ECLI:NL:GHAMS:2023:3749

ECLI:NL:GHAMS:2023:3749, Gerechtshof Amsterdam, 10-01-2023, 23-000811-22

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 10-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23-000811-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:808
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0006297

Samenvatting

Plegen van identiteitsfraude door een paspoort te tonen aan verbalisanten dat op naam stond van een derde. Het hof ziet in dit handelen nadeel voor de te naam gestelde van het paspoort, wiens gegevens door handelen van de verdachten worden misbruikt. Verder is het hof van oordeel dat een paspoort bij uitstek een document is met identificerende persoonsgegevens.

Uitspraak

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1.hij op of omstreeks 16 januari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [naam 4], heeft gebruikt door zich bij de nationale politie eenheid Amsterdam te identificeren met een geldig paspoort van die [naam 4], met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;

feit 2.hij op of omstreeks 16 januari 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een Triodos bankpas ten name van [naam 2] en/of een Mastercard op naam van [naam 1] en/of een Mastercard op naam van [naam 3] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] en/of [naam 1] en/of [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring voor die feiten.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet valt in te zien welk nadeel kan ontstaan door het tonen van het paspoort en opgeven van identiteitsgegevens van een ander, omdat de politie al direct constateert dat de persoon in de auto niet lijkt op de persoon in het paspoort. Ten tweede meent de raadsman dat een paspoort niet kan worden aangemerkt als identificerende persoonsgegevens.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het enkele feit dat de verdachte de pas bij zich had te mager is voor een bewezenverklaring van verduistering. Het dossier bevat geen verdere informatie over de bakpassen en niet is uit te sluiten dat de verdachte de passen zeer kort onder zich had.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft een paspoort getoond aan de politieambtenaren dat niet van hem was en daarbij gezegd dat hij het was. Dat de politie constateert dat dat de verdachte niet lijkt op de foto in het paspoort, doet aan de kwalificatie en de strafbaarheid ervan niet af. Daarenboven, wanneer de politie de verdachte vraagt zijn capuchon af te doen om zijn gezicht beter te bekijken merkt de verdachte op dat zijn haar nu langer is en daarom niet op de foto in het paspoort lijkt. Het hof ziet in dit handelen nadeel voor de te naam gestelde van het paspoort, wiens gegevens door handelen van de verdachten worden misbruikt. Verder is het hof van oordeel dat een paspoort bij uitstek een document is met identificerende persoonsgegevens. Het verweer ten aanzien van feit 1 faalt.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde stelt het hof vast dat de pasjes niet op naam staan van de verdachte. Hoewel het dossier geen aanwijzingen bevat voor de stelling dat de pasjes door misdrijf zijn verkregen, blijkt uit de verklaring van [naam 2] dat het pasje op diensnaam niet in het bezit was van de rechthebbende. Het hof is van oordeel dat de verdachte geen goede verklaring heeft voor het bezit van de pasjes. De verdachte verklaart dat hij in het bezit was van de pasjes omdat hij van jas had geruild met een vriend maar wil vervolgens niet verklaren wie die vriend is. Ook verklaart de verdachte ter zitting inconsistent wanneer hem naar de pasjes wordt gevraagd en hem wordt voorgehouden dat ook pasjes op naam van derden in zijn broekzak zijn aangetroffen. Het hof acht, met de advocaat-generaal, de verklaring van de verdachte hierdoor ongeloofwaardig. Het verweer faalt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

feit 1.hij op 16 januari 2021 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van [naam 4], heeft gebruikt door zich bij de politie eenheid Amsterdam te identificeren met een geldig paspoort van die [naam 4], met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan;

feit 2.hij op 16 januari 2021 te Amsterdam, opzettelijk een Triodos bankpas ten name van [naam 2] en een Mastercard op naam van [naam 1] en een Mastercard op naam van [naam 3] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Bewijsmiddelen

De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het (..) ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 1 tot en met 3.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

“Wij, verbalisanten, beide surveillant van politie Eenheid Amsterdam verklaren het volgende:

Op zaterdag 16 januari 2021 werd te Amsterdam aan de bestuurder van het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] een stopteken gegeven, waaraan de bestuurder voldeed. Ik, verbalisant [verbalisant 3], vroeg zijn rijbewijs. Ik hoorde de bestuurder zeggen: “Ik heb geen rijbewijs bij mij. Ik heb wel een paspoort bij mij.” Ik zag dat de bestuurder mij een geldig paspoort overhandigde en zich daarmee identificeerde als:

*** [naam 4] , geboren [geboortedag 2] -1998 te [plaats] ***

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat het paspoort gestolen of verloren stond geregistreerd. Ik zag dat de foto die in het overhandigde paspoort en de voor mij beschikbare rijbewijsfoto in de politiesystemen niet overeen kwamen met de bestuurder voor mij. Ik hoorde de bestuurder zeggen; “Mijn haar is nu langer, daarom lijk ik niet meer op de foto in mijn paspoort.”

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 4 en 5.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Op zaterdag 16 januari 2021, voerde ik, verbalisant [verbalisant 2] , bij [verdachte] een insluitingsfouillering uit. Tijdens deze fouillering werd in de kleding van [verdachte] het volgende aangetroffen.

