ECLI:NL:GHAMS:2024:1451

ECLI:NL:GHAMS:2024:1451, Gerechtshof Amsterdam, 30-04-2024, 22/432

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 30-04-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/432
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:827
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320

Samenvatting

Naheffingsaanslagen loonheffingen. In geschil: juiste toepassing premiekorting oudere werknemers, resp. premiekorting jonggehandicapte werknemers. Ook een latere kwalificerende dienstbetrekking kan dienen als startpunt van de premiekorting. Belanghebbende hoeft niet aannemelijk te maken dat niet al eerder premiekorting is toegepast.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 22/432

30 april 2024

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [naam ] )

tegen de uitspraak van 10 mei 2022 in de zaak met kenmerk HAA 21/928 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is op 27 december 2019 over de jaren 2014 tot en met 2017 een naheffingsaanslag loonheffingen ad € 120.141 (uitgesplitst: € 14.682 (2014), € 26.512 (2015), € 29.502 (2016) en € 49.445 (2017)) opgelegd. Bij gelijktijdige beschikking zijn tevens verzuimboeten opgelegd ten bedrage van € 1.325 (2015), € 2.950 (2016) en € 4.944 (2017).

Belanghebbende heeft hiertegen op 9 januari 2020 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 8 januari 2021 heeft de inspecteur deze beschikkingen gehandhaafd, met uitzondering van de verzuimboete voor het jaar 2015. De inspecteur heeft deze boete vernietigd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 8 januari 2021 heeft de rechtbank als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde verzuimboeten en ongegrond voor het overige;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, doch uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde verzuimboeten;

- vermindert de voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde verzuimboeten tot respectievelijk € 2.713 en € 4.665;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 569,25; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij de griffie van het Hof ingekomen op 22 juni 2022, en nader aangevuld bij brief van 25 juli 2022. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2023. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken onder nummers 22/430 en 22/431. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.

Belanghebbende heeft op bij schrijven van 2 november 2023 nadere stukken aangeleverd. De inspecteur heeft hier op 20 november 2023 op gereageerd.

Bij brief van 7 december 2023 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend hetgeen ter kennisneming aan de inspecteur is gezonden.

Bij brieven van 31 januari 2024 (belanghebbende) en 8 februari 2024 (de inspecteur) hebben partijen het Hof laten weten dat een nadere mondelinge behandeling van de zaken achterwege kan blijven.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

Feiten

1. Eiseres exploiteert een uitzend- en detacheringsorganisatie met een focus op de sectoren groen, bouw en grond-, weg- en waterbouw. Zij plaatst ook mensen met een achterstand tot de arbeidsmarkt. Voor deze medewerkers wordt in sommige gevallen een beroep gedaan op de premiekortingen van de Wet financiering sociale verzekeringen (tekst 2014-2017; hierna: Wfsv).

2. Door middel van de onderhavige naheffingsaanslag heeft verweerder een gedeelte van de in aanmerking genomen premiekorting gecorrigeerd. Het gaat daarbij onder meer om premiekorting op grond van artikel 47 van de Wfsv voor de werknemers [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en premiekorting op grond van artikel 49 van de Wfsv voor de werknemers [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .

Hof gaat ook van deze feiten uit en vult deze als volgt aan

Tot de gedingstukken behoren gegevens ten aanzien van de werknemers [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 5] .

Ten aanzien van [naam 1] behoort tot de gedingstukken een overzicht van zijn gegevens bij belanghebbende voor het jaar 2010: hierop is vermeld “Begin tijdvak: 01-01”.

Ook behoort een doelgroepverklaring ten aanzien van [naam 1] tot de gedingstukken. Hierop is als datum indiensttreding “ 26 maart 2012” vermeld. Op de verklaring staat tevens dat het document verstrekt is in verband met indiensttreding per 26 maart 2012 en dat [naam 1] op de datum direct voorafgaande aan indiensttreding recht had op een WW-uitkering.

In een tot de gedingstukken behorende arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en [naam 1] is als startdatum 26 maart 2012 vermeld.

Ten aanzien van [naam 2] behoort tot de gedingstukken een overzicht van zijn gegevens bij belanghebbende voor het jaar 2012 waarop is vermeld “Begin tijdvak: 18-02” en “Datum Aanvang Inkomstenverhouding:18-02-2012”

Ook behoort een doelgroepverklaring ten aanzien van [naam 2] tot de gedingstukken. Hierop is als datum indiensttreding “6 maart 2013” vermeld.

Een tot de gedingstukken behorende uitzendovereenkomst tussen belanghebbende en [naam 2] vermeldt als startdatum 6 maart 2013.

Ten aanzien van [naam 3] behoort tot de gedingstukken een overzicht van zijn gegevens bij belanghebbende voor het jaar 2011 waarop is vermeld “Begin tijdvak: 07-03”.

Ook behoort een doelgroepverklaring ten aanzien van [naam 3] tot de gegevens. Hierop is als datum indiensttreding “10 januari 2012” vermeld.

Een tot de gedingstukken behorende uitzendovereenkomst tussen belanghebbende en [naam 3] vermeldt als startdatum 10 januari 2012.

Ten aanzien van [naam 5] behoort tot de gedingstukken een overzicht van zijn gegevens bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voor het jaar 2012 waarop is vermeld “Begin tijdvak: 01-01” en “Datum Aanvang Inkomstenverhouding: 28-11-2008”.

Een tot de gedingstukken behorende uitzendovereenkomst tussen belanghebbende en [naam 5] vermeldt als startdatum 22-04-2014.

In het proces verbaal van de zitting van 24 oktober 2023 is onder meer het volgende opgenomen.

“Het Hof zal daarom het onderzoek in de voorliggende zaken aanhouden en vraagt aan belanghebbenden - op wie de bewijslast ligt en die aannemelijk moeten maken – om per werknemer (waarvoor de geclaimde premiekorting in geschil is) te onderbouwen:

wat de voorgestane startdatum van de in aanmerking te nemen premiekortingsperiode is (dat kan dus, naar het voorlopig oordeel van het Hof, ook bij de aanvang van een latere nieuwe dienstbetrekking zijn, maar het moet wel het aanvangstijdstip van een dienstbetrekking zijn, de termijn start dus niet pas bij de ontvangst van de doelgroepverklaring);

wat de einddatum is van de premiekortingsperiode dus plus een onderbouwing van eventuele relevante onderbrekingsperioden);

in voorkomende gevallen ook (bijv. bij werknemer Van Klingeren) voor hoeveel uur recht bestaat op premiekorting;

een onderbouwing van de uitkeringsgerechtigheid direct voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking.

Ook verzoekt het Hof aan belanghebbenden om te laten weten of het klopt dat over de eerder genoemde werknemers [naam 7] , [naam 8] en [naam 4] en [naam 6] in hoger beroep geen geschil meer bestaat. “

Het Hof wijst er nog uitdrukkelijk op dat het standpunt van belanghebbende soms niet met de feiten te rijmen is, omdat uit het dossier blijkt dat al eerder premiekorting voor een werknemer is toegepast, terwijl belanghebbende een latere ingangsdatum voorstaat. Ook daar wil het Hof graag duidelijkheid over hebben. ”

In het nader stuk van belanghebbende van 2 november 2023 is, voor zover van belang, opgenomen:

“Naar aanleiding van de zitting in bovengenoemd zaaknummer en het daaropvolgend proces

verbaal doe ik u hierbij, per werknemersdossier de stukken toekomen die de door ons

toegepaste premiekortingsperiode onderbouwen.

In dit zaaknummer ging het om de werknemersdossiers van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en

[naam 5] . Met name bij [naam 1] en [naam 5] geeft de inspecteur aan dat nergens uit blijkt dat op de

door ons aangegeven startdatum een dienstbetrekking is aangevangen.

De genoemde stukken treft u, als bijlage, bij deze brief aan. In elk dossier gaat het om de

volgende documenten:

1. Het eerste arbeidscontract en de doelgroepverklaring om de aanvang van het door

ons genoemde startdienstverband te onderbouwen;

2. Het “Pensioenoverzicht” om de gewerkte weken in de relevante jaren te

onderbouwen en

3. Het urenoverzicht, waarin de gewerkte uren per gewerkte week kunnen worden

teruggevonden.

