ECLI:NL:GHAMS:2024:1588

ECLI:NL:GHAMS:2024:1588, Gerechtshof Amsterdam, 11-06-2024, 200.315.004/01

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 11-06-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.315.004/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:1240
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

157 lid 2 Rv; 158 lid 1 Rv. Zoon vordert van moeder nakoming van een door haar ondertekende schuldbekentenis. Schuldbekentenis heeft geen dwingende bewijskracht. Niet met de hand geschreven. Geen bedrijfsschuld. Rechtbank heeft vordering zoon afgewezen. Hof bekrachtigt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.315.004/01

zaak-/rolnummer rechtbank: C/13/704360 / HA ZA 21-622

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 juni 2024

inzake

[appellant] ,

wonende te [plaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. J. Ruijs te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.J.C. Bindels te Utrecht.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

Een zoon stelt dat zijn moeder hem een bedrag van € 630.000,00 verschuldigd is en vordert in rechte betaling daarvan. Daartoe brengt hij een door de moeder ondertekende schuldbekentenis in het geding die volgens hem tussen partijen dwingende bewijskracht toekomt. De rechtbank volgt de zoon hierin niet en oordeelt vrij te zijn in de waardering van het bewijs. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat aan de schuldbekentenis geen overtuigingkracht toekomt. Omdat [appellant] verder onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering te kunnen staven, komt de rechtbank aan verdere bewijslevering niet toe en wijst zij de vordering af. In hoger beroep bestrijdt de zoon tevergeefs het oordeel van de rechtbank dat de schuldbekentenis geen dwingende, maar slechts vrije bewijskracht toekomt. Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 7 juni 2022 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2022, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord;

- akte overleggen producties van de zijde van [appellant] ;

- antwoordakte producties van de zijde van [geïntimeerde] .

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en de nakosten en rente over die kosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Samengevat en aangevuld met enkele andere feiten, die als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist tussen partijen vaststaan, gaat het in deze zaak om het volgende.

[geïntimeerde] is in Iran getrouwd. Samen met haar man heeft zij vijf kinderen. [appellant] is hun enige zoon. Het gezin is naar Nederland verhuisd.

In Nederland zijn [geïntimeerde] en haar man samen eigenaar van een woning aan [straat] en een winkelruimte op de [plaats 3] in [plaats 1] .

[geïntimeerde] heeft samen met haar man en vijf kinderen in de woning aan [straat] gewoond. Zij woont daar reeds meer dan tien jaar niet meer en leeft feitelijk gescheiden van haar man.

[appellant] is op enig moment naar Amerika vertrokken voor het volgen van een pilotenopleiding. Zijn ouders hebben daaraan meebetaald. [appellant] heeft de pilotenopleiding niet afgemaakt en is teruggekeerd naar Nederland.

[appellant] had diverse bedrijven ingeschreven op het adres van de woning aan [straat] . Hij woont momenteel zelf niet in deze woning.

In eerste aanleg en in hoger beroep heeft [appellant] onder meer een productie met de volgende inhoud overgelegd:

Toekenning immateriële schadevergoeding en schuldbekentenis

Ondergetekende, [geïntimeerde] , geboren [geboortedatum 1] , mede namens haar echtgenoot, [appellant] , verklaart bij deze dat haar zoon, [appellant] , geboren [geboortedatum 2] , bij het verlenen van onbezoldigde ondersteunende werkzaamheden in de onderneming [appellant] , gevestigd [plaats 3] [nummer] , [postcode] [plaats 1] , waarbij geen sprake was van een dienstbetrekking, op 10 december 2010 slachtoffer is geworden van een ongeval. Als gevolg van dit ongeval heeft hij zijn opleiding tot piloot in de Verenigde Staten niet voort kunnen zetten en niet kunnen afronden.

