GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 22/2543 tot en met 22/2547
21 december 2023
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraken van 9 november 2022 in de zaken met kenmerken AMS 20/6386 tot en met AMS 20/6389 en de zaak met het kenmerk AMS 20/6390 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende aanslagen “vastrecht onderhoud” voor de jaren 2015 tot en met 2019 opgelegd.
Na daartegen gemaakte bezwaren, heeft de heffingsambtenaar op 27 oktober 2020 uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslagen voor alle jaren gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Aanslagen 2015 tot en met 2018
Bij uitspraak van 13 oktober 2021 heeft de rechtbank het beroep voor de jaren 2015 tot en met 2018 buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard, met toepassing van artikel 8:54 Awb.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 november 2022, kenmerken AMS 20/6386 tot en met AMS 20/6389, het verzet gegrond verklaard en, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:55, lid 10, Awb, het beroep ongegrond verklaard.
Aanslag 2019
De rechtbank heeft bij uitspraak van 9 november 2022, kenmerk AMS 20/6390, het beroep ongegrond verklaard.
Alle zaken
Het tegen deze uitspraken door belanghebbende (in één geschrift) ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20 december 2022 en aangevuld bij brief van 24 januari 2023. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 12 juni 2023, 20 juni 2023, 20 juli 2023, 24 oktober 2023, 4 november 2023 en 6 november 2023 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is aan de heffingsambtenaar verstrekt.
Bij brieven van 2, 8 en 11 november 2023 heeft belanghebbende om uitstel van de zitting verzocht. Bij berichten van 3 en 14 november 2023 heeft het Hof deze verzoeken afgewezen.
Op 14 november 2023 heeft belanghebbende (om 22:28) bij e-mailbericht verzocht om wraking van de voltallige zetel van de behandelende kamer, zowel in de onderwerpelijke zaken als in de op de zelfde zitting te behandelen zaak met kenmerk 22/2436.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2023, gelijktijdig met het onderzoek in de zaak van belanghebbende met het kenmerk 22/2436. Belanghebbende is, hoewel hij blijkens zijn uitstelverzoeken (zie 1.10) op de hoogte was van de datum en tijd waarop zijn hogerberoepen zouden worden behandeld, en hem in de zaak met kenmerk 22/2436 een wrakingsverbod was opgelegd, niet ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende beschikt over de rechten op een graf, genummerd [#] , gelegen op begraafplaats [naam 1] . Het grafrecht is in 2004 uitgegeven door de gemeente [Z] voor een periode van 20 jaar.
Op de opdrachtbon die belanghebbende op 11 februari 2004 heeft ondertekend voor de uitvoering van de begrafenis door de begrafenisondernemer (PC Uitvaartzorg) staan onder meer de volgende kosten vermeld:
“ Aantal Prijs in €
(…) (…) (…)
Verzorgd door derden
Begraafrecht eigen graf 1 659,50
Huur eigen graf categorie C (20 jaar) 1 1.110,10
Onderhoud eigen graf 1 jaar 1 47,50
(…) (…) (…)”
Belanghebbende heeft een tarieventabel 2004 overgelegd waarin onder meer het volgende is vermeld:
gemeente
[Z] Tarieven 2004 (Verkorte lijst) [naam 1]
Een volledige lijst op aanvraag verkrijgbaar bij de balie van [naam 1]
1. Begraafrecht
maandag t/m vrijdag van 9 tot 15.00
hierna en zon- en fees[tdagen]
Eigen graf
€ 659,50
€ 1483,90
(…)
(…)
(…)
2. Pacht (koop) eigen grafruimte 20 jaar
éénmalig
(…)
(…)
Categorie C 2.00 x 1.00
€ 1110,10
(…)
(…)
5. Onderhoud eigen graven 20 jaar
per jaar
éénmalig
Algemeen (vastrecht)
€ 47,50
€ 950,00
(…)
(…)
(…)
De artikelen 2 en 5 van de “Verordening op de heffing en invordering van grafrechten [naam 1] 2015 gemeente [Z] ” en de daarop volgende verordeningen voor de jaren 2016 tot en met 2019 luiden:
Artikel 2 Belastbaar feit
Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats, voor het gebruik van het crematori[um] en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats of het crematori[um].
Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
(…)
De in artikel 5 bedoelde tarieventabel luidt, voor zover hier van belang, in de jaren 2015 tot en met 2019 respectievelijk:
(2015)
Jaarlijkse rechten eigen graven:
5.2.1.