Met betrekking tot de medewerkersdossiers in dit zaaknummer concluderen wij dat de

stukken aansluiten bij hetgeen wij in ons beroepschrift opmerken. Een en ander behoeft

daardoor geen verdere toelichting. De becijfering van hetgeen te veel betaald is op de

naheffingsaanslagen is opgenomen in het beroepschrift.

Tenslotte wijs ik er nog op dat in eerste aanleg ook de dossiers van [naam 6] en [naam 4]

onderwerp van discussie waren. U wilde weten of het een bewuste keuze was deze namen

in tweede aanleg niet terug te laten komen. Dat kan ik inderdaad bevestigen.”

In de reactie van de inspecteur van 20 november 2023 is, voor zover van belang, opgenomen:

Werknemer [naam 1]

Betrokkene is geboren op [datum 1] . Betrokkene is op 16 maart 2009 bij belanghebbende in dienst getreden. Op het moment van indiensttreding was betrokkene ouder dan 50 jaar. Bovendien had betrokkene direct voorafgaand aan het dienstverband recht op een WW-uitkering. Dit is een uitkering genoemd in artikel 47 Wfsv (zie schermprints bijlage 22 van het verweerschrift in eerste aanleg).

Belanghebbende heeft deze op 16 maart 2009 aangegane arbeidsovereenkomst niet meegestuurd. Het is mitsdien niet vast te stellen of er sprake is van een fulltime dienstverband of een deeltijd dienstverband. De omvang van de te claimen premiekorting is daarom ook nu niet vast te stellen (bijlage 22 bij het verweerschrift in eerste aanleg).

Belanghebbende krijgt op 26 maart 2012 een uitzendovereenkomst fase B contract. Belanghebbende tot op heden niet de uitzendovereenkomst fase A verstrekt. Mij zijn er geen onderbrekingen van het dienstverband bekend vanaf de periode van 16 maart 2009. De door belanghebbende overgelegde fase B overeenkomst betreft een omzetting van de uitzendovereenkomst fase A in fase B. Hiermee is geen sprake van een nieuwe indiensttreding. Daarom dient voor aanvang premiekortingsperiode uit te worden gegaan van de dienstbetrekking die op 16 maart 2009 is aangevangen.

Mocht uw Gerechtshof van mening zijn dat de op 26 maart 2012 aangegane overeenkomst een nieuwe indiensttreding is, dan merk ik het volgende op. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, Regeling Wfsv, kan een werkgever de premiekorting voor het in dienst nemen van een oudere werknemer niet toepassen bij het opnieuw in dienst treden van deze werknemer bij dezelfde werkgever binnen 3 jaren nadat voor deze werknemer de premiekortingsduur voor

de betreffende premiekorting is genoten. Dit betekent dat mocht 26 maart 2012 ook als een nieuwe indiensttreding worden aangenomen, quod non, en tevens worden voldaan aan de overige vereisten voor het kunnen toepassen van de premiekortingen, dit nog niet betekent dat een nieuwe premiekortingsperiode aanvangt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet vanaf de-indiensttreding op 16 maart 2009 reeds premiekorting is toegepast. Dit betekent dat met betrekking tot betrokkene belanghebbendes beroep ongegrond moet

worden verklaard.

Werknemer [naam 2]

Voor betrokkene verwijs ik allereerst naar hetgeen ik heb beschreven in eerdere stukken. Daarnaast merk ik het volgende op.

Belanghebbende heeft deze op 18 februari 2012 aangegane arbeidsovereenkomst niet meegestuurd. Het is mitsdien niet vast te stellen of er sprake is van een fulltime dienstverband of een deeltijd dienstverband. De omvang van de te claimen premiekorting is daarom ook nu niet vast te stellen (bijlage 23 bij het verweerschrift in eerste aanleg).

In dit geval zou naar uw oordeel op 2 datums sprake kunnen zijn van de aanvang van de premiekortingsperiode, namelijk 18 februari 2012 en 4 maart 2013. Dit betekent dat mogelijk per 18 februari 2012 premiekorting is toegepast.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt aan de hand van bewijsmateriaal dat er eerst vanaf 4 maart 201 premiekorting is toegepast en niet reeds in 2012. Gelet op de core business en de werkwijze van belanghebbende acht ik het ook niet aannemelijk dat niet vanaf 18 februari 2012 de premiekorting is toegepast.

Bovenstaande betekent dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat de premiekorting vanaf 4 maart 2013 voor het eerst is toegepast.

Werknemer [naam 3]

Betrokkene is geboren op [datum 2] . Betrokkene genoot vanaf 17 januari 2011 een WW-uitkering. Betrokkene is bij belanghebbende voor het eerst in dienst getreden op 7 maart 2011. Dit blijkt ook uit de systemen van de Belastingdienst (zie scherm prints bijlage 24 van het verweerschrift in eerste aanleg). Op dat moment voldeed hij aan de voorwaarden voor toepassing van de premiekorting oudere werknemer (bijlage 24 bij het verweerschrift in eerste aanleg).

Belanghebbende heeft deze op 7 maart 2011 aangegane arbeidsovereenkomst niet meegestuurd. Het is mitsdien niet vast te stellen of er sprake is van een full time dienstverband of een deeltijd dienstverband. De omvang van de te claimen premiekorting is daarom ook nu niet vast te stellen.

Vervolgens treedt belanghebbende op 10 januari 2012 opnieuw in dienst bij belanghebbende. Op dat moment genoot betrokkene een WW-uitkering.

Belanghebbende stelt dat de premiekortingsperiode vanaf deze datum aanvangt.

Dit betwist ik, In dit geval zou naar uw oordeel op 2 datums sprake kunnen zijn van de aanvang van de premiekortingsperiode, namelijk 7 maart 2011 en 10 januari 2012, Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt aan de hand van bewijsmateriaal dat er eerst vanaf 10 januari 2012 een premiekorting is toegepast en niet reeds vanaf 7 maart 2011. Dit betekent dat mogelijk al vanaf 7 maart 2011 premiekorting is toegepast. Belanghebbende heeft tot op heden niet aangetoond dat vanaf 7 maart 2011 geen premiekorting is toegepast, Gelet op de core business van belanghebbende acht ik het ook niet aannemelijk dat niet vanaf

7 maart 2011 de premiekorting zou zijn toegepast.

Voorts merk ik nog het volgende op. In mijn verweerschrift heb ik aangegeven dat de premiekortingsperiode loopt tot 7 maart 2014. Omdat er in de periode na 7 maart 2014 wordt geclaimd door belanghebbende en tevens nieuwe dienstverbanden zijn aangegaan (zie bijlage 24 bij het verweerschrift in eerste aanleg) dient naar mijn mening te worden vastgesteld dat niet eerder vanaf 7 maart 2011 wordt geclaimd. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, Regeling Wfsv, kan namelijk een werkgever de premiekorting voor het in dienst nemen van

een oudere werknemer niet toepassen bij het opnieuw in dienst treden van deze werknemer bij dezelfde werkgever binnen 3 jaren nadat voor deze werknemer de premiekortingsduur voor de betreffende premiekorting is genoten.

Bovenstaande betekent dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar

rustende bewijslast dat de premiekorting pas vanaf 10 januari 2012 is toegepast.

Mocht uw Gerechtshof belanghebbende voor betrokkene in het gelijk stellen, dan

merk ik op dat de teruggaaf niet € 904 is maar € 189(=10/31 x 7000/12).

[naam 5]

Betrokkene is op 1 juni 2012 bij belanghebbende in dienst getreden. Betrokkene

genoot onmiddellijk voorafgaand aan de dienstbetrekking een Wajong-uitkering en

viel daarom onder de doelgroep Wajong (zie beschikking S december 2009,

bijlage 26 bij het verweerschrift in eerste aanleg).

Belanghebbende heeft deze op 1 juni 2012 aangegane arbeidsovereenkomst niet

meegestuurd. Het is mitsdien niet vast te stellen of er sprake is van een fulltime

dienstverband of een deeltijd dienstverband. De omvang van de te claimen

premiekorting is daarom ook nu niet vast te stellen.

