid 2, van het DWU rente op achterstallen verschuldigd is over alle douaneschulden, met dien verstande dat als een douaneschuld is ontstaan vóór 1 mei 2016, er pas rente verschuldigd is vanaf 1 mei 2016. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

Zoals uiteengezet in rechtsoverweging 4.6, worden bij gebruik van de regeling AVT de te veredelen goederen in het vrije verkeer gebracht, zodat op het tijdstip van aangifte een douaneschuld ontstaat op de voet van artikel 201 van het CDW. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende die douaneschulden niet zou hebben betaald. De inspecteur heeft reeds om die reden ten onrechte rente op achterstallen berekend over de douaneschulden die voortvloeien uit aangiften die zijn gedaan voor 1 mei 2016. Dat de desbetreffende douanerechten op enig moment ten onrechte zijn terugbetaald brengt niet met zich dat rente op achterstallen in rekening kan worden gebracht vanaf de datum van het ontstaan van de douaneschuld.

Gelet op het vorenoverwogene is het oordeel van de rechtbank inzake de heffing van rente op achterstallen ter zake van aangiften gedaan in de periode voor 1 mei 2016 juist, wat er ook zij van de daartoe gebezigde gronden.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is.

III. Verzoek om terugbetaling artikel 239 CDW/artikel 120 DWU - zaaknr. 22/00426

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur terecht heeft geweigerd om terugbetaling te verlenen op de voet van artikel 239 van het CDW en artikel 120 van het DWU, reeds omdat belanghebbende “klaarblijkelijk nalatig” of “kennelijk nalatig” is geweest in de zin van artikel 239 van het CDW respectievelijk artikel 120 van het DWU. Belanghebbende bestrijdt dit oordeel, acht het oordeel onvoldoende gemotiveerd en merkt op dat zij zich stoort aan de voormelde kwalificaties van de rechtbank. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

De artikelen 239 van het CDW en 120 van het DWU stellen als voorwaarde voor een terugbetaling onder meer dat geen sprake mag zijn van klaarblijkelijke nalatigheid respectievelijk kennelijke nalatigheid. De rechtbank heeft dan ook terecht beoordeeld of in casu sprake is van een dergelijke nalatigheid.

Aan belanghebbende is een vergunning verleend voor de veredeling van 120.000 kilogram zaden. Deze hoeveelheid heeft belanghebbende reeds op 3 september 2015 overschreden. Desondanks is zij nog twee en een half jaar gebruikt blijven maken van de regeling actieve veredeling, waarbij zij telkenmale heeft verwezen naar de reeds uitgeputte vergunning. Dit terwijl in de vergunning een expliciete waarschuwing is opgenomen dat de daarin vermelde hoeveelheid de bovengrens is waarvoor goederen op basis van die vergunning onder de regeling actieve veredeling kunnen worden geplaatst (zie het citaat onder 4.9). De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat onder deze omstandigheden sprake is van klaarblijkelijke dan wel kennelijke nalatigheid, zodat reeds om die reden geen terugbetaling op de voet van de artikelen 239 CDW en 120 DWU mogelijk is.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende met zaaknummer 22/00426 ongegrond is.

IV. Verzoek om herziening of ongeldigmaking aangiften - zaaknr. 22/00427

Bij brief van 16 september 2019 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om “herziening” dan wel, subsidiair, “ongeldigmaking” van aangiften waarop de utb’s betrekking hebben. De rechtbank heeft geoordeeld dat herziening of ongeldigmaking niet mogelijk is.

Herziening

Het verzoek tot herziening is door belanghebbende als volgt geformuleerd:

“De wijziging c.q. herziening ziet op het feit dat Belanghebbende u verzoekt om de aangifte zodanig te wijzigen dat de aangifte mede wordt gezien als een verzoek tot afgifte van een vergunning op aangifte, een en ander zoals bedoeld in artikel 163 Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446. (…) Meer in het bijzonder verzoekt Belanghebbende u dus om de aangiften te wijzigen in dit zin dat code “00100” in vak 44 wordt toegevoegd.”

Aangiften gedaan vóór 1 mei 2016 – artikel 78 CDW

Artikel 78 van het CDW biedt de mogelijkheid om, ook na vrijgave van aangegeven goederen, rekening te houden met nieuwe gegevens. Daarmee wordt beoogd de douaneprocedure af te stemmen op de werkelijke situatie (zie HvJ 12 oktober 2017, Tigers GmbH, zaak C‑156/16, ECLI:EU:C:2017:754, punt 31).