In de jas van [verdachte] vond ik, verbalisant [verbalisant 2] het volgende:

- Triodos-bankpas: [rekeningnummer 1]

In de linker broekzak van [verdachte] vond ik, verbalisant [verbalisant 2] , het volgende:

In de rechter broekzak van [verdachte] vond ik, verbalisant [verbalisant 2] , het volgende:

- ABN-pas: [rekeningnummer 2]

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, pagina 6.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 17 januari 2021 heb ik, verbalisant, de bij verdachte [verdachte] diverse inbeslaggenomen bankbescheiden inbeslaggenomen onderzocht op registraties. Ik zag onderstaande gegevens naar voren

komen.

De TRIODOS Bankpas; goednummer 6018164: Persoonsnaam op pas: [naam 2]

GBA gegevens : geboren op [geboortedag 3] -1993 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 1] )

Bank rekening nummer: [rekeningnummer 1] , pasnummer [nummer 1] , Geldig t/m 12/25.

Bij navraag bij het meldpunt bankpas vermissing kreeg ik van de medewerker te horen dat de bankpas met volgnummer [nummer 1] als geblokkeerd geregistreerd stond.

De N26 Mastercard; goednummer 6018161: Persoonsnaam: [naam 1] . Deze persoon staat in de politie systemen en in GBA als [naam 1] , geboren op [geboortedag 4] 1994 te [geboorteplaats 3] ( [geboorteland 2] ).

Het rekeningnummer [rekeningnummer 3] en de pas : [nummer 2] geldig tm

12/25

De pas staat niet geregistreerd in de politiesystemen als gestolen of vermist.

De N26 debit card, mastercard; goednummer 6018162: Persoonsnaam op pas: [naam 3]

Deze persoon komt voor maar zonder verdere registraties als [naam 3]

geboren [geboortedag 5] -2002 te [geboorteplaats 4] : GBA adres: niet geregistreerd.

Het rekeningnummer [rekeningnummer 4] en de pas : [nummer 3] geldig tm

12/25

De pas staat niet geregistreerd in de politiesystemen als gestolen of vermist.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 9.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

“Ik op zondag, 17 december 2021 gebeld met de hierna genoemde [naam 4]. Ik vroeg hem of hij mij kon vertellen hoe hij zijn oud paspoort was kwijt geraakt.

Hij verklaarde mij het volgende:

"Ik ben het kwijt geraakt. Ik kon het niet meer vinden. Ik heb toen een nieuwe aangevraagd. [verdachte] , die ken ik wel. Ik weet denk ik wel over wie u het heeft. Ik ken zijn achternaam niet. Ik hem mijn paspoort nog nooit aan hem uitgeleend.” “

5. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, pagina 10.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

“Op 17 januari 2023 heb ik, verbalisant, [naam 2] gebeld. Hij verklaarde mij het volgende:

“Ik heb inderdaad een rekening bij de Triodos Bank. Die kaart moet in mijn pasje-cardhouder zitten. Ik zal even kijken of ik mijn pasje nog heb. Ik heb het niet. Ik leen mijn bankpasjes nooit uit. Nu pas weet ik dat ik mijn pas kwijt ben. Ik heb mijn bankpas niet geblokkeerd. Ik hoor nu van u dat mijn bank pas als geblokkeerd genoteerd staat. Ik ken geen [verdachte] ." “

6. Een proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 11 en 12.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

“Op 17 januari 2021 zag ik, verbalisant Robben, tijdens de doorzoeking in het voertuig met kenteken [kenteken] het volgende in het handschoenenkastje liggen:

Een Nederlandse Identiteitskaart op naam van de verdachte [verdachte] , [geboortedag 1]

1996, kaart nummer [nummer 4] .”

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte na bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht en tot teruggave van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet terug gegeven geldbedragen aan de verdachte.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, gelijk aan de straf zoals opgelegd door de politierechter in eerste aanleg, zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet terug gegeven geldbedragen gevorderd dat deze worden teruggegeven aan de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft – kort gezegd – identiteitsfraude gepleegd door gebruik een paspoort te tonen aan verbalisanten dat op naam stond van een derde. Ook heeft de verdachte zich bankpassen die op naam van een derde stonden wederrechtelijk toegeëigend. Identiteitsfraude veroorzaakt overlast en ergernis alsook verlies van vertrouwen bij degene van wiens identiteit misbruik is gemaakt. Daarnaast wordt het goed functioneren van de rechtsstaat belemmerd, doordat verbalisanten ten overstaan van wie die valse gegevens zijn gebruikt worden gefrustreerd het de uitvoering van de werkzaamheden.

Het hof heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die voor feiten als het onderhavige worden opgelegd en voor het onder 1 bewezenverklaarde aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het voorhanden hebben van een vals paspoort. Gelet hierop is een gevangenisstraf van 2 maanden in beginsel passend.

De verdachte is blijkens het uittreksel uit het Justitiële Documentatie van 29 december 2022 niet eerder voor een dergelijk feit veroordeeld. Ook heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde een domme fout gemaakt heeft en dat hij de consequenties hiervan niet inzag. In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen die aan de verdachte toebehoren aan de verdachte dienen te worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 231b en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

goednummer 6018171: 400,00 euro

goednummer 6018172: 5,00 euro

goednummer 6018173: 2,50 euro

goednummer 6018174: 1.350,00 euro.

De voorzitter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter terechtzitting van dat recht afstand te doen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?