Vervolgens treedt belanghebbende op 16 april_2014_opnieuw in dienst bij

belanghebbende. Op dat moment genoot betrokkene een Wajong-uitkering.

Belanghebbende stelt dat de premiekortingsperiode vanaf deze datum aanvangt.

Dit betwist ik. In dit geval zou naar uw oordeel op 2 datums sprake kunnen zijn

van de aanvang van de premiekortingsperiode, namelijk 1 juni 2012 en 16 april

2014. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt aan de hand van bewijsmateriaal dat er eerst vanaf 16 april 2014 een premiekorting is toegepast en niet reeds in 2012. Dit betekent da mogelijk al vanaf 1 juni 2012 premiekorting is toegepast. Belanghebbende heeft tot op heden niet aangetoond dat vanaf 1 juni 2012 geen premiekorting is toegepast. Gelet op de core business van belanghebbende en de Wajong-beschikking d.d. 8 december 2009 van

werknemer acht ik het ook niet aannemelijk dat niet vanaf 1 juni 2012 de premiekorting zou zijn toegepast.

Voorts merk ik nog het volgende op. In mijn verweerschrift heb ik aangegeven dat

de premiekortingsperiode loopt tot 27 juni 2015. Omdat er in de periode na 27 juni 2015 wordt geclaimd door belanghebbende en tevens nieuwe dienstverbanden zijn aangegaan (zie bijlage 26 bij het verweerschrift in eerste aanleg) dient naar mijn mening te worden vastgesteld dat niet eerder vanaf 1 juni 2012 wordt geclaimd. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, Regeling Wfsv, kan namelijk een werkgever de premiekorting voor het in dienst nemen van een oudere werknemer niet toepassen bij het opnieuw in dienst treden van deze

werknemer bij dezelfde werkgever binnen 3 jaren nadat voor deze werknemer de

premiekortingsduur voor de betreffende premiekorting is genoten.

Bovenstaande betekent dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar

rustende bewijslast dat de premiekorting pas vanaf 16 april 2014 is toegepast.”

3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep de juiste toepassing van de premiekorting oudere werknemers als bedoeld in artikel 47 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) en de juiste toepassing van premiekorting jonggehandicapten als bedoeld in artikel 49 Wfsv in geschil. Ook zijn de (resterende) verzuimboeten in geschil en of belanghebbende recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding.

Belanghebbende betwist in hoger beroep niet meer de (juistheid van de) correcties van de inspecteur met betrekking tot werknemers [naam 6] en [naam 4] .

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen en beslist:

Beoordeling van het geschil

naheffingsaanslag en belastingrente

6. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Wfsv past de werkgever een korting toe op het totaal van de door hem verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (of een andere in die bepaling genoemde wet) en die op het moment van in dienst treden bij die werkgever 50 jaar (vanaf 1 mei 2015: 56 jaar) of ouder is. De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.

7. Op grond van artikel 49, eerste lid, van de Wfsv past de werkgever een korting toe op het totaal van de door hem verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer, die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (dan wel voldoet aan een ander criterium vermeld in de bedoelde bepaling). De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.

8. Artikel 50d, eerste lid, van de Wfsv bepaalt dat bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, met betrekking tot de premiekortingen regels worden gesteld over de toepassing van die kortingen bij onderbreking van het dienstverband dan wel opeenvolgende en verschillende dienstverbanden bij dezelfde werkgever of bij overgang van ondernemingen en voor het in dienst treden.

9. In de systematiek van de artikelen 47, eerste lid, 49, eerste lid, en 50d, eerste lid, van de Wfsv ligt naar het oordeel van de rechtbank besloten dat met de aanvang van elke dienstbetrekking die voldoet aan de voorwaarden voor een premiekorting, een nieuwe premiekortingsperiode aanvangt. In zoverre volgt de rechtbank de uitleg van eiseres. Bij ministeriële regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Financiën kunnen echter bijzondere regels worden gesteld, onder meer voor gevallen zoals die van eiseres, waarin werknemers meerdere dienstverbanden doorlopen bij dezelfde werkgever. Van deze gedelegeerde bevoegdheid is gebruikgemaakt in de artikelen 3.20, 3.21 en (vanaf 2016) 3.19a van de Regeling Wfsv.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval artikel 3.21, eerste lid, van de Regeling Wfsv van belang. Die bepaling heeft onder meer betrekking op de situatie waarin een werkgever niet gedurende een periode van in totaal drie jaar premiekorting als bedoeld in artikel 47, eerste lid, of 49, eerste lid, van de Wfsv heeft toegepast. In dat geval:

a. worden dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever die elkaar met tussenpozen van minder dan drie maanden opvolgen, geacht niet te zijn onderbroken en worden de perioden waarin de premiekorting wordt toegepast opgeteld totdat in totaal drie respectievelijk één jaar premiekorting is toegepast;

b. kan indien dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever elkaar met tussenpozen van drie maanden of meer doch ten hoogste drie jaar opvolgen, de premiekorting niet opnieuw worden toegepast en beslaat de premiekortingsperiode de periode vanaf het moment dat de eerdere premiekortingsperiode een aanvang nam totdat respectievelijk drie of één jaar zijn verstreken, zonder dat over de tussenliggende periode premiekorting is toegepast.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is het gecombineerde effect van de zojuist beschreven wettelijke systematiek en deze regeling dat in gevallen waarin een werknemer meerdere voor een premiekorting kwalificerende dienstbetrekkingen heeft bij dezelfde werkgever, er slechts één premiekortingsperiode gaat lopen en wel bij de aanvang van de eerste kwalificerende dienstbetrekking. Pas drie jaar na afloop van een kwalificerende dienstbetrekking kan een nieuwe dienstbetrekking worden aangegaan bij dezelfde werkgever die in aanmerking komt voor (dezelfde) premiekorting.

12. Deze uitleg van de toepasselijke regels veronderstelt dat een premiekorting wordt ‘toegepast’ in de zin van artikel 3.21 van de Regeling Wfsv vanaf het moment dat aan de voorwaarden voor toepassing wordt voldaan. De rechtbank kiest voor deze uitleg omdat de artikelen 47, eerste lid, en 49, eerste lid, van de Wfsv ‘toepassing’ van de premiekorting imperatief voorschrijven indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Een andersluidende uitleg, die erop zou neerkomen dat de werkgever premiekortingen zou kunnen genieten ten aanzien van werknemers met wie voordien reeds een langdurige arbeidsrelatie bestond, zou naar het oordeel van de rechtbank bovendien onvoldoende recht doen aan de doelstelling van de desbetreffende premiekortingen, te weten werkgevers te stimuleren om oudere en arbeidsgehandicapte werknemers blijvend in dienst te nemen.

13. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van eiseres faalt voor zover het betrekking heeft op de naheffingsaanslag en de beschikkingen inzake belastingrente.

verzuimboeten

14. Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2016 en 2017 verzuimboeten opgelegd ter hoogte van 10% van de nageheven loonheffingen. De boeten zijn gebaseerd op artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Eiseres heeft deze boeten bestreden op de gronden dat de materie voor meerderlei uitleg vatbaar is en dat zij zich hard maakt voor behartigenswaardige doelen. Deze laatste omstandigheid vormt naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor matiging van de boete, omdat daaruit niets blijkt over de ernst van de overtreding of de mate waarin deze aan eiseres kan worden verweten. Wel volgt de rechtbank eiseres in haar stelling dat de wettelijke regeling voor meerderlei uitleg vatbaar is. De wijze waarop eiseres de toepasselijke regelingen heeft uitgelegd vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in gezaghebbende rechtsbronnen – in het bijzonder de tekst van de regelingen – om te oordelen dat eiseres ten tijde van het doen van aangifte naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon en mocht menen dat haar uitleg van het belastingrecht juist was. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraken van de Rechtbank Gelderland van 22 november 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6207 en 6208, waarin het rechtskundige standpunt van eiseres is gevolgd. Zij had dus een pleitbaar standpunt en op grond van het bepaalde in paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst had verweerder derhalve moeten afzien van het opleggen van een verzuimboete voor zover de naheffingsaanslag zijn grond vond in een verschil van inzicht over dat standpunt (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2020).