Voor het van gemeentewege onderhouden van de begraafplaats, een recht per kalenderjaar van
€ 81,81
(2016)
Jaarlijkse rechten eigen graven:
5.2.1.
Voor het van gemeentewege onderhouden van de begraafplaats, een recht per kalenderjaar van
€ 83,00
(2017)
Jaarlijkse rechten eigen graven:
5.2.1.
Voor het van gemeentewege onderhouden van de begraafplaats, een recht per kalenderjaar van
€ 84,00
(2018)
Jaarlijkse rechten eigen graven:
5.2.1.
Voor het van gemeentewege onderhouden van de begraafplaats, een recht per kalenderjaar van
€ 87,00
(2019)
B.6
Onderhoud
Tarief in €
B.6.01
Vastrecht per jaar
88,74
(…)
(…)
(…)
Tot en met 2018 is daarbij telkens het volgende vermeld:
5.2.1.1. Onder het van gemeentewege onderhouden van de begraafplaats wordt verstaan:
Onderhoud algemeen groen, kosten afvoer blad, onderhoud bomen, nieuwe aanplant plantsoen, onderhoud paden, servicepunten en banken
Het recht is tevens inclusief het onderhoud van de op de eigen graven aangebrachte beplantingen. (exclusief rozen)
5.2.1.2. Voor de afkoop voor het van gemeentewege onderhouden van de begraafplaats kan een afkoopsom worden gestort voor een periode van tien resp. twintig jaar, gelijk aan tien resp. twintig maal de jaarlijkse onderhoudsrechten
De afkoop zal ingaan met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar
Uitsluitend om te voldoen aan de volledig resterende termijn kan de afkoop voor het van gemeentewege onderhouden van de begraafplaats voor een kortere periode anders dan tien jaar of twintig jaar worden toegestaan (zolang het graf verlengd is). Hiertoe wordt per jaar het vastrecht geheven conform 5.2.1.
In de tabel voor het jaar 2019 zijn woorden van gelijke strekking opgenomen.
3. Geschil in hoger beroep
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de aanslagen “vastrecht onderhoud” voor de jaren 2015 tot en met 2019 terecht zijn opgelegd.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in zijn uitspraak betreffende de aanslagen over de jaren 2015 tot en met 2018 (AMS 20/6386 tot en met AMS 20/6389) met betrekking tot het geschil het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“4.1. Bij eiser wringt dat hij in 2004 een overeenkomst met verweerder heeft gesloten en € 1.110,10 heeft betaald, voor twintig jaar huur en onderhoud van het graf van zijn moeder. Hij vindt dat hij daarmee alle kosten voor twintig jaar heeft afgekocht en is het er niet mee eens dat jaarlijks toch nog een aanslag wordt opgelegd voor de betaling van vastrecht. De rechtbank geeft eiser hierin geen gelijk en is van oordeel dat hij de opgelegde aanslagen moet betalen. Hieronder licht de rechtbank dat verder toe.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De Verordening op de heffing en invordering van grafrechten [naam 1] gemeente [Z] (de verordening) is per jaar gewijzigd. De voor deze zaak relevante inhoud van de verordening, met name de artikelen 2 en 5, zijn echter niet gewijzigd. De jaarlijkse rechten van eigen graven, dus de hoogte van de bedragen, die per kalenderjaar worden geheven, zijn wel per jaar gewijzigd en zijn weergegeven in de tabel in de bijlage.
Over de aanslag vastrecht over het jaar 2014 hebben de rechtbank4 en het gerechtshof5 al uitspraak gedaan. Veel van wat in die uitspraken staat, gaat ook op in deze zaken en daar zal de rechtbank dan naar verwijzen. Volgens eiser zijn deze uitspraken over de aanslag van 2014 onjuist, onder meer omdat de tarieventabel van 2004 waarover toen werd beschikt niet klopte. De rechtbank overweegt dat het hier gaat om uitspraken die al in rechte vast staan, oftewel ze zijn definitief. Daarom moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van die uitspraken. Over de tarieventabel van 2004 heeft het gerechtshof bovendien vastgesteld dat die voor de aanslag van 2014 geen onderdeel is van het toetsingskader.6 De rechtbank stelt vast dat dat nu, in deze zaken, niet anders is; de rechtbank toetst in deze zaken aan de verordening over de jaren 2015 tot en met 2018 en de tarieventabel 2004 speelt daarbij geen rol.
