GERECHTSHOF AMSTERDAM
1. INTERNATIONAL AIR TRANSPORT ASSOCIATION,
2. AIR TRANSPORT ASSOCIATION OF AMERICA,
3. AIR CANADA,
4. BRITISH AIRWAYS,
6. UNITED AIRLINES INC.,
7. JETBLUE AIRWAYS CORPORATION,
8. FEDERAL EXPRESS CORPORATION D/B/A/FEDEX EXPRESS,
10 KLM KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,
11. KLM CITYHOPPER B.V.,
12. TRANSAVIA AIRLINES C.V.,
13. MARTINAIR HOLLAND N.V.,
14. DELTA AIR LINES INC.,
15 TUI AIRLINES NEDERLAND B.V.,
16 CORENDON DUTCH AIRLINES B.V.,
17. EASYJET AIRLINE COMPANY LTD.,
18. EASYJET SWITZERLAND S.A.,
19. EASYJET UK LTD.,
20. EASYJET EUROPE AIRLINE GMBH,
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.326.686/01 SKG
zaak-/rolnummers rechtbank Noord-Holland: C/15/337248/KG ZA 23-94 en
C/15/337250/KG ZA 23-95
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 mei 2023
inzake
STICHTING RECHT OP BESCHERMING TEGEN VLIEGTUIGHINDER,
gevestigd te Aalsmeer,
eiseres in het incident tot voeging,
advocaat: mr. E. ten Vergert te Amsterdam,
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT),
zetelend te Den Haag,
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. J.S. Procee te Den Haag,
tegen
de rechtspersonen naar buitenlands recht
gevestigd te Montreal, Canada,
gevestigd te Washington DC, Verenigde Staten van Amerika,
gevestigd te Quebec, Canada,
gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,
5. VUELING AIRLINES S.A.,
gevestigd te Barcelona, Spanje,
gevestigd te Chicago, Verenigde Staten van Amerika,
gevestigd te New York City (NY), Verenigde Staten van Amerika,
gevestigd te Memphis (TN), Verenigde Staten van Amerika,
9. DEUTSCHE LUFTHANSA AG,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. R.J. van Galen te Amsterdam,
gevestigd te Amstelveen,
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,
de rechtspersoon naar buitenlands recht:
gevestigd te Atlanta (GA), Verenigde Staten van Amerika,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. H.van der Baan te Amsterdam,
gevestigd te Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. V.R. Pool te Amsterdam,
gevestigd te Lijnden,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident
advocaat: mr. G.J.H. de Vos te Amsterdam,
de rechtspersonen naar buitenlands recht:
gevestigd te Luton, Bedfordshire, Verenigd Koninkrijk,
gevestigd te Geneve, Zwitserland,
gevestigd te London Luton Airport, Verenigd Koninkrijk,
gevestigd te Wenen, Oostenrijk,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. R. Elkerbout te Amsterdam,
met als de op de voet van art. 118 lid 1 jo art. 353 Rv in het geding opgeroepen partij
ROYAL SCHIPHOL GROUP N.V.,
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. A.A. Kleinhout.
Eiseres in het incident wordt hierna aangeduid als de Stichting. Partijen in de hoofdzaak worden hierna aangeduid als de Staat respectievelijk Iata c.s. De opgeroepen partij wordt hierna aangeduid als RSG.
Geïntimeerden onder 1 tot en met 9 worden ieder apart aangeduid als Iata, A4A, Air Canada, British Airways, Vueling, United, Jetblue, FedEx, Lufthansa (gezamenlijk: A4A c.s.). Geïntimeerden onder 10 tot en met 14 worden ieder apart aangeduid als KLM, KLM Cityhopper, Transavia, Martinair en Delta (gezamenlijk: KLM c.s.). Geïntimeerden 15 en 16 worden aangeduid als TUI respectievelijk Corendon. Geïntimeerden onder 17 tot en met 20 worden gezamenlijk aangeduid als Easyjet c.s.