15. Aangezien de grondslag voor de opgelegde boeten niet alleen bestaat uit correcties die volgen uit het door eiseres ingenomen pleitbare standpunt, dient te worden bepaald in hoeverre de naheffingsaanslag zou moeten worden verminderd indien het standpunt van eiseres zou worden gevolgd. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

- Ten aanzien van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] doet niet ter zake of eiseres een pleitbaar standpunt heeft, omdat de door eiseres bepleite vermindering van de naheffingsaanslag in zoverre slechts betrekking heeft op de jaren 2014 en 2015, terwijl voor het jaar 2014 geen boete is opgelegd en de boete voor het jaar 2015 reeds is vernietigd.

- Over de feiten die eiseres ten grondslag heeft gelegd aan de door haar bepleite vermindering ten aanzien van [naam 5] bestaat tussen partijen geen verschil van inzicht, zodat eiseres in ieder geval in zoverre een pleitbaar standpunt heeft. De door eiseres bepleite vermindering heeft voor € 936 betrekking op 2016 en voor € 326 op 2017.

- Ten aanzien van [naam 6] is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat op 8 april 2013 een indiensttreding bij haar heeft plaatsgevonden. Tot de stukken van het geding behoort weliswaar een brief van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van 12 april 2013 over het stopzetten van de Wajong-uitkering van [naam 6] , die verwijst naar het verkrijgen van inkomsten uit werk per 2 april 2013, maar die brief noemt de naam van de werkgever niet en noemt bovendien een eerdere dan de door eiseres bepleite datum.

16. Uit het voorgaande blijkt dat indien de rechtskundige benadering van eiseres zou worden gevolgd, dit zou resulteren in een vermindering van de naheffingsaanslag met € 936 voor 2016 en € 326 voor 2017. In zoverre heeft zij een pleitbaar standpunt. De boete voor 2016 dient derhalve met € 94 (10% van € 936) te worden verminderd tot € 2.856 en die voor 2017 met € 33 (10% van € 326) tot € 4.911.

17. Ambtshalve overweegt de rechtbank nog het volgende. Verweerder heeft de boeten aangekondigd op 16 december 2019. Van dat moment tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet in deze zaak, zijn meer dan twee jaren verstreken. Van bijzondere omstandigheden die verkorting of verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de redelijke termijn voor de berechting is overschreden en dat de boeten, zoals hiervoor reeds verminderd, dienen verder te worden verminderd met 5% (vgl. de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, r.o. 5.7.3.7). De boete voor 2016 zal daarom worden verminderd tot € 2.713 en die voor 2017 tot € 4.665.

slotsom

18. Voor zover het beroep betrekking heeft op de naheffingsaanslag en de beschikkingen inzake belastingrente is het ongegrond, voor zover het betrekking heeft op de verzuimboeten voor de jaren 2016 en 2017 is het gegrond.

Proceskosten

19. De rechtbank acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

20. Eiseres heeft bepleit dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die toekenning van een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen. Aanvankelijk betoogde ze dat verweerder objectief bezien onmogelijk kan volharden in het door hem betrokken standpunt. Ter zitting heeft zij de motivering van haar verzoek aangepast en betoogd dat het systeem van forfaitaire kostenvergoeding belastingplichtigen in een afwegingsachterstand plaatst en een prikkel vormt om afstand te doen van hun zaak. In het belang van de rechtsbescherming roept eiseres op daarmee anders om te gaan. Verweerder ziet geen bijzondere omstandigheden die ertoe nopen om bij gegrondverklaring van het beroep van een forfaitaire vergoeding af te wijken.

21. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen, kan niet worden gezegd dat verweerder tegen beter weten in heeft volhard in een standpunt. Het argument dat eiseres heeft aangevoerd tegen het stelsel van proceskostenvergoeding op basis van een forfait geldt in beginsel voor iedere zaak waarin een professionele rechtsbijstandverlener optreedt, en kan derhalve bezwaarlijk een bijzondere omstandigheid worden genoemd. Het bedoelde stelsel leidt overigens ook niet ertoe dat verwezenlijking van rechten voor belanghebbenden onmogelijk of uiterst moeilijk wordt (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5).

22. Voor de bezwaarfase is reeds een proceskostenvergoeding toegekend, zodat de rechtbank zich bij de vaststelling van de vergoeding zal beperken tot de beroepsfase. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat sprake is van samenhang in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De onderhavige zaak hangt voor wat betreft de beroepsfase samen met de zaken met nummers HAA 21/927, HAA 21/929 en HAA 21/930. De te vergoeden kosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een vierde van € 2.277 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van vier samenhangende zaken) = € 569,25.

5. Beoordeling van het geschil

Vooraf

Belanghebbende heeft er ter zitting van het Hof mee ingestemd dat het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur op dezelfde wijze wordt behandeld als door de rechtbank is gedaan. Dit betekent dat de door de inspecteur gezwarte stukken worden aangemerkt als niet op de zaak betrekking hebbend.

De inspecteur heeft in zijn reactie na de zitting van het Hof opgemerkt dat de beslissing van het Hof om belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog informatie te verstrekken, niet is gemotiveerd en derhalve voor hem niet is na te gaan of deze beslissing berust op een afweging van alle belangen. Volgens hem heeft belanghebbende (eerder in de procedure) al voldoende gelegenheid gehad haar stellingen te onderbouwen.

Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting (of na de zitting) alsnog over te leggen, moet een afweging plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken, of hij al eerder over deze stukken beschikte en zo ja, de reden(en) waarom hij dit niet al in een eerdere fase (in bezwaar of beroep) heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (zie onder meer HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821 en HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0721). Daarnaast biedt de wet de rechter de mogelijkheid om partijen te verzoeken om schriftelijke inlichtingen (artikel 8:45 Awb).

Het Hof heeft belanghebbende ter zitting voorgehouden dat haar stukken niet helemaal duidelijk zijn en gevraagd waarop zij de gestelde aanvangsdata van de premiekorting baseert, het moment van het ontvangen van de doelgroepverklaring, dan wel het moment van indiensttreding direct na de uitkering, dan wel een ander moment. Belanghebbende kon hierop niet adequaat antwoorden. Ter zitting heeft het Hof partijen verder voorgehouden dat na de uitspraak van de rechtbank, op 18 april 2023 door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak is gedaan (ECLI:NL:GHARL:2023:3354), waarin is geoordeeld dat een eerdere kwalificerende dienstbetrekking waarbij geen premiekorting geldend is gemaakt, terwijl daar wel recht op bestond, niet in de weg staat aan het bij een latere (opnieuw) kwalificerende dienstbetrekking voor het eerst toepassen van de premiekorting. Indien het Hof dit oordeel zou volgen, ontbreekt het in het dossier aan voldoende feitelijke informatie van belanghebbende om te kunnen vaststellen op welke bedragen belanghebbende recht heeft, en ook de inspecteur is niet inhoudelijk in deze alternatieve denkwijze meegegaan. Een oordeel van het Hof in de lijn van het oordeel van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zou dan neerkomen op een oordeel op basis van het voorhanden zijnde bewijs en zou naar het oordeel van het Hof geen recht doen aan de werkelijke situatie.

Ter zitting is het bovenstaande (onder 5.2.3) met partijen besproken en heeft het Hof als voorlopig oordeel gegeven dat ook een latere kwalificerende dienstbetrekking kan dienen als startpunt van de premiekorting. De inspecteur heeft opgemerkt dat belanghebbende eerder naar zijn mening genoeg kans heeft gehad om met stukken te komen, maar heeft daarna erkend dat, voor die situatie, het een rechtvaardiger uitkomst zou opleveren wanneer belanghebbende een nadere onderbouwing zou aanleveren conform het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof heeft daarop besloten om na de zitting het vooronderzoek te hervatten en aan belanghebbende de opdracht te geven om de gevraagde inlichtingen te verschaffen (artikel 8:45 Awb). Een (verdere) belangenafweging zoals de inspecteur voorstaat, heeft het Hof dus ter zitting niet gegeven, ervan uitgaande dat beide partijen het eens waren met de nadere informatieverstrekking.Voor zover nog nodig overweegt het Hof dat het gelet op de nieuwe jurisprudentie na de uitspraak van de rechtbank, die het Hof tot voorlopig uitgangspunt heeft genomen, en gelet op de onduidelijkheid over de ingenomen standpunten van belanghebbende, het niet inhoudelijk innemen van een alternatief standpunt door de inspecteur, en de onduidelijkheid over de aangeleverde stukken en feitelijke uitgangspunten in deze zaak, het Hof als laatste feitenrechter het belang van een doelmatige procesgang minder zwaar heeft gewogen dan het belang vannadere informatieverschaffing en een volgens beide partijen meer rechtvaardige

uitkomst.

