ECLI:NL:GHAMS:2023:3782

ECLI:NL:GHAMS:2023:3782, Gerechtshof Amsterdam, 10-01-2023, 23-001065-21

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 10-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23-001065-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:530
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Besturen van motorvoertuig terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard

Uitspraak

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2020 te Hoorn terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Kruiwerk, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken en daartoe kortgezegd het volgende aangevoerd. In de eerste plaats ontkent de verdachte op 28 maart 2020 een personenauto te hebben bestuurd. Ten tweede kan – gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1146) – niet worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hij wist niet wat de status van zijn rijbewijs is. De brief van het CBR waaruit blijkt dat het rijbewijs is teruggestuurd en daarna ongeldig is verklaard, is niet bij het CBR retour gekomen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de verdachte die heeft ontvangen. Daarna is het rijbewijs naar het CBR gestuurd door het CVOM. Er is geen actieve handeling geweest door de verdachte.

Het hof overweegt dat uit de stukken van het CBR blijkt dat de betreffende stukken zijn verstuurd naar het GBA-adres van de verdachte destijds. Daarmee acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt aldus verworpen.

Voorwaardelijke verzoeken

De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, om de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] te horen als getuigen. Weliswaar zijn er inspanningen verricht om [getuige 1] te horen, waarna deze niet bij de raadsheer-commissaris is verschenen, maar deze inspanningen zijn verricht over een beperkte periode. Het is nog steeds mogelijk hem te horen. Indien dat toch niet mogelijk blijkt, dan kunnen het verhoren van [getuige 2] en [getuige 3] dienen ter compensatie.

Gezien de bevindingen van de raadsheer-commissaris weigert de eerder toegewezen getuige [getuige 1] een verklaring af te leggen. Het verzoek is destijds op verzoek van de verdachte toegewezen, omdat [getuige 1] volgens verdediging bereid zou zijn te verklaren maar dat blijkt niet het geval. Het hof acht een nieuwe aanhouding van de zaak voor een nieuwe oproeping van deze getuige, al dan niet ter zitting, niet aangewezen ook in het licht van het belang van de voortgang van de berechting en – met name – gezien de inhoud van de nadere processen-verbaal van de verbalisanten. Van het nu ter compensatie – voorwaardelijk – verzochte verhoor van [getuige 2] en [getuige 3] vindt het hof dat dit, mede gelet op de in de kort hiervoor benoemde feiten en omstandigheden, niet noodzakelijk is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 28 maart 2020 te Hoorn terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Kruiwerk, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.

Bewijsmiddelen

De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.

1. Een proces-verbaal artikel 9 WVW van 17 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pag 2 t/m 4 procesdossier,

inhoudende (zakelijk weergegeven):

“Ik, bovengenoemde verbalisant, zag dat op genoemde dag, datum, tijdstip en plaats [verdachte] als bestuurder reed op genoemde weglocatie. Er is een onderzoek ingesteld naar aanleiding van: Negeren stopteken en wegrennen bestuurder. Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor

een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.”

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pag 6 en 7 procesdossier;

inhoudende en zakelijk weergegeven als waarneming van verbalisanten:

“Op zaterdag 28 maart 2020, omstreeks 04.30 uur bevonden wij ons, verbalisanten, in uniform gekleed en rijdend in een onopvallende dienstauto op de voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaand weg, de Kleine Wijzend te Hoorn. Wij zagen daar een bestuurder van een personenauto, merk: Volkswagen, kenteken: [kenteken] rijden. Bij navraag in de politiesystemen bleek het kenteken te zijn afgegeven aan de ons ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats], wonende [adres 3]. Het was ons bekend dat het rijbewijs van deze [verdachte] ongeldig was verklaard. Wij gaven door middel van een stoptransparant aan deze bestuurder een stopteken. Wij zagen dat dat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand bracht op het Krulwerk te Hoorn. Wij reden toen direct achter deze auto en stopten op een paar meter achter de auto. Wij zagen dat de bestuurder zijn portier opende, uitstapte, naar achteren keek en vervolgens

zagen wij dat de bestuurder wegrende en verdween in de wijk. Wij herkenden de bestuurder voor 100% als zijnde [verdachte] , hierboven genoemd.”

3. Een geschrift, zijnde een kopie van een aangetekende brief van 10 oktober 2018 van [naam] aan [verdachte] , pag 11 en 12 procesdossier,

inhoudende,

“Dossiernummer Datum

[nummer 1] 10 oktober 2018

Onderwerp: Uitslag onderzoek, besluit: rijbewijs ongeldig

Geachte heer [verdachte] ,

U heeft een onderzoek naar uw drugsgebruik gehad. De uitslag van het onderzoek is dat u niet geschikt bent om te rijden. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 17 oktober 2018. En mag u niet meer rijden.

Het onderzoek

U heeft onder meer een lichamelijk onderzoek, een psychiatrisch onderzoek en een urineonderzoek

gehad. Het CBR heeft het onderzoeksrapport ontvangen.

Uit het onderzoek blijkt:

- misbruik van drugs conform de DSM-IV (-TR)-classificatie. Ook is de keurend arts tot de psychiatrische diagnose misbruik van drugs op basis van alle relevante gegevens gekomen.

- u bent nog niet gestopt met het drugsmisbruik.

Waarom is uw rijbewijs ongeldig?

Uit het onderzoek blijkt dat er bij u sprake is van drugsmisbruik. Volgens de regelgeving bent u dan niet geschikt om te rijden. En u blijft ongeschikt, totdat u bent gestopt met het drugsmisbruik én dat een jaar volhoudt.

Wat moet u doen?

U mag niet rijden. Doet u dat toch, dan bent u strafbaar en kan er een gevangenisstraf, taakstraf en/of

geldboete worden opgelegd.

[naam]

Teammanager Vorderingen, divisie Rijgeschiktheid”

4. Een geschrift, zijnde een kopie van een brief van 14 januari 2020 van het CBR, divisie Rijgeschiktheid aan de heer [verdachte] , pag. 11 CBR stukken,

inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Datum

14 januari 2020

Onderwerp Ontvangstbevestiging rijbewijs

Geachte heer [verdachte] ,

We hebben uw rijbewijs met nummer [nummer 2] van Centrale Verwerking Openbaar Ministerie te

Utrecht ontvangen.

Met vriendelijke groet,

De algemeen directeur van het CBR (…)”

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2020059680-8 van 28 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] ,

inhoudende voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

“Op 28 maart 2020 omstreeks 04.25 uur reed ik met mijn collega [verbalisant 1] als bestuurder ineen opvallende dienstauto. Ik gaf de bestuurder van een personenauto met kenteken [kenteken] een stopteken. Ik zag dat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand brachten ik zag dat de bestuurder zijn portier opende, half uitstapte en direct naar achteren keek. Ik stond op dat moment half naast de auto, met mijn hoofd boven het portier. Ik keek dus recht in het gezicht van de bestuurder. Ik herkende deze bestuurder direct als de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] vervolgens wegrende.

[verdachte] heeft meerdere malen met foto op de briefing gestaan en ik heb [verdachte] meerdere malen gesproken tijdens het werk”

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2020059680-7 van 28 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] ,

inhoudende voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

“De straat waarin wij tot stilstand kwamen betreft een hofje met voldoende straatverlichting. De koplampen van het dienstvoertuig schenen ook op het voertuig met kenteken [kenteken], omdat ons voertuig enkele meters achter het voertuig stond. Ik zag een man uitstappen aan de bestuurderszijde. Tijdens het uitstapen keek de man mijn richting op. Hierdoor kon ik zijn gezicht goed zien. [verdachte] is mij ambtshalve bekend omdat hij bekend. Hierdoor heeft [verdachte] meerdere malen met foto bij ons op de briefing gestaan. Ik heb [verdachte] ook gesproken tijdens reguliere controles dan wel werkzaamheden.”

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 28 maart 2020 een personenauto bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Door dit te doen en de ongeldigverklaring te negeren, heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig aan te trekken van de in het weg- en maatschappelijk verkeer geldende regels en de daarmee beoogde verkeersveiligheid.

Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als oriëntatiepunt voor het besturen van een motorrijtuig in geval van ongeldig verklaard rijbewijs een gevangenisstraf van 2 weken opgenomen. De verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 december 2022 meermaals eerder terzake van verkeersfeiten veroordeeld. Het hof ziet hierin aanleiding een (deels) voor voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 oktober 2018, parketnummer 96-003398-18, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week en een geldboete van € 950,00. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf gedeeltelijk worden gelast, te weten ten aanzien van de gevangenisstraf. Ten aanzien van de geldboete wordt de vordering afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 oktober 2018, parketnummer

96-003398-18, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de geldboete voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 oktober 2018, parketnummer 96-003398-18

De voorzitter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en bij afwezigheid van de griffier uitsluitend door de voorzitter is ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?