1. Het geding in hoger beroep
De Staat is bij dagvaarding van 1 mei 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 5 april 2023, onder bovenvermelde zaak-/rolnummers in kort geding gewezen tussen enerzijds (i) Iata, A4A, Air Canada, British Airways, Vueling, United, Jetblue en FedEx, als eiseressen, met Lufthansa als toegelaten gevoegde partij aan hun zijde en (ii) KLM c.s. als eiseressen, met TUI, Corendon en Easyjet c.s. als toegelaten gevoegde partijen aan hun zijde en, anderzijds, de Staat en RSG als gedaagden, met de Stichting als toegelaten gevoegde partij aan de zijde van de Staat.
De appeldagvaarding bevat de grieven. Op de eerstdienende dag heeft de Staat geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding.
De Staat heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van Iata c.s. zal afwijzen, onder bepaling dat ook de veroordelingen jegens RSG niet langer gelding hebben, met beslissing over de proceskosten.
De Stichting heeft in het incident op de voet van artikel 217 Rv jo. artikel 353 lid 1 Rv gevorderd haar toe te laten als gevoegde partij aan de zijde van de Staat.
De Staat, RSG, A4A c.s., KLM c.s., TUI, Corendon en Easyjet c.s. hebben geantwoord in het incident en geconcludeerd tot referte.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.
2. Beoordeling
In het incident tot voeging
De Stichting heeft voeging gevorderd op de grond dat zij belang heeft bij het onderhavige geding, in het bijzonder dat zij belang heeft bij de vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van de eisende partijen in eerste
aanleg.
Het hof neemt bij de beoordeling van de incidentele vordering tot voeging op de voet van artikel 217 Rv tot uitgangspunt, kort gezegd, dat voor toewijzing van de vordering tot voeging moet blijken van een belang van de voegende partij bij de uitkomst van de procedure omdat deze rechtens of feitelijk gevolgen voor (een door het recht toegekende of beschermde aanspraak van) haar kan hebben. Daarbij moet steeds de strekking van de voeging in aanmerking worden genomen, te weten de proceseconomie en het voorkomen van tegenstrijdige of niet met elkaar in overeenstemming zijnde uitspraken.
De Stichting heeft voldoende aangevoerd om aan te nemen dat zij toereikend belang heeft bij haar vordering tot voeging. De goede procesorde staat daaraan niet in de weg. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Stichting zich reeds in eerste aanleg had gevoegd aan de zijde van de Staat en dat alle partijen zich hebben gerefereerd. De incidentele vordering van de Stichting zal derhalve worden toegewezen.
Het hof ziet, in het kader van de goede procesorde, aanleiding om voorts te bepalen dat de Stichting een memorie van maximaal 15 bladzijden kan indienen op de rol van 30 mei 2023, ter toelichting van haar standpunt. Dat is de datum die reeds was bepaald voor het indienen van een memorie van antwoord in de hoofdzaak.
Desgewenst kunnen de Staat, Iata c.s. en RSG ter rolle van 6 juni 2023 reageren op de door de Stichting te nemen memorie; deze reactie mag maximaal 15 bladzijden beslaan en daarvoor gelden de voorwaarden die zijn gesteld aan de onderscheiden memories van antwoord evenzeer.
De beslissing omtrent de kosten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal naar na te noemen rolzitting worden verwezen voor memorie aan de zijde van de Stichting.
3. Beslissing
Het hof:
in het incident tot voeging:
- staat de Stichting toe zich in de onderhavige procedure tussen de Staat en Iata c.s. te voegen aan de zijde van de Staat;
- houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
- verwijst de zaak naar de rol van 30 mei 2023 voor het nemen van een memorie door de Stichting, waarna de Staat, Iata c.s. en RSG desgewenst ter rolle van 6 juni 2023 mogen reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en C.A.H.M. ten Dam en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2023.