Premiekortingsregeling

-Standpunten van partijen

Het geschil in hoger beroep ziet dan op de juiste toepassing van de premiekorting aangaande de werknemers [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , (betreft bij alle drie een premiekorting oudere werknemer) en [naam 5] (betreft een premiekorting jonggehandicapte werknemer).

Belanghebbende betoogt in haar hoger beroepschrift dat de relevante premiekortingsperiode van [naam 1] aanvangt op 26 maart 2012 en de termijn eindigt op 26 maart 2015. De toegepaste correctie voor het jaar 2014 (€ 4.103) dient volgens belanghebbende te vervallen.

Ten aanzien van [naam 2] betoogt belanghebbende dat de relevante premiekortingsperiode aanvangt op 4 maart 2013 en de termijn eindigt op 4 maart 2016 (het Hof gaat er van uit dat bedoeld is 6 maart 2013 en 6 maart 2016). De toegepaste correctie voor het jaar 2015 dient volgens belanghebbende te vervallen (een bedrag van € 4.760).

Ten aanzien van [naam 3] betoogt belanghebbende dat de relevante premiekortingsperiode aanvangt op 10 januari 2012 en de termijn eindigt op 9 maart 2015. De toegepaste correcties voor de jaren 2014 en 2015 (deels) dienen dan volgens belanghebbende te vervallen (een bedrag van in totaal € 5.933).

Ten aanzien van [naam 5] betoogt belanghebbende dat de relevante premiekortingsperiode aanvangt op 15 april 2014 en de termijn eindigt op 15 april 2017. De toegepaste correctie voor de jaren 2015, 2016 en 2017 (deels) dient dan volgens belanghebbende te vervallen (een bedrag van € 4.531).

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de regelingen van de premiekorting (als bedoeld in artikelen 47 en 49 Wfsv). In gevallen waarin sprake is van meerdere dienstbetrekkingen bij dezelfde inhoudingsplichtige, begint de driejaarsperiode van artikel 47, eerste lid, en artikel 49 eerste lid, van de Wfsv bij aanvang van de eerste dienstbetrekking waarin aan de voorwaarden voor toepassing van de premiekorting is voldaan.

Daarvan uitgaande stelt hij dat terecht bij [naam 1] als aanvangsdatum van de relevante premiekortingsperiode 16 maart 2009 is genomen. Voorts heeft hij terecht ten aanzien van [naam 2] als aanvangsdatum van de relevante premiekortingsperiode 18 februari 2012 genomen, ten aanzien van [naam 3] 7 maart 2011 en ten aanzien van [naam 5] 1 juni 2012.

-Juridisch kader

In artikel 47 van de Wfsv (tekst 2014) staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“1. De werkgever past een korting toe op het totaal van de door hem op grond van de afdelingen 2, 3 en 4 verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer:

a. die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een uitkering […]; en

b. die op het moment van in dienst treden bij die werkgever 50 jaar of ouder is.

De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.”

Met ingang van 1 januari 2015 is de leeftijd genoemd in artikel 47, eerste lid, onder b, van de Wfsv verhoogd naar 56 jaar.

Op grond van artikel 49, eerste lid, van de Wfsv past de werkgever een korting toe op het totaal van de door hem verschuldigde premies bij een dienstbetrekking met een werknemer, die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (dan wel voldoet aan een ander criterium vermeld in de bedoelde bepaling).

De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die werknemer duurt doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de aanvang van die dienstbetrekking.

In de Regeling Wfsv (geldig tot 1 januari 2018) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3.19a. (vanaf 1 januari 2016): Nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever voorafgaand aan toepassing premiekorting

Onder aanvang van dienstbetrekking als bedoeld in de artikel 47 en 49, eerste lid, van de Wfsv wordt niet verstaan de aanvang van een dienstbetrekking binnen zes maanden na het eindigen van een dienstbetrekking tussen dezelfde werknemer en werkgever.

Artikel 3.20. Nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever na volledig genoten premiekortingsperioden

1. De werkgever kan de premiekorting, bedoeld in […] artikel 47, eerste of tweede lid en 49, eerste lid, Wfsv niet toepassen, indien de werknemer binnen drie jaar na ommekomst van de in die artikelleden bedoelde periode van drie jaar, na beëindiging van de dienstbetrekking, wederom bij die werkgever in dienst treedt.

[…]

Artikel 3.21. Nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever na niet volledig genoten premiekortingsperiode

1. Indien een werkgever niet gedurende een periode van in totaal drie […] jaar premiekorting als bedoeld in artikel 47, eerste of tweede lid, en artikel 49 eerste lid, respectievelijk artikel 49, tweede lid van de Wfsv heeft toegepast:

a. worden dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever die elkaar met tussenpozen van minder dan drie maanden opvolgen, geacht niet te zijn onderbroken en worden de perioden waarin de premiekorting wordt toegepast opgeteld totdat in totaal drie […] jaar premiekorting is toegepast;

b. kan indien dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever elkaar met tussenpozen van drie maanden of meer doch ten hoogste drie jaar opvolgen, de premiekorting niet opnieuw worden toegepast en beslaat de premiekortingsperiode de periode vanaf het moment dat de eerdere premiekortingsperiode een aanvang nam totdat […] drie jaar zijn verstreken, zonder dat over de tussenliggende periode premiekorting is toegepast.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in de onderdelen a of b, van dat lid, niet is onderbroken maar in de genoemde periode geen premiekorting kon worden toegepast.”

In de parlementaire behandeling van de premiekortingregeling voor oudere werknemers is onder meer het volgende opgenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 707, nr. 3, blz. 1-4 en 13):

“Deze premiekortingen komen in plaats van de huidige systematiek van premievrijstelling voor oudere werknemers. (…) Met dit wetsvoorstel sluit de regering aan op een van de aanbevelingen

van de Commissie Arbeidsparticipatie. De commissie heeft als knelpunt gezien dat de bestaande premievrijstelling niet effectief is en duur, omdat ze niet alleen gericht is op in dienst nemen, maar ook op het in dienst houden. Hierdoor ontstaat dead weight loss.(…)

Deze premiekortingsregeling beoogt dat oudere werklozen sneller weer aan de slag raken en minder lang werkloos zijn. (…) Bij het vrijwillig wisselen van baan kan de angst voor eventueel ontslag als gevolg van een mislukte overstap en daarop volgende werkloosheid, afnemen voor ouderen, als blijkt dat mede dankzij deze maatregel, werkloze ouderen betere baankansen hebben dan nu.(…)In het eerste lid van artikel 47 wordt geregeld, dat de werkgever de premiekorting oudere werknemer kan toepassen, indien hij een werknemer in dienst neemt, die aan de twee vereisten voldoet: (…)”

En in de parlementaire behandeling van de premiekortingregeling voor re-integratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers is onder meer het volgende opgenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004/05, 30 034, nr. 3, blz. 21 en 22, en 30 118, nr. 3, blz. 75):

“De systematiek van deze regeling bevat zowel voor de werknemer als voor de werkgever een prikkel voor re-integratie. (…)

De premiekorting houdt in dat de werkgever die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst houdt één jaar korting krijgt op de af te dragen sociale-verzekeringspremies en een werkgever die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt drie jaar korting krijgt.

(…)

Overigens is de werkgever niet verplicht om premiekorting aan te vragen.”

