Voorvragen
De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Hij heeft hiervoor, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
Na het onherroepelijk worden van de uitspraak zal – op grond van de recidiveregeling van artikel 123b Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) – automatisch het rijbewijs van verdachte ongeldig worden verklaard voor onbepaalde duur. In de praktijk betekent de werking van artikel 123b WVW 1994 voor de verdachte dat zijn (groot) rijbewijs permanent ongeldig wordt verklaard. In elk specifiek geval moet worden beoordeeld of strafrechtelijke normhandhaving a) nog een redelijk te dienen doel dient en b) proportioneel is. Dat is hier niet het geval. Deze regeling draagt een punitief karakter en moet aangemerkt worden als een ‘criminal charge’ in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte strafrechtelijk vervolgen staat, in het licht van de onafwendbare bestuursrechtelijke gevolgen, op gespannen voet met het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging en met het ne bis in idem-beginsel. Daarbij is van belang dat door de overheid deze wettelijke bepaling niet meer als wenselijk wordt beschouwd, gelet op het wetsvoorstel dat ertoe strekt de recidiveregeling te vervangen.
Voorts is de regeling van artikel 123b WVW 1994 in strijd met artikel 47 van het EU Handvest, omdat er geen rechtsmiddel tegen kan worden ingesteld. Omdat de werking van die recidiveregeling een direct gevolg is van vervolging in deze zaak, kan hier niet zonder meer overheen worden gestapt.
Subsidiair is betoogd dat het hof prejudiciële vragen zou moeten stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, over de verhouding van artikel 123b WVW 1994 tot artikel 47 van het Handvest.
Het hof overweegt als volgt.
Wanneer het openbaar ministerie zijn in artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheid inzet om vervolging te laten plaatsvinden, kunnen alleen uitzonderlijke met die vervolgingsbeslissing samenhangende omstandigheden beletten dat de rechter een inhoudelijk oordeel velt over de in de tenlastelegging vervatte beschuldiging. Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
De recidiveregeling van art. 123b WVW 1994 heeft bij onherroepelijke veroordeling tot gevolg dat de geldigheid van het rijbewijs komt te vervallen. Daaruit volgt echter niet dat, gelet op onder meer het belang van normhandhaving door berechting van de strafrechter, iedere grond voor vervolging wegens rijden onder invloed ontbreekt (HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:401). Dat het er gelet op de leeftijd van de verdachte voor moet worden gehouden dat hij nooit meer opnieuw een groot rijbewijs zou kunnen halen, en dat de ontvankelijkheidsbeoordeling daarom anders uit zou moeten vallen, vermag het hof niet in te zien.
In de omstandigheid dat momenteel een wijziging van artikel 123b WVW 1994 wordt voorbereid, ziet het hof ook geen aanleiding om af te wijken van de door het hof hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof is gebonden aan de wet zoals die nu geldt. Ondanks alle kritiek op de recidiveregeling van artikel 123b van de WVW 1994, is deze wet nog steeds van kracht.
Het is niet aan de strafrechter om in het kader van de vervolging wegens rijden onder invloed te beoordelen, of tegen de recidiveregeling van artikel 123b WVW 1994 een doeltreffende voorziening in rechte openstaat als bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest. Na onherroepelijke veroordeling door de strafrechter zal de verdachte kunnen bezien of en zo ja welke voorzieningen dan openstaan tegen de rechtsgevolgen van genoemde regeling, waarbij zo nodig ook een beroep op de burgerlijke rechter als restrechter zal kunnen worden overwogen. Het verweer wordt verworpen. Het hof ziet ook geen aanleiding om in het kader van deze strafrechtelijke vervolging wegens rijden onder invloed, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het verzoek daartoe wordt verworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 augustus 2020 te Purmerend, als bestuurder van een motorrijtuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 800 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat:
hij op 18 augustus 2020 te Purmerend, als bestuurder van een motorrijtuig, (snorfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 800 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Bewijsmiddelen
De in de bewijsmiddelen opgenoemde feiten en omstandigheden leveren de redengevende feiten en omstandigheden op, waarop de beslissing van het hof steunt, dat het ten laste gelegde en bewezen geachte feit door verdachte is begaan.
Nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv:
1. de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2023;
2. een proces-verbaal ter zake van artikel 8 Wegenverkeerswet van 18 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar;
3. een geschrift, te weten de ademanalyse van 18 augustus 2020.
Het hiervoor vermelde bewijsmiddel, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, wordt slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (800 microgram).
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld voor een gelboete ter hoogte van 400,00 euro subsidiair 8 dagen hechtenis waarvan 200,00 euro subsidiair 4 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 42 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 WVW 1994.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 400,00 euro subsidiair 8 dagen hechtenis waarvan 200,00 euro subsidiair 4 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 42 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 WVW 1994.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft door op de openbare weg onder invloed van alcohol een motorrijtuig (snorfiets) te besturen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 maart 2023 is de verdachte meermalen eerder veroordeeld voor rijden onder invloed. Deze veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden wederom de Wegenverkeerswet te overtreden. Dit valt de verdachte in hoge mate te verwijten.
Omwille van de verkeersveiligheid acht het hof oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. Alles afwegende en mede in aanmerking genomen het als gevolg van deze veroordeling te verwachten verlies van de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte, ziet het hof aanleiding om alleen deze ontzegging op te leggen, en dan nog in voorwaardelijke vorm.
Het hof ziet geen aanleiding tegemoet te komen aan het verzoek van de raadsman de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Het hof acht het feit daarvoor te ernstig.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
De voorzitter geeft aan verdachte kennis dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen tegen dit arrest en maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter terechtzitting van dat recht afstand te doen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer is vastgesteld en ondertekend, zijnde de griffier tot een en ander buiten staat.