Naar ’s Hofs oordeel heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe gegevens in vorenbedoelde zin. Belanghebbende wenst geen onjuiste gegevens in haar aangiften te wijzigen, maar wil in wezen voor al haar aangiften met terugwerkende kracht een aanvraag doen voor een vergunning actieve veredeling (“vergunning op aangifte”, artikel 497, lid 3, aanhef en onder a van de UCDW). Het lijdt geen twijfel dat artikel 78 CDW niet de mogelijkheid biedt om met terugwerkende kracht vergunningen op aangifte aan te vragen, te minder nu er geen enkele aanwijzing is dat belanghebbende op het moment van aangifte het oogmerk had om in de desbetreffende aangiften te verzoeken om een vergunning actieve veredeling.

Aangiften gedaan vanaf 1 mei 2016 – artikel 173 DWU

Artikel 173 DWU luidt:

“1. De aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer gegevens in de douaneaangifte te wijzigen nadat deze door de douane is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de douaneaangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

2. Dergelijke wijzigingen worden niet toegestaan als het verzoek daartoe wordt gedaan na een van de volgende gebeurtenissen:

a. a) de douaneautoriteiten hebben de aangever in kennis gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b) de douaneautoriteiten hebben geconstateerd dat de gegevens van de douaneaangifte onjuist zijn;

c) de douaneautoriteiten hebben de goederen vrijgegeven.

3. Op verzoek van de aangever kan, binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte, worden toegestaan dat de douaneaangifte wordt gewijzigd na vrijgave van de goederen, zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende douaneregeling kan nakomen.

In casu heeft de inspecteur geconstateerd dat belanghebbende in haar aangiften heeft verwezen naar een vergunning die reeds was uitgeput en daarom geen aanspraak gaf op het gebruik van de regeling actieve veredeling. Artikel 173, lid 2, aanhef en onder b, van het DWU sluit in die situatie een wijziging van de aangifte uit.

Het bepaalde in artikel 173, lid 3, van het DWU maakt dit niet anders: lid 3 vormt enkel een uitzondering op artikel 173, lid 2, aanhef en onder c. De uitsluitingsgronden van artikel 173, lid 2, onder a en b, van het DWU zijn derhalve ook van toepassing op een verzoek om wijziging van de douaneaangifte na vrijgave van de goederen, als bedoeld in artikel 173, lid 3, van het DWU. Een wijziging van de aangiften als gewenst door belanghebbende is reeds daarom niet mogelijk (zie in gelijke zin de uitspraak van Finanzgericht Hamburg van 1 december 2020, ECLI:DE:FGHH:2020:1201.4K49.18.00, punt 30, en het Guidance Document on Customs Formalities on Entry and Import into the European Union, gepubliceerd op de website van de Europese Commissie, en vergelijk HvJ 8 juni 2023, SC Zes Zollner Electronic SRL, C‑640/21, ECLI:EU:C:2023:457, punt 44).

Daarnaast geldt dat ook voor de periode vanaf 1 mei 2016 belanghebbende in wezen met terugwerkende kracht een aanvraag wil doen voor vergunningen actieve veredeling (“vergunning op aangifte”, artikel 163, lid 1, aanhef en onder c, van de GDWU). Artikel 163, lid 2, aanhef en onder h, van de GDWU sluit echter expliciet uit dat een vergunning op aangifte met terugwerkende kracht wordt verleend, zodat ook om die reden de door belanghebbende gewenste wijziging van de aangiften niet mogelijk is.

Ongeldigmaking

Belanghebbende heeft de inspecteur – indien herziening niet mogelijk is – subsidiair verzocht om, met toepassing van artikel 174 van het DWU, alle in de utb’s betrokken aangiften die zijn gedaan vanaf 1 mei 2016 ongeldig te maken. Belanghebbende wil de goederen vervolgens alsnog onder de regeling actieve veredeling plaatsen. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

Artikel 174, lid 2, van het DWU bepaalt dat een douaneaangifte niet ongeldig wordt gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, tenzij anders is bepaald (cursivering Hof). Deze uitzonderingen zijn opgenomen in artikel 148 van de GDWU. Geen van de in artikel 148 genoemde uitzonderingen doet zich in het onderwerpelijke geval echter voor, zodat de hoofdregel van toepassing is. Dat brengt met zich dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de inspecteur terecht heeft geweigerd de aangiften ongeldig te maken.