- Aanvangsmoment

Het Hof zal eerst de vraag beantwoorden of in gevallen waarin een werknemer meerdere (mogelijk) voor een premiekorting kwalificerende dienstbetrekkingen heeft bij dezelfde werkgever, er slechts één premiekortingsperiode kan gaan lopen en wel bij de aanvang van de eerste kwalificerende dienstbetrekking (zoals de inspecteur voorstaat).

5.9.1.1. Het bepaalde in artikel 47 van de Wfsv brengt op zichzelf (grammaticaal) geen beperkingen aan op het aantal keer dat voor dezelfde werknemer premiekorting kan worden toegepast bij onderbrekingen van het dienstverband indien tijdens die onderbreking sprake was van een uitkeringssituatie en sprake is van de vereiste leeftijd. Elke nieuwe dienstbetrekking waaraan een uitkeringsperiode onmiddellijk vooraf gaat en voorts is voldaan aan het leeftijdscriterium, is op grond van de wet een kwalificerende dienstbetrekking.

5.9.1.2. Ook het bepaalde in artikel 49 van de Wfsv brengt op zichzelf (grammaticaal) geen beperkingen aan op het aantal keer dat voor dezelfde werknemer premiekorting kan worden toegepast bij onderbrekingen van het dienstverband indien tijdens die onderbreking sprake was van een kwalificerende uitkeringssituatie.

5.9.2.1. Deze uitleg (in 5.9.1.1.) is naar het oordeel van het Hof tevens in overeenstemming met doel en strekking van de premiekortingsregeling voor oudere werknemers. De premiekortingsregeling voor oudere werknemers beoogt dat oudere werklozen sneller weer aan de slag raken na een uitkeringssituatie en minder lang werkloos zijn en ook na een tweede uitkeringsperiode wordt (misschien wel temeer) aan dat doel beantwoord (zie 5.7.). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is juist het in dienst nemen van deze ouderen met een uitkering het primaire beoogde doel en niet het in dienst houden (dat subsidiëren werd beschouwd als dead weight loss). Voor zover de inspecteur betoogt dat de periode van premiekorting moet aansluiten bij de tijd die een werkzoekende nodig zou hebben om kennis en vaardigheden op te bouwen en dat het daarom logisch is dat wordt aangesloten bij de eerste dienstbetrekking slaagt dit dus niet, omdat het niet rijmt met deze doelstelling. Dat een korting imperatief moet worden toegepast (alleen) bij de eerst kwalificerende dienstbetrekking valt niet uit de wettekst af te leiden. De formulering “past toe” valt te vergelijken met een formulering als “aftrekbare kosten zijn” en bevat daarmee geen faciliteitsgebod, maar een duiding van de faciliteitsvoorwaarden. Verder valt een gebod noch uit doel en strekking van de bepaling, noch uit de parlementaire toelichting (waar wordt gesproken van “kan toepassen”) af te leiden. Die opvatting zou er bovendien toe leiden dat een niet toepassen door de werkgever, terwijl dit wel verplicht is, leidt tot een onjuiste aangifte en afdracht.

5.9.2.2. Naar het oordeel van het Hof heeft mutatis mutandis hetzelfde te gelden voor de premiekortingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten. De premiekortingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten beoogt dat zij vanuit een uitkeringssituatie zouden kunnen re-integreren en ook na een tweede uitkeringsperiode wordt (misschien wel te meer) aan dat doel beantwoord. Ook hierbij ligt het dus in de ratio van de onderhavige premiekortingsregeling die op de driejaarsperiode ziet dat het primaire doel is om te stimuleren dat een werkgever overgaat tot het in dienst nemen van een arbeidsgehandicapte met een uitkering (door hem een premiekorting in het vooruitzicht te stellen) en niet het in dienst houden (daarop zag een afzonderlijke premiekorting van een jaar). Verder is geëxpliciteerd dat de werkgever niet verplicht is om de premiekorting aan te vragen.

Indien een werknemer al eerder bij belanghebbende in dienst was en er sprake was van geheel of gedeeltelijk genoten (toegepaste) kortingen, gelden de op grond van artikel 50c, eerste lid, van de Wfsv gestelde regels in artikel 3.20 en artikel 3.21 van de Regeling Wfsv. Deze bepalingen regelen hoe bij een door een werkgever eenmaal gestarte periode van premiekortingstoepassing voor de driejaarstermijn moet worden (door)geteld bij onderbrekingen van die dienstbetrekking, zodat wordt voorkomen dat eenzelfde werkgever kort nadat hij de premiekorting heeft toegepast weer een nieuwe driejaarsperiode waarin de premiekorting wordt toegepast zou kunnen starten. Het is dus niet juist om, zoals de rechtbank heeft gedaan, deze bepalingen toepassing te doen vinden op een werkgever die bij een eerdere dienstbetrekking helemaal geen premiekorting heeft toegepast. Dan is er gelet op de tekst en het doel van de regeling immers geen reden om de toepassingsperiode te verkorten.

Op de situatie dat een werknemer al eerder in dienst was zonder dat premiekorting is toegepast ziet uitsluitend het in 2016 ingevoerde artikel 3.19a van de Regeling Wfsv. Echter dit artikel geldt dus pas vanaf 2016 zodat het in casu toepassing mist (en overigens is in deze zaken geen sprake van misbruik).

Met inachtneming van het vorenoverwogene ziet het Hof geen grond voor het oordeel dat er voor een werknemer slechts één premiekortingsperiode gaat lopen en wel bij de aanvang van de eerste kwalificerende dienstbetrekking. Ook een latere nieuwe dienstbetrekking kan dienen als start voor de premiekortingsperiode (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3355).

[naam 1]

Niet in geschil is dat (ook) bij het door belanghebbende voorgestane aanvangstijdstip van de premiekortingsperiode voor [naam 1] (26 maart 2012) voldaan werd aan in de onderdelen a en b van artikel 47 van de Wfsv opgenomen voorwaarden van kwalificerende leeftijd en kwalificerende, onmiddellijk voorafgaande uitkering. Door de inspecteur wordt nog opgemerkt dat mogelijk sprake is van het op 26 maart 2012 omzetten van uitzendovereenkomst fase A in een uitzendovereenkomst B; dit maakt de conclusie niet anders. Niet in geschil is dat sprake is van een kwalificerende, onmiddellijk voorafgaande uitkering. Verder spreekt de fase B-overeenkomst van een indiensttreden op 26 maart 2012. En voorts leidt het Hof uit de doelgroepverklaring van het UWV af dat [naam 1] daarvoor een WW-uitkering ontving en ten behoeve van indiensttreding bij belanghebbende deze verklaring heeft ontvangen. Dit alles wijst er dus op dat tevens voldaan is aan de voorwaarde van indiensttreding per 26 maart 2012. Belanghebbende heeft het voldoen aan de voorwaarden naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt en de inspecteur heeft met zijn stelling onvoldoende aangevoerd voor het tegendeel. Belanghebbende stelt voorts gemotiveerd dat zij bij [naam 1] de premiekorting niet bij een eerder kwalificerende dienstbetrekking heeft toegepast (hoewel daarop toen ook een recht bestond).

Anders dan de inspecteur kennelijk voorstaat, ligt het niet op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat voor [naam 1] “niet vanaf de indiensttreding 2009 reeds premiekorting is toegepast”. Bij het toepassen van een faciliteit als de onderhavige is het weliswaar aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, maar dat gaat niet zover dat zij tevens aannemelijk zou moeten maken dat er geen reden is om de faciliteit te weigeren. Het aanvoeren van weigeringsgronden ligt immers op de weg van de inspecteur en deze beschikt in casu ook over de informatie (de loonaangiften) om zulks te kunnen doen. Uit hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht en uit de overige gedingstukken volgt niet dat voor werknemer [naam 1] vóór 26 maart 2012 premiekorting is geclaimd.