Wat ook al in de uitspraak van het hof aan de orde is geweest is, de ook hier aangevoerde grond van eiser, dat hij een civielrechtelijke overeenkomst met verweerder heeft over de grafrechten. Het gerechtshof heeft vastgesteld dat deze overeenkomst er niet aan in de weg staat dat vastrecht wordt geheven.7 Voor de heffing van het vastrecht moet wel een publiekrechtelijke wettelijke grondslag zijn. Maar, anders dan eiser meent, is die er. Ook in de onderhavige zaken is dat zo; de aanslagen zijn publiekrechtelijke beschikkingen en zijn gebaseerd op artikelen 2 en 5 van de verordening. Op grond van deze wettelijke grondslag heeft de heffingsambtenaar de aanslagen kunnen opleggen.
Eisers stelling dat tegenover de heffing geen geleverde dienst staat, zoals artikel 2 van de verordening vereist, volgt de rechtbank niet. De aanslag wordt geheven voor het onderhoud van de begraafplaats. Het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank om een dienst, dankzij welke de graven zijn voorzien van een goed onderhouden omgeving. Nabestaanden en andere huurders van graven hebben hier baat bij. Dat de begraafplaats feitelijk niet wordt onderhouden heeft eiser wel gesteld, maar is niet aannemelijk geworden. In codering 5.2.1.1 van de tabel bij de verordening is omschreven wat onder het onderhoud wordt verstaan. Voor zover de feitelijke uitvoering daarvan in deze zaak ter beoordeling voor kan liggen, overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft bestreden dat er geen onderhoud wordt gepleegd. Hij heeft toegelicht dat de begraafplaats onder meer een paar keer per jaar wordt schoongemaakt, meubilair zoals bankjes wordt onderhouden, onkruid wordt weggehaald, wandelpaden worden onderhouden, bomen worden gesnoeid en de watertappunten worden onderhouden. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Voor zover eiser aanvoert dat verweerder met een, niet toegestaan, winstoogmerk handelt bij de heffing van het vastrecht, verwijst de rechtbank naar wat zij hierover eerder al heeft overwogen over de aanslag van 2014 in rechtsoverweging 14: niet tegenover iedere afzonderlijke heffing hoeft een dienst met gelijke kosten te staan. Verweerder hoeft dit ook niet te specificeren. Wel is van belang dat de tarieven zo worden vastgesteld dat de totaal geraamde opbrengsten van de heffingen niet hoger zijn dan de totaal geraamde kosten van de diensten. Op de zitting in deze zaken heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de begroting van de vastrechten voor de jaren waar het hier om gaat niet kostendekkend waren. De tarieven voor vastrechten zijn daarom vanaf 2021 verhoogd. De rechtbank vindt deze toelichting van verweerder toereikend. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank ziet ook niet dat de aanslagen in strijd met het gelijkheidsbeginsel zijn opgelegd. Eiser wijst erop dat mensen die geen grafhuur betalen wel de begraafplaats kunnen bezoeken, omdat die openbaar is. Deze mensen hoeven geen vastrecht te betalen. De rechtbank overweegt dat het hier niet gaat om gelijke gevallen. De grafhuur is gekoppeld aan het vastrecht, waardoor het inderdaad zo is dat degenen die grafhuur betalen ook vastrecht betalen en andere bezoekers van de begraafplaats niet. Deze koppeling van grafhuur aan vastrecht mag de gemeente maken; degenen die grafhuur betalen hebben in het bijzonder baat bij het onderhoud van de omgeving. Het feit dat de gemeente de begraafplaats ook openstelt voor andere personen dan mensen die grafhuur betalen, ligt in deze zaak niet ter beoordeling voor en staat er niet aan in de weg dat van grafhuurders vastrecht wordt geheven.
Eiser wijst er terecht op dat verweerder soms de termen grafrecht en vastrecht door elkaar gebruikt. Maar dat maakt de aanslagen niet onrechtmatig. Eiser wist namelijk bij al deze aanslagen, zoals dat ook al het geval was over de aanslag van 2014, waarvoor hij werd geacht te betalen. Dat hij het met de heffing niet eens is, doet daar niet aan af.
Van eventuele andere schendingen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals vooringenomenheid of willekeur van de zijde van verweerder, is de rechtbank niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren.”