Als gevolg hiervan ken ik [appellant] een vergoeding toe wegens immateriële schade van € 630.000. Voormeld bedrag betreft een vergoeding voor ondervonden pijn en gederfde levensvreugde, alsmede inkomensverlies in de toekomst wat door [appellant] geleden zal worden als gevolg van het niet kunnen afronden van de pilotenopleiding, wat het gevolg is van het door hem overeengekomen ongeval.

Ondergetekende verklaart het bedrag van € 630.000 aan [appellant] verschuldigd te zijn per de datum van overeenkomst van de vergoeding.

Aldus overeengekomen op 9 juli 2012 en ondertekend (…)”

In hoger beroep heeft [geïntimeerde] onder meer een productie met de volgende inhoud overgelegd:

“Schuldbekentenis

Ondergetekende, [geïntimeerde] , mede namens haar echtgenoot, [appellant] , verklaart aan haar zoon [appellant] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats 4] , Iran, vanwege door [appellant] gedurende vijftien jaar lang verrichte werkzaamheden zonder daarvoor betaald te zijn geweest, verschuldigd te zijn een bedrag ad € 630.000,=.

Voorts verklaar ik, eveneens mede namens mijn echtgenoot, de opleiding tot piloot te Amerika voor onze [appellant] , waarvan de kosten plusminus € 250.000,= bedragen, te zullen betalen.

[plaats 1] , 1 januari 2008

[geïntimeerde] ”

Op het document staat boven de naam [geïntimeerde] een handtekening. Voorts staat er een tweede handtekening bij de met de handgeschreven volgende tekst:

“Getuige,

[naam]

Geboren [geboortedatum 3] in [plaats 4] in Iran

[datum] [plaats 1] ”

4. De procedure bij de rechtbank

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank en gevorderd dat zij zal worden veroordeeld tot betaling van € 630.000,00 te vermeerderen met wettelijke rente en proceskostenvergoeding. Hij stelt daartoe dat hij, nadat hij is teruggekomen uit Amerika, in de winkel van zijn ouders aan het werk is gegaan zonder daarvoor salaris te ontvangen. Tijdens zijn werkzaamheden is [appellant] op enig moment met zijn voet bekneld geraakt onder het rolluik dat aan de buitenzijde van de winkel hangt, toen zijn moeder dat rolluik naar beneden liet komen. Door dit ongeval kon [appellant] zijn pilotenopleiding niet meer afmaken. In verband daarmee heeft [geïntimeerde] de schuldbekentenis ter hoogte van € 630.000,00 getekend. Aldus steeds [appellant] .

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – geoordeeld dat de overgelegde en onder 3.6 aangehaalde “schuldbekentenis” geen dwingende bewijskracht heeft. Zij heeft zich vrij geacht in de waardering van het bewijs dat wordt opgeleverd door het schriftelijk stuk dat door [appellant] wordt aangemerkt als een schuldbekentenis. Na inachtneming van de stellingen van [appellant] heeft de rechtbank geoordeeld dat het desbetreffende stuk overtuigingskracht ontbeert. Waar van een door [geïntimeerde] veroorzaakt ongeval onvoldoende is gebleken, kan niet ervan worden uitgegaan dat de wil van [geïntimeerde] was gericht op het ondertekenen van een schriftelijke verklaring waarmee zij een betalingsverplichting van € 630.000,00 tegenover haar zoon aanging, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft het algemene bewijsaanbod van [appellant] gepasseerd, omdat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

5. De beoordeling in hoger beroep

Grieven en twee-conclusie-regel

Tegen de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering heeft [appellant] middels zijn memorie van grieven twee grieven aangevoerd.