Ten overvloede merkt het Hof nog op dat onder de werking van het CDW evenmin ongeldigmaking van de aangiften mogelijk zou zijn geweest (vgl. artikel 251 UCDW).

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende met zaaknummer 22/00427 ongegrond is.

Verzoek om heropening (alle hoger beroepen)

Bij brief van 31 januari 2023 heeft belanghebbende, onder verwijzing naar artikel 8:68 van de Awb, aan het Hof verzocht om heropening van het onderzoek. Het Hof heeft zich beraden over het verzoek van belanghebbende en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding bestaat om tot heropening over te gaan. Ter motivering dient het volgende.

Belanghebbende noemt in de aanhef van haar brief de zaaknummers van alle hoger beroepen. Gelet op de onderbouwing ervan betreft het verzoek evenwel enkel het geschil over de vraag of aangiften waarop de utb’s betrekking hebben, kunnen worden ‘herzien’ (zaaknummer 22/00427). Reeds om die reden bestaat geen aanleiding om, op basis van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, het onderzoek in de zaken 22/00420 en 22/00424 tot en met 22/00426 te heropenen, waarin herziening van aangiften immers niet aan de orde is.

Belanghebbende verzoekt het onderzoek in zaak 22/00427 te heropenen onder verwijzing naar (1) een document van de Europese Commissie (“Guidance Document on Customs Formalities on Entry and Import into the European Union (Revision 2), Ares (2022)8618778 van 12 december 2022) en (2) een besluit van de Minister van Financiën op grond van de Wet open overheid (WOO), dat de gemachtigde van belanghebbende op 22 december 2022 heeft ontvangen. Uit het Guidance Document volgt, naar belanghebbende stelt, dat de mogelijkheden om aangiften achteraf te wijzigen op grond van artikel 173 van het DWU veel ruimer zijn dan de inspecteur in de onderwerpelijke procedure heeft betoogd. Dat de inspecteur hiervan reeds geruime tijd op de hoogte was blijkt uit de stukken die bekend zijn gemaakt naar aanleiding van het WOO-besluit, aldus nog steeds belanghebbende.

Artikel 8:68 Awb biedt het Hof de mogelijkheid om het onderzoek te heropenen indien het van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het onderzoek in zaak 22/00427 onvolledig is geweest. In het Guidance Document stelt de Europese Commissie zich op het standpunt, gelijk het Hof heeft geoordeeld in rechtsoverweging 4.39, dat artikel 173, lid 3, van het DWU enkel een uitzondering vormt op artikel 173, lid 2, aanhef en onder c, zodat artikel 173, lid 2, aanhef en onder a en b, onverkort van toepassing zijn op de onder 173, lid 3, bedoelde gevallen. Het Guidance Document werpt reeds daarom geen nieuw of ander licht op de zaak, nog daargelaten dat het document, blijkens de daarop vermelde disclaimer “not legally binding” is. De middels het WOO-verzoek verkregen interne stukken brengen het Hof evenmin tot het oordeel dat het onderzoek niet volledig is geweest.

5. Kosten

Het Hof vindt in de hoger beroepen met de nummers 22/00424 tot en met 22/00427 geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

In de zaak met nummer 22/00420 (het hoger beroep van de inspecteur) vindt het Hof wel aanleiding voor een veroordeling in de kosten, nu belanghebbende zich tegen het ongegronde hoger beroep van de inspecteur heeft moeten verweren. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 [verweerschrift + zitting] x € 837 x 1 (wegingsfactor) =

€ 1.674.

6. Beslissing

Zaaknummers 22/00424 tot en met 22/00427

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Zaaknummer 22/00420

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor de procedure in hoger beroep tot een bedrag van € 1.674;

- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 548.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel, en W.J. Blokland, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 27 juni 2023 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2023/1816 NDFR Nieuws 2023/1140 Douanerechtspraak 2023/94 NTFR 2023/1436 met annotatie van Mr. P.A. Caljé Viditax (FutD) 2023073108 FutD 2023-2115
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?