De overwegingen 3.1 tot en met 3.9 van de rechtbank in haar uitspraak betreffende de aanslag voor het jaar 2019 (AMS 20/6390) zijn vrijwel gelijkluidend aan voormelde overwegingen.
5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Wrakingsverzoek
Bij e-mailbericht van 14 november 2023 (22.28 uur) heeft belanghebbende verzocht om wraking van de voltallige zetel van de behandelende kamer (zie 1.11). Belanghebbende heeft daartoe het volgende aangevoerd:
“1. Het verzoek om bovengenoemde raadsheren te wraken is ingediend omdat zij bewust besloot om de evident onrechtmatige beslissingen in de zaak te nemen zonder belangrijkste basisbewijsstukken uit gemeente administratievesysteem en zonder duplicaten van authentiek Heffingsverordeningen van de Gemeenteraad, maar op grond van alleen door verweerder gefabriceerd ongeverifieerd ‘kopieén” van (vermeende) ‘aanslagen grafrechten” die werden nooit door mij ontvangen en kunnen niet bestaan, als bepaald in Heffingsverordening, en ook ongeverifieerd “kopieën” van Heffingsverordeningen zelf, die moten de inhoud van rechten en wijze van rechten heffen te bepalen, maar die in evident tegenspraak met elkaar zijn.
2. Op grond van de bovengenoemde feiten, omstandigheden en bewijzen vezoek ik om alle in deze wrakingsverzoek genoemde raadsheren te wraken omdat zij niet alleen vooringenomen zijn maar ook hun samenspanning met de verweerder is bewezen door het feit dat ondanks de drie uitstelverzoeken, gemotiveerd met objectieve feiten en schriftelijke bewijzen, deze raadsheren besloot door te gaan met zinloze zittingen en dus bewust deelnamen aan de misdrijven begaan door verweerder, evenals er zijn bewijzen (zie mijn brieven vanaf 24 oktober 2023, drie gegronde met bewijsstukken uitstelverzoeken en ongegronde, zonder enige motivatie afwijzingen van de gewrakte raadsheren) dat deze raadsheren klaar zijn om deelnamen aan de bovengenoemde ambtsmisdrijven en er zijn ook directe aanwijzingen van de (vermeende) corruptie binnen deze arrondissement.
3. Gezien het feit dat “... Het is mogelijk dat voor de zitting een wijzigen in de samenstelling van de zittingscombinatie plaatsvindt...’, als geschreven in de uitnodiging van 12 oktober 2023 (zie bijlage WO), deze Wrakingsverzoek wordt ook toegepast op de raadsheren die daadwerkelijk betrokken zouden zijn en de in de uitnodiging genoemde raadsheren zouden kunnen vervangen in de hoorzitting ingeplaande op 15 novmber 2023.”
Het Hof overweegt ter zake als volgt.
In zijn beslissing van 27 juli 2023, nr. 200.328.994/01, heeft de wrakingskamer van het Hof in de zaak betreffende het herzieningsverzoek van belanghebbende, met kenmerk 22/2436 (betreffende de aanslag 2014), onder meer het volgende bepaald:
“Wrakingsverbod
Verzoeker heeft zowel in de herzieningsprocedure bij de rechtbank als in de eerdere
procedures bij de rechtbank en dit hof waarin op 22 maart 2017 respectievelijk 7 januari 2020 uitspraak is gedaan, een verzoek tot wraking ingediend. Deze verzoeken zijn allemaal afgewezen. De wrakingskamer van de rechtbank heeft in de hoofdprocedure bovendien een wrakingsverbod opgelegd omdat verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder redelijk grond, heeft ingezet. Het hof is van oordeel dat verzoeker in deze procedure opnieuw lichtvaardig gebruik heeft gemaakt van het middel tot wraking en dat derhalve sprake is van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.”
Nu het onderwerpelijke geschil het hoger beroep met de kenmerken 22/2543 tot en met 22/2547 betreft (inzake de aanslagen 2015 tot en met 2019), heeft voormeld wrakingsverbod daarop niet rechtstreeks betrekking. Het Hof vindt desondanks aanleiding om het wrakingsverzoek niet in behandeling te nemen en overweegt ter zake als volgt.