Op de situatie dat een werknemer al eerder in dienst was zonder dat premiekorting is toegepast, zoals in casu, ziet (zie 5.9.4.) uitsluitend het in 2016 ingevoerde artikel 3.19a van de Regeling Wfsv. Omdat de startdatum van de kwalificerende dienstbetrekking van [naam 1] evenwel voor deze datum (1 januari 2016) is gelegen wordt aan dit artikel niet toegekomen. Daarnaast heeft te gelden dat uit het dossier niet volgt dat bij werknemer [naam 1] zich een onder dit artikel vallende situatie voordoet. Ook in de periode daarvoor doet zich geen door de regelgever als misbruik gekenschetste situatie voor. Deze bepaling is namelijk ingevoerd met het oog op de door de regelgever onwenselijk geachte situatie dat werknemers op het moment dat zij 56 worden, worden ontslagen en na een korte periode van uitkering weer in dienst treden, enkel met het oog op het verkrijgen van een premiekorting. Uit de gedingstukken volgt evenwel niet dat er hier sprake is van een ontslag en weer aannemen met als doel om premiekorting te verkrijgen waarop eerder geen recht bestond. Het zit in de aard van het dienstverband als uitzendkracht in de groensector dat overeenkomsten van kortere duur worden aangegaan zoals de feiten ook laten zien, en bovenal bestond in dit geval reeds bij het aangaan van het eerste dienstverband recht op premiekortingtoepassing.

Alsdan heeft te gelden dat de correctie ten aanzien van [naam 1] voor het jaar 2014

(€ 4.103) dient te vervallen en de naheffingsaanslag met dat bedrag dient te worden verminderd.

[naam 2]

Niet in geschil is dat (ook) bij het door belanghebbende voorgestane aanvangstijdstip van de premiekortingsperiode voor [naam 2] (6 maart 2013) voldaan werd aan in de onderdelen a en b van artikel 47 van de Wfsv opgenomen voorwaarden van kwalificerende leeftijd en kwalificerende, onmiddellijk voorafgaande uitkering. Belanghebbende stelt voorts gemotiveerd dat zij bij [naam 2] de premiekorting niet bij een eerder kwalificerende dienstbetrekking heeft toegepast (hoewel daarop toen ook een recht bestond).

Anders dan de inspecteur kennelijk voorstaat, ligt het niet op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat voor [naam 2] “eerst vanaf 4 maart 2013 een premiekorting is toegepast en niet reeds in 2012”. Bij het toepassen van een faciliteit als de onderhavige is het weliswaar aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, maar dat gaat niet zover dat zij tevens aannemelijk zou moeten maken dat er geen reden is om de faciliteit te weigeren. Het aanvoeren van weigeringsgronden ligt immers op de weg van de inspecteur en deze beschikt in casu ook over de informatie (de loonaangiften) om zulks te kunnen doen. Uit hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht en uit de overige gedingstukken volgt niet dat voor werknemer [naam 2] vóór 6 maart 2013 premiekorting is geclaimd.

Op de situatie dat een werknemer al eerder in dienst was zonder dat premiekorting is toegepast, zoals in casu, ziet uitsluitend het in 2016 ingevoerde artikel 3.19a van de Regeling Wfsv. Omdat de startdatum van de kwalificerende dienstbetrekking van [naam 2] evenwel voor deze datum (1 januari 2016) is gelegen wordt aan dit artikel niet toegekomen. Daarnaast heeft te gelden dat uit het dossier niet volgt dat bij werknemer [naam 2] zich een onder dit artikel vallende situatie voordoet. Ook in de periode daarvoor doet zich geen door de regelgever als misbruik gekenschetste situatie voor. Deze bepaling is namelijk ingevoerd met het oog op de door de regelgever onwenselijk geachte situatie dat werknemers op het moment dat zij 56 worden, worden ontslagen en na een korte periode van uitkering weer in dienst treden, enkel met het oog op het verkrijgen van een premiekorting. Uit de gedingstukken volgt evenwel niet dat er hier sprake is van een ontslag en weer aannemen met als doel om premiekorting te verkrijgen waarop eerder geen recht bestond. Het zit in de aard van het dienstverband als uitzendkracht in de groensector dat overeenkomsten van kortere duur worden aangegaan zoals de feiten ook laten zien, en bovenal bestond in dit geval reeds bij het aangaan van het eerste dienstverband recht op premiekortingtoepassing.

Alsdan heeft te gelden dat de correctie ten aanzien van [naam 2] voor het jaar 2015

(€ 4.760) dient te vervallen en de naheffingsaanslag met dat bedrag dient te worden verminderd.

[naam 3]

Niet in geschil is dat de correcties ten aanzien van [naam 3] voor het jaar 2016 en 2017 terecht zijn.

Voorts is niet in geschil dat (ook) bij het door belanghebbende voorgestane aanvangstijdstip van de premiekortingsperiode voor [naam 3] (10 januari 2012) voldaan werd aan in de onderdelen a en b van artikel 47 van de Wfsv opgenomen voorwaarden van kwalificerende leeftijd en kwalificerende, onmiddellijk voorafgaande uitkering. Belanghebbende stelt voorts gemotiveerd dat zij bij [naam 3] de premiekorting niet bij een eerder kwalificerende dienstbetrekking heeft toegepast (hoewel daarop toen ook een recht bestond).

Anders dan de inspecteur kennelijk voorstaat, ligt het niet op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat voor [naam 3] “eerst vanaf 10 januari 2012 een premiekorting is toegepast en niet vanaf 7 maart 2011”. Bij het toepassen van een faciliteit als de onderhavige is het weliswaar aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, maar dat gaat niet zover dat zij tevens aannemelijk zou moeten maken dat er geen reden is om de faciliteit te weigeren. Het aanvoeren van weigeringsgronden ligt immers op de weg van de inspecteur en deze beschikt in casu ook over de informatie (de loonaangiften) om zulks te kunnen doen. Uit hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht en uit de overige gedingstukken volgt niet dat voor werknemer [naam 3] vóór 10 januari 2012 premiekorting is geclaimd.

Op de situatie dat een werknemer al eerder in dienst was zonder dat premiekorting is toegepast, zoals in casu, ziet uitsluitend het in 2016 ingevoerde artikel 3.19a van de Regeling Wfsv. Omdat de startdatum van de kwalificerende dienstbetrekking van [naam 3] evenwel voor deze datum (1 januari 2016) is gelegen wordt aan dit artikel niet toegekomen. Daarnaast heeft te gelden dat uit het dossier niet volgt dat bij werknemer [naam 3] zich een onder dit artikel vallende situatie voordoet. Ook in de periode daarvoor doet zich geen door de regelgever als misbruik gekenschetste situatie voor. Deze bepaling is namelijk ingevoerd met het oog op de door de regelgever onwenselijk geachte situatie dat werknemers op het moment dat zij 56 worden, worden ontslagen en na een korte periode van uitkering weer in dienst treden, enkel met het oog op het verkrijgen van een premiekorting. Uit de gedingstukken volgt evenwel niet dat er hier sprake is van een ontslag en weer aannemen met als doel om premiekorting te verkrijgen waarop eerder geen recht bestond. Het zit in de aard van het dienstverband als uitzendkracht in de groensector dat overeenkomsten van kortere duur worden aangegaan zoals de feiten ook laten zien, en bovenal bestond in dit geval reeds bij het aangaan van het eerste dienstverband ook al recht op premiekortingtoepassing.

Ten aanzien van [naam 3] stelt belanghebbende dat er tussenpozen van minder dan drie maanden zijn geweest en 9 maart 2015 als einddatum van de premiekortingsperiode heeft te gelden (het gestelde aanvangsmoment is 10 januari 2012). Dit brengt mee dat de correctie van € 4.854 (over het hele jaar 2015) in de optiek van belanghebbende moet worden herzien naar een correctie van € 3.938 ( € 4.852 – 68/365 x € 4.852) en de naheffingsaanslag aldus moet worden verminderd met € 904. De inspecteur stelt voor die situatie (als belanghebbende wordt gevolgd met betrekking tot de aanvangsdatum) dat slechts 10 dagen in 2015 recht bestaat op premiekorting hetgeen tot een vermindering van de naheffingsaanslag met € 189 leidt.