Bij akte overleggen producties heeft [appellant] niet alleen producties overgelegd en deze toegelicht alsook zijn bewijsaanbod geconcretiseerd, maar vanaf randnummer 16 ook nieuwe grieven geformuleerd. De in artikel 347 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat het hof in beginsel niet behoort te letten op deze grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven zijn aangevoerd. Het voeren van nieuwe argumenten is in beginsel beperkt tot het eerste processtuk dat partijen in hoger beroep mogen nemen. Voor het maken van een uitzondering op deze in beginsel strakke twee-conclusie-regel bestaat naar het oordeel van het hof in deze zaak geen aanleiding. De aard van het onderhavige geschil brengt niet mee dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd. [geïntimeerde] heeft in haar antwoordakte gemotiveerd bezwaar gemaakt en het hof uitdrukkelijk verzocht om de akte van de zijde van [appellant] in ieder geval vanaf randnummer 16 buiten beschouwing te laten. Van een aanpassing aan eerst na de memorie van grieven voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden is geen sprake. [appellant] had zijn standpunten en grieven zoals verwoord in de akte (in het bijzonder vanaf randnummer 16) eerder kunnen en moeten aanvoeren. Met inachtneming van de eisen van de goede procesorde, zal het hof de akte overlegging producties van de zijde van [appellant] dan ook buiten beschouwing laten, voor zover deze vanaf randnummer 16 nieuwe grieven bevatten. Dit betekent dat wel in beschouwing worden genomen de randnummers 1 tot en met 15 en 24 voor zover die een toelichting bevatten op de bij de akte overgelegde producties of een concretisering van het door [appellant] ook eerder gedane bewijsaanbod behelzen.

Standpunten van partijen

[appellant] stelt zich blijkens de toelichting op grief 1 onverkort op het standpunt dat de in de schuldbekentenis overeengekomen € 630.000,00 ter vergoeding is van een ongeval dat hem is overkomen ten tijde van het verrichten van werkzaamheden binnen het (familie)bedrijf. Grief 1 houdt in dat de rechtbank zou hebben miskend dat zij niet vrij is in de waardering van het bewijs dat de schuldbekentenis oplevert, althans dat de rechtbank daarbij gehouden en begrensd is door de feiten en omstandigheden van het geschil als door partijen naar voren gebracht in de procedure. Ook grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de schuldbekentenis geen dwingende, maar slechts vrije bewijskracht toekomt. In de toelichting op grief 2 verwijt [appellant] de rechtbank dat zij over het hoofd heeft gezien dat de ondertekening van de schuldbekentenis door [geïntimeerde] is gedaan in haar hoedanigheid als mede-eigenaresse van de supermarkt waarvoor [appellant] werkzaamheden heeft verricht. Hierdoor is [geïntimeerde] de desbetreffende verbintenis aangegaan in de uitoefening van haar bedrijf zodat artikel 158 lid 2 Rv van toepassing is en komt de schuldbekentenis dwingende bewijskracht toe, aldus [appellant] . Volgens [appellant] heeft het bepaalde in de artikelen 157 lid 2 en 158 Rv tot gevolg dat niet aan een beoordeling van de overtuigingskracht van het bewijs wordt toegekomen en dat slechts dient te worden vastgesteld dat sprake is van een niet betwiste ondertekening.

[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer. Zij betwist dat er een ongeval in de winkel heeft plaatsgevonden waarbij [appellant] gewond is geraakt. Zij betwist de schuldbekentenis bewust te hebben ondertekend en betwist eveneens dit te hebben gedaan in de uitoefening van de supermarkt die zij samen met haar man dreef. Daartoe zou bovendien de schriftelijke toestemming van haar man vereist zijn, die ontbreekt. [geïntimeerde] stelt niet te hebben geweten wat zij tekende en waarvoor zij tekende. Volgens [geïntimeerde] schudt [appellant] de ene na de andere schuldbekentenis uit zijn fantasierijke mouw. Dit blijkt uit de onder 3.7 aangehaalde schuldbekentenis van 1 januari 2008 waarin hetzelfde bedrag van € 630.000,00 wordt genoemd, maar die dateert van voor het vermeende ongeval op 10 december 2010. [geïntimeerde] wijst er ook op dat de datum van dit ongeval ligt ruim nadat de pilotenopleiding door [appellant] zou zijn gevolgd, hetgeen de stelling dat [appellant] de pilotenopleiding niet heeft kunnen afmaken vanwege letsel aan zijn voet en de grondslag van zijn vordering eveneens volkomen ongeloofwaardig maakt. [geïntimeerde] betwist ook dat zij van plan was haar woning in Iran te verkopen om haar zoon te kunnen betalen.