Belanghebbende heeft over de door hem ontvangen aanslagen “vastrecht onderhoud” voor de jaren 2014 tot en met 2019 diverse procedures gevoerd bij de rechtbank en het Hof. Ter zitting in hoger beroep op 26 juni 2018, betreffende de aanslag 2014, heeft belanghebbende de zetel voor het eerst gewraakt. Dit wrakingsverzoek is afgewezen door de wrakingskamer bij uitspraak van 31 juli 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:1913). Nadien heeft belanghebbende in elke volgende procedure bij de belastingrechter telkenmale reeds voor de zitting de voltallige zetel gewraakt. Naast de onder 5.2 genoemde wraking van de zetel van het Hof die het hoger beroep met kenmerk 22/2436 zou behandelen op 28 juni 2023, heeft belanghebbende in cassatieberoep om wraking verzocht (zie Hoge Raad 8 november 2019, nr. 19/01526, ECLI:NL:HR:2019:1726) en heeft hij om wraking van de rechtbankzetel verzocht in de zaken AMS 20/6390, ECLI:NL:RBAMS:2022:6445 (zie r.o. 1.3), AMS 20/6386, 20/6387, 20/6388, 20/6389, ECLI:NL:RBAMS:2022:6446 (zie r.o. 1.4) en AMS 21/6086 (zie uitspraak wrakingskamer rechtbank Amsterdam nr. C/13/726626 / HA RK 22-404, ECLI:NL:RBAMS:2023:469). In laatstgenoemde uitspraak heeft de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam het volgende geoordeeld:
“3.7. Het onderhavige wrakingsverzoek is, zoals de Wrakingskamer ambtshalve bekend is, het derde wrakingsverzoek dat verzoeker in 2022 op min of meer dezelfde gronden en zonder succes heeft ingediend. Eenmaal is verzoeker wegens misbruik van het wrakingsinstrument zelfs een verbod opgelegd om opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen. Omdat verzoeker het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder grond, heeft ingezet, is naar het oordeel van de Wrakingskamer sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking van de rechter belast met de behandeling van deze zaak van verzoeker niet in behandeling worden genomen.”
In de aanloop naar de zitting van 15 november 2023 heeft belanghebbende een groot aantal brieven naar het Hof gestuurd, waarin hij ‘eist’ dat het Hof bepaalde procesbeslissingen neemt, zoals het opvragen van stukken bij de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:45 Awb en het uitstellen van de zitting in afwachting van de desbetreffende stukken. Op zaterdag 11 november 2023 heeft belanghebbende voor de derde maal om uitstel verzocht en daarbij het volgende vermeld:
“Met deze verzoek ik nogmaals om de zinloze op dit tijdstip hoorzitting over “Aanslag Vastrecht Onderhoud” onmiddelijk (vóór 14 november 2023) uit te stellen totdat belangrijkste in punten (a)-(d) genoemde basis bewijsstukken, noodzakkelijke zijn om rechtmatige beslissingen in de zaak te nemen, verstrekt worden.
Anders, door het feit van niet uit te stellen van zinloze op dit moment hoorzitting over "Aanslag Vastrecht Onderhoud", zal raadsheren objectieve bewijzen verstrekken van de in punt 7 genoemde vermoedens en ook niet alleen van hun vooringenomemheid en samenspanning van de rechterlijke en gemeentelijke ambtenaren, maar ook bewijzen over hun bewust deelname aan (georganiseerde) ambtelijke misdaad.”
Nadat het Hof ook dit derde uitstelverzoek heeft afgewezen, heeft belanghebbende wederom om wraking van de voltallige zetel verzocht.
De zaken 22/2543 tot en met 22/2547 betreffen in wezen hetzelfde geschil als het geschil dat voorlag in de zaak 22/2436 en waarop het ‘wrakingsverbod’ betrekking heeft. Deze zaken worden door het Hof gelijktijdig behandeld. De tekst van het wrakingsverzoek van 14 november 2023, dat betrekking heeft op de zaak 22/2436, is gelijkluidend aan het wrakingsverzoek van dezelfde datum dat betrekking heeft op de zaken 22/2543 tot en met 22/2547. Onder deze omstandigheden is het wrakingsverzoek dat betrekking heeft op de zaken 22/2543 tot en met 22/2547 te beschouwen als een wrakingsverzoek in dezelfde zaak als de zaak waarin eerder het wrakingsverzoek is gedaan (22/2436) dat is afgewezen en waarin de wrakingskamer van het Hof heeft bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Mitsdien wordt ook op de onderhavige zaken het wrakingsverbod dat in de zaak 22/2436 is uitgesproken van toepassing geacht. Een en ander en – voor zover nodig – onder verwijzing naar Hoge Raad 16 maart 2021, nr. 19/04540, ECLI:NL:HR:2021:370, r.o. 2.7.1 en 2.7.2, waarbij voor artikel 512 Sv dient te worden gelezen artikel 8:15 Awb.
Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe. Voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op het niet bewilligen in een (herhaald) verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling, omdat belanghebbende eerst door hem opgebrachte onderzoekswensen ingewilligd wenst te zien, overweegt het Hof dat de beslissing van het Hof om de mondelinge behandeling van 15 november 2023 niet uit te stellen, geen beslissing inhield over die onderzoekswensen en ook niet als een zodanige beslissing kan worden opgevat. In dit verband wijst het Hof tevens op hetgeen hierna onder 5.10 is overwogen.
Naar ’s Hofs oordeel maakt belanghebbende, mede gelet op hetgeen onder 5.3, 5.6 en 5.7 is overwogen, structureel misbruik van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen en daarmee van het procesrecht. Ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het verzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de leden van de zetel schade kan leiden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Van een wrakingsverzoek in de zin van artikel 8:15, lid 1, Awb is daarom geen sprake (vgl. Hoge Raad 16 maart 2021, nr. 19/04540, ECLI:NL:HR:2021:370, r.o. 2.7.3).
Het Hof vindt in hetgeen hiervoor is overwogen reden om het wrakingsverzoek niet in behandeling te nemen.
Verzoeken om uitstel
Belanghebbende heeft driemaal om uitstel van de zitting verzocht, omdat hij wenst dat het Hof bepaalde stukken opvraagt bij de heffingsambtenaar en het volgens belanghebbende niet zinvol is om een mondelinge behandeling te laten plaatsvinden zolang de door hem verlangde stukken niet zijn overgelegd. Het Hof heeft deze verzoeken telkenmale afgewezen. Het Hof heeft geen reden gezien om het doorgaan van de zitting van 15 november 2023 afhankelijk te maken van de bewilliging in de door belanghebbende gedane onderzoekswensen. Belanghebbende zou ter zitting van 15 november 2023 de gelegenheid hebben die wensen toe te lichten. Bij die gelegenheid zou dan ook de wederpartij in de gelegenheid zijn zich over de onderzoekswensen van belanghebbende uit te laten. Redenen om van deze – te doen gebruikelijke – gang van zaken af te wijken zijn niet aangevoerd. Ook overigens zijn geen redenen aangevoerd die tot uitstel van de zitting zouden hebben genoopt.
De onderzoekswensen van belanghebbende 5.11. Het Hof ziet geen reden om tegemoet te komen aan de onderzoekswensen van belanghebbende. Belanghebbende verzoekt het Hof de volgende “noodzakelijke basis bewijsstukken” op te vragen bij de heffingsambtenaar:
“7. Verwijzend naar het punt 6 hierboven en rekeninghouden met objectieve feiten (zie punten 2-6) herhaal ik dat zonder de volgende belangrijkste basis bewijsstukken geen rechtmatige beslissingen in deze zaak kunnen worden genomen, en dus verzoek ik het Hof verweerder te verplichten, als bepaald in art. 8:29-8:31, 8:45 van de Awb, om deze belangrijkste noodzakkelijk basis bewijsstukken te verstrekken:
7.1a) Duplicaat van "Aanslagen Grafrechten" op mijn naam voor de jaren 2015-2019 uit de heffings- en invorderingsregisters van gemeente [Z] .
7.1b) Of duplicaat van eventuele "Aanslagen" met betrekkiing tot de begraafplaats [naam 1] die feijtelijk geregistreerd zijn op mijn naam voor de jaren 2015 - 2019 in de heffings- en invorderingsregisters van gemeente [Z] , in het geval indien "Aanslagen Grafrechten", genoemd in punt 8.1a, niet bestaan.
7.2) Duplicaat van de volledig authentiek (ondergetekend) Heffingsverordening [naam 1] voor het jaar 2004 met bijbehorende authentiek document: of Tarieven 2004 (bijlage AB7) of Tabel 2004 (bijlage AB8).
7.3) Duplicaten van de volledig authentiek (ondergetekend) Heffingsverordeningen [naam 1] voor de jaren 2015 - 2019 met bijbehorende Tabelen 2015-2019.”