Ingevolge artikel 3.21, eerste lid, van de Regeling Wfsv, wordt in een situatie waarin een werkgever niet gedurende een periode van in totaal drie jaar premiekorting als bedoeld in artikel 47, eerste lid, of 49, eerste lid, van de Wfsv heeft toegepast, maar wel gestart is met toepassing van de premiekorting, afhankelijk van de duur van de onderbreking van de dienstbetrekking of de driejaarsperiode tijdens de onderbreking doorloopt of gestuit wordt. De stuiting geldt indien dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever elkaar met tussenpozen van minder dan drie maanden opvolgen, (zie onderdeel a).

Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van belanghebbende, die een latere einddatum (dan na ommekomst van -aaneengesloten- drie jaren) voorstaat, de hiervoor in 5.12.5. bedoelde tussenpozen van korter dan drie maanden aannemelijk te maken. Zoals is opgenomen in het proces- verbaal van de zitting van 24 oktober 2023 (zie 2.7.) is aan belanghebbende onder meer gevraagd wat per werknemer de door haar gestelde einddatum is van de premiekortingsperiode en daarbij een onderbouwing aan te geven van eventuele relevante onderbrekingsperioden.

Uit de door belanghebbende gegeven reactie (zie onder 2.8) en de ter zake aangeleverde documenten (“ Pensioenoverzicht” om de gewerkte weken in de relevante jaren te onderbouwen en urenoverzicht) valt geenszins eenduidig op te maken wat de door haar voorgestane (en nader adequaat onderbouwde) tussenpozen zijn. Alsdan heeft te gelden dat als einddatum 10 januari 2015 in aanmerking moet worden genomen (10 januari 2012 plus drie jaar) hetgeen meebrengt dat de naheffingsaanslag met € 189 dient te worden verlaagd.

[naam 5]

De inspecteur betwist niet dat op het door belanghebbende voorgestane aanvangstijdstip van de premiekortingsperiode van [naam 5] (15 april 2014) voldaan werd aan de in artikel 49 van de Wfsv opgenomen voorwaarde aangaande een kwalificerende, onmiddellijk voorafgaande uitkering. Belanghebbende stelt voorts gemotiveerd dat zij bij [naam 5] de premiekorting niet bij een eerder kwalificerende dienstbetrekking heeft toegepast (hoewel daarop toen ook een recht bestond).

Anders dan de inspecteur kennelijk voorstaat, ligt het niet op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat voor [naam 5] “eerst vanaf 16 april 2014 een premiekorting is toegepast en niet reeds in 2012”. Bij het toepassen van een faciliteit als de onderhavige is het weliswaar aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, maar dat gaat niet zover dat zij tevens aannemelijk zou moeten maken dat er geen reden is om de faciliteit te weigeren. Het aanvoeren van weigeringsgronden ligt immers op de weg van de inspecteur en deze beschikt in casu ook over de informatie (de loonaangiften) om zulks te kunnen doen. Uit hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht en uit de overige gedingstukken volgt niet dat voor werknemer [naam 5] vóór 15 april 2014 premiekorting is geclaimd.

Op de situatie dat een werknemer al eerder in dienst was zonder dat premiekorting is toegepast, zoals in casu, ziet uitsluitend het in 2016 ingevoerde artikel 3.19a van de Regeling Wfsv. Omdat de startdatum van de kwalificerende dienstbetrekking van [naam 5] evenwel voor deze datum (1 januari 2016) is gelegen wordt aan dit artikel niet toegekomen. Daarnaast heeft te gelden dat uit het dossier niet volgt dat bij werknemer [naam 5] zich een onder dit artikel vallende situatie voordoet. Ook in de periode daarvoor doet zich geen door de regelgever als misbruik gekenschetste situatie voor. Deze bepaling is namelijk ingevoerd met het oog op de door de regelgever onwenselijk geachte situatie dat werknemers op het moment dat zij 56 worden, ontslagen worden en na een korte periode van uitkering weer in dienst treden, enkel met het oog op het verkrijgen van een premiekorting. Uit de gedingstukken volgt evenwel niet dat er hier sprake is van een ontslag en weer aannemen met als doel om premiekorting te verkrijgen waarop eerder geen recht bestond. Het zit in de aard van het dienstverband als uitzendkracht in de groensector dat overeenkomsten van kortere duur worden aangegaan zoals de feiten ook laten zien, en bovenal bestond in dit geval reeds bij het aangaan van het eerste dienstverband recht op premiekortingtoepassing.

Alsdan heeft te gelden dat de correcties ten aanzien van [naam 5] voor de jaren 2015

(€ 3.269), 2016 (€ 936) en 2017 (€ 326), dienen te vervallen en de naheffingsaanslag met

€ 4.531 dient te worden verminderd.

Uit het voorgaande concludeert het Hof dat de naheffingsaanslag (€ 120.141) verlaagd dient te worden met € 13.583 (zie [naam 1] (€ 4.103) + [naam 2] (€ 4.760), + [naam 3] (€ 189) en [naam 5] (4.531) tot € 106.558.

Boeten

Met betrekking tot de verzuimboeten betoogt belanghebbende dat deze dienen te vervallen. Subsidiair betoogt zij dat deze dienen te worden gematigd tot op 5%, aangezien de materie niet voor eenduidige uitleg vatbaar is en belanghebbende zich hard maakt voor arbeidskrachten met afstand tot de arbeidsmarkt.

Volgens de inspecteur zijn de (resterende) verzuimboeten passend en geboden. Hij voert in dit verband aan dat belanghebbende zich niet kan beroepen op een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld.

Nu de (verlaging van de) correcties ten aanzien van De [naam 1] , [naam 3] en [naam 2] zien op 2014 en 2015 heeft dit geen gevolgen voor de resterende verzuimboeten (deze zien op 2016 en 2017). Omdat de rechtbank de correcties ten aanzien van [naam 5] pleitbaar acht, heeft de rechtbank geoordeeld dat de daarmee corresponderende boete moeten worden verminderd (zie rechtsoverweging 16 van de rechtbank); dit brengt mee dat er geen verdere vermindering voor de met de vervallen correcties (voor de jaren 2016 en 2017) ten aanzien van [naam 5] (zie 5.13.4.) corresponderende boete dient te worden vastgesteld.

Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende dat ook een latere nieuwe dienstbetrekking kan dienen als start voor de premiekortingsperiode aangaande de ingangsdatum van de premiekortingsperiode gevolgd en dientengevolge zal de naheffingsaanslag en de daarmee corresponderende boete worden verminderd. De overige geschilpunten zien op feitelijke stellingen van belanghebbende. Van een pleitbaar standpunt is uitsluitend sprake indien het een standpunt over de interpretatie van het (fiscale) recht betreft, dus om een – geheel of gedeeltelijk – rechtskundig standpunt en doet niet ter zake of zuiver feitelijke stellingen van belanghebbende in redelijkheid verdedigbaar zijn. Voor een verdere vermindering van de boeten in verband met een pleitbaar standpunt is daarom geen plaats.

Voorts is de redelijke termijn in de hoger beroepsfase niet overschreden. De boeten zijn in zoverre terecht, passend en geboden, voor een verdere matiging ziet het Hof geen aanleiding.

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en beslist dient te worden als is opgenomen onder 7.

6. Kosten

Belanghebbende heeft verzocht om integrale proceskostenvergoeding. Volgens belanghebbende rechtvaardigt de handelwijze van de inspecteur een dergelijke vergoeding. Van verregaand onzorgvuldig handelen of handelen tegen beter weten in door de inspecteur is (ook) naar het oordeel van het Hof geen sprake.

Aangezien niet van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is gebleken, ziet het Hof geen aanleiding om dit verzoek te honoreren. De proceskostenveroordeling van de rechtbank blijft in stand.

Het Hof neemt voor de proceskosten van het hoger beroep in aanmerking dat sprake is van samenhang in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De samenhang bestaat met de zaak onder nummer 22/430 en 22/431.

Het Hof bepaalt de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.093,75. Dit bedrag is de helft (de andere helft wordt vastgesteld in de zaak met nummer 22/431) van 2,5 (punten voor proceshandelingen; hoger beroepschrift, zitting bij het Hof en schriftelijke inlichtingen) x 1 (gewicht van de zaak) x 1 samenhang x € 875 = € 2.187,50.

7. Beslissing

Het Hof:

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, A.M. van Amsterdam en

M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 30 april 2024 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?