Geen dwingende bewijskracht

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de door hem overgelegde en onder 3.6 aangehaalde schuldbekentenis tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van de daarin neergelegde verklaring over de verschuldigdheid van een geldsom. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Artikel 157 lid 2 Rv bepaalt dat een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Op grond van artikel 158 lid 1 Rv geldt deze dwingende bewijskracht echter niet voor een onderhandse akte waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan, of vastgelegd, voor zover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, tenzij deze partij de akte geheel met de hand heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt. Artikel 158 lid 1 Rv houdt dus een uitzondering in op de hoofdregel van artikel 157 lid 2 Rv. Met dit uitzonderingskarakter en met de tekst van de wet strookt dat aan artikel 158 lid 1 Rv geen ruimere betekenis toekomt dan nodig is om recht te doen aan zijn strekking. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad geldt de uitzondering van artikel 158 lid 1 Rv daarom slechts voor het gedeelte van de verklaring waarin een verbintenis tot voldoening van een geldsom is aangegaan of vastgelegd, terwijl aan de overige inhoud van de desbetreffende akte, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 157 lid 2 Rv, dwingende bewijskracht toekomt (Zie HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1725). Voorts bepaalt lid 2 van artikel 158 Rv dat de uitzondering op de dwingende bewijskracht van een onderhandse akte van lid 1 niet geldt voor verbintenissen die door de schuldenaar in de uitoefening van zijn beroep op bedrijf zijn aangegaan. Voor dergelijke verbintenissen geldt aldus de hoofdregel van artikel 157 lid 2 Rv. Blijkens artikel 151 Rv staat tegenbewijs vrij, in beginsel ook tegen dwingend bewijs.

Op basis van het juridisch kader zoals verwoord in de vorige rechtsoverweging concludeert het hof dat de overgelegde en onder 3.6 aangehaalde verklaring dat ondergetekende het bedrag van € 630.000,00 aan [appellant] verschuldigd is daaromtrent tussen partijen geen dwingend bewijs oplevert, maar vrije bewijskracht heeft. Het betreft immers een verbintenis van slechts één partij die strekt tot voldoening van een geldsom, terwijl de akte niet door [geïntimeerde] met de hand is geschreven en evenmin door haar is voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, zijn stelling kunnen dragen dat [geïntimeerde] deze verbintenis is aangegaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf. Deze stelling wordt niet gedragen door de bewoordingen van de akte zelf. Als ondergetekende wordt “ [geïntimeerde] ” aangeduid met vermelding van haar geboortedatum. Niet is vermeld dat de schuldbekentenis namens de onderneming van [geïntimeerde] wordt aangegaan. De verklaring is niet op het briefpapier van de onderneming opgesteld. Evenmin is vermeld dat het een bedrijfsschuld betreft. De bewoordingen duiden in tegendeel op een persoonlijke schuldbekentenis, terwijl [appellant] zijn vorderingen ook heeft ingesteld tegen de natuurlijke persoon [geïntimeerde] , en niet (mede) jegens de onderneming, naar zeggen van [geïntimeerde] een vennootschap onder firma. Ook als [appellant] wordt gevolgd in zijn stellingen dat tussen partijen vaststaat dat [appellant] onbezoldigde werkzaamheden buiten dienstverband heeft verricht binnen het familiebedrijf en hij bij de uitvoering van die werkzaamheden op 10 december 2010 slachtoffer is geworden van een ongeval, brengt dat niet met zich dat een bedrijfsschuld of persoonlijke schuld van [geïntimeerde] is ontstaan, laat staan dat een (bedrijfs)schuld is ontstaan ter hoogte van € 630.000,00 tot vergoeding van immateriële schade. Overigens verliest [appellant] hierbij uit het oog dat als (een deel van) de inhoud van de akte tussen partijen dwingend bewijs oplevert, [geïntimeerde] tegenbewijs kan leveren (en heeft geleverd), bijvoorbeeld aan de hand van de door haar overgelegde schuldbekentenis van 1 januari 2008 zoals onder 3.7 aangehaald.

Het hof verwerpt het bewijsaanbod van [appellant] , dat niet als voldoende concreet en ter zake dienend kan worden beschouwd, aangezien [appellant] geen feiten te bewijzen heeft aangeboden, die tot een ander oordeel aanleiding zouden kunnen geven. Zoals uit het voorgaande blijkt kan bewijs inzake de aard van zijn onbezoldigde werkzaamheden binnen het familiebedrijf, niet tot een ander oordeel in deze zaak leiden. Dat geldt ook voor bewijs inzake de arbeidsongeschiktheid van zijn vader. En eveneens voor het bewijs inzake het volgen van een pilotenopleiding door [appellant] en inzake letsel aan zijn voet. Bewijs van de stelling dat [geïntimeerde] de Nederlandse taal in woord en geschrift machtig is, en dus anders dan zij stelt de tekst van de door haar ondertekende schuldbekentenissen wel heeft gelezen en begrepen, kan niet afdoen aan het oordeel dat de verklaring slechts vrije bewijskracht heeft. Dit betekent dat [appellant] voor het doen slagen van zijn vordering niet alleen moet stellen – en bij betwisting bewijzen – dat [geïntimeerde] de schuldbekentenis heeft ondertekend, wetende wat zij ondertekende, maar ook dat [geïntimeerde] de wil had om een verplichting tot betaling van een bedrag van € 630.000,00 op zich te nemen, althans dat [appellant] geloofde dat zijn moeder hem dit bedrag daadwerkelijk wilde betalen terwijl hij dit ook mocht geloven, overeenkomstig de zin die hij aan de verklaring onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen. Dit betekent dat de aangeboden getuigenverklaring van fiscalist Tol evenmin als ter zake dienend kan worden aangemerkt. [appellant] heeft niet voldoende concreet toegelicht op welke van zijn stellingen het overige aangeboden getuigenbewijs betrekking heeft. [appellant] heeft niet toegelicht dat bewijslevering over de waarnemingen van de genoemde getuigen omtrent beweegredenen van [geïntimeerde] kan leiden tot het doen slagen van een van zijn grieven. Het hof constateert dat geen bewijs is aangeboden van de stelling dat [geïntimeerde] de gestelde verbintenis is aangegaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf. Evenmin zijn andere feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die de stelling dat de schuldbekentenis tussen partijen dwingende bewijskracht heeft ondersteunen. Als na bewijslevering in rechte zou worden aangenomen – zoals [appellant] stelt en [geïntimeerde] betwist – dat [geïntimeerde] haar woning in Iran op enig moment heeft willen verkopen om [appellant] geld te kunnen betalen, vloeit daaruit niet het bewijs van de stelling voort dat [geïntimeerde] het bedrag van € 630.000,00 aan [appellant] verschuldigd is.

Afronding

Met het voorgaande falen de grieven. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de vordering van [appellant] terecht afgewezen. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld. Hij zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:

- verschotten (griffierecht) € 343,00

- salaris € 7.929,00 (tarief VII, 1,5 punten)

Totaal: € 8.272,00.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 8.272,00;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. E.M. de Stigter, mr. A.L.M. Keirse en mr. T. Riyazi en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2024.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.L.M. Keirse
  • mr. T. Riyazi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2025-0467
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?