Onderwerp van geschil zijn de aanslagen “vastrecht onderhoud” die zijn opgelegd voor de jaren 2015 tot en met 2019. Kopieën van de desbetreffende aanslagbiljetten zijn door belanghebbende overgelegd en behoren dus tot de stukken van het geding. Reeds daarom bestaat geen aanleiding om andere aanslagen op te vragen bij de heffingsambtenaar.
De verordeningen waarop de aanslagen “vastrecht onderhoud” zijn gebaseerd behoren tot de gedingstukken en zijn bovendien ook thans nog digitaal raadpleegbaar op de website lokaleregelgeving.overheid.nl.
Beoordeling van de hoofdzaak
De rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt het oordeel van de rechtbank over, maakt de door de rechtbank gebezigde overwegingen tot de zijne, en voegt hier nog het volgende aan toe.
In de verordeningen op de heffing en invordering van grafrechten die door de gemeente [Z] jaarlijks zijn vastgesteld voor de begraafplaats [naam 1] , wordt voorzien in de heffing van diverse grafrechten. Het jaarlijks van belanghebbende geheven “vastrecht onderhoud” is één van de in de verordeningen ingestelde grafrechten.
De jaarlijks aan belanghebbende opgelegde aanslagen “vastrecht onderhoud” vinden hun rechtsgrond in de desbetreffende verordeningen van de gemeente [Z] (zie 2.4) en zijn daarmee in overeenstemming. Anders dan belanghebbende betoogt is het instellen van de diverse grafrechten voor ‘onderhoud’ in genoemde verordeningen niet slechts mogelijk indien en voor zover de ‘Beheersverordening [naam 1] 1990’ daarin voorziet. De bevoegdheid tot het instellen en heffen van de onderhoudsrechten wordt door de gemeente [Z] niet ontleend aan genoemde Beheersverordening [naam 1] 1990 (zie [website] ), maar aan artikel 229, lid 1, aanhef en onder b, Gemeentewet. Op grond van die bepaling kunnen rechten worden geheven ter zake van “het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten”. Daaronder valt, anders dan belanghebbende betoogt, ook het algemene onderhoud van de begraafplaats. Het standpunt van belanghebbende dat bezoekers van de begraafplaats die geen graf huren of bezitten evenzeer profiteren van het algemene onderhoud van de begraafplaats, maar daar niets voor betalen, is op zichzelf juist, maar anders dan hij betoogt vormt dit geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Een bezoeker van de begraafplaats die geen graf huurt of bezit kan niet worden aangemerkt als een ‘gelijk geval’ als iemand – zoals belanghebbende – die wel een graf huurt of bezit op de begraafplaats.
Belanghebbende heeft het “vastrecht onderhoud”, dat dient ter dekking van de algemene kosten van het onderhoud van de begraafplaats, bij aanvang van de huur van het graf niet afgekocht. Uit de door belanghebbende ingebrachte verkorte tarieftabel 2004 (zie 2.3) blijkt immers dat in 2004 het jaartarief voor het vastrecht € 47,50 bedroeg en het afkopen voor de hele periode van 20 jaar € 950,00. Belanghebbende heeft blijkens de door hemzelf ingebrachte opdrachtbon (zie 2.4) € 47,50 betaald voor één jaar, zodat van afkoop geen sprake is.
De omstandigheid dat belanghebbende een ‘eigen graf’ heeft gehuurd voor een periode van 20 jaar en daarvoor bij aanvang van de huur eenmalig € 1.110,10 heeft betaald, brengt niet met zich dat hij gedurende die 20 jaar niet verplicht kan worden om jaarlijks een bijdrage te betalen voor het onderhoud van de begraafplaats. De verschuldigde rechten worden jaarlijks vastgesteld bij verordening (zie 2.4). Dat belanghebbende in 2004 een duurzame rechtsbetrekking is aangegaan, die door hem feitelijk niet kan worden beëindigd, rechtvaardigt behoudens hier niet gebleken bijzondere omstandigheden niet de verwachting dat het “vastrecht onderhoud” gedurende de looptijd niet op een hoger tarief zal worden vastgesteld dan het tarief dat gold bij het aangaan van die rechtsbetrekking (€ 47,50, zie 2.2 en 2.3).
Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6. Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7. Beslissing
Het Hof:- stelt het wrakingsverzoek buiten behandeling, en- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 21 december 2023 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: