GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 23/212
9 januari 2024
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma RB)
tegen de uitspraak van 10 februari 2023 in de zaak met kenmerk HAA 20/6567 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister
1. Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen een uitspraak op bezwaar van de minister waarin hij diverse beslissingen betreffende aan ruim 300 ondernemingen afgegeven invoercertificaten heeft gehandhaafd. In haar uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist:
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt [de minister[ tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 333;
veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 667;
veroordeelt [de minister] in de proceskosten van [belanghebbende], tot een bedrag van € 1.674; en
draagt [de minister] op het betaalde griffierecht van € 354 aan [belanghebbende] te vergoeden.”
Het hogerberoepschrift van belanghebbende is ingekomen op 8 maart 2023 en aangevuld bij brief van 31 maart 2023. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
De Minister van Economische Zaken heeft op 1 juli 2017, op 1 oktober 2017 en op 1 januari 2018 in het kader van Verordening (EG) nr. 616/2007 aan ruim 300 ondernemingen invoercertificaten afgegeven voor de invoer van pluimveevlees uit Brazilië onder de in genoemde verordening vermelde contingenten 09.4211 en 09.4214. Die ondernemingen is daardoor het recht verleend en de verplichting opgelegd om tijdens de geldigheidsduur van de invoercertificaten een bepaalde hoeveelheid pluimveevlees uit Brazilië in te voeren. De invoercertificaten waren alle geldig tot en met 30 juni 2018.
Bij e-mailbericht van 30 mei 2018 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO) heeft belanghebbende melding gemaakt van een staking in Brazilië. Zij heeft daarom gevraagd om een verlenging van de geldigheidstermijn van de in 2.1 bedoelde invoercertificaten toe te staan dan wel om de invoerverplichting (deels) te laten vervallen.
Op 13 augustus 2018 heeft belanghebbende, onder verwijzing naar het in 2.2 bedoelde emailbericht, bij de RVO een verzoek ingediend om een geval van overmacht te erkennen en de zekerheid vrij te geven. In de desbetreffende brief verwijst belanghebbende naar “Operação Carne Fraca” van de Braziliaanse autoriteiten en een “allesomvattende staking in Brazilië”. Verzocht is om vrijgave van een bedrag aan zekerheid van primair (in totaal) € 712.179,70 en subsidiair (in totaal) € 493.560,40. In de brief is verder vermeld dat in de bijlagen daarbij bestanden kunnen worden gevonden met, onder meer, “Machtigingen van de diverse firma’s die wij vertegenwoordigen.” Tot die bijlagen behoort een op 10 augustus 2018 gedagtekend document dat een lijst met 200 ondernemingen bevat. De inleidende tekst van dat document, voorzien van het firmastempel van belanghebbende en een handtekening, luidt als volgt:
“De navolgende firma’s machtigen bij deze [belanghebbende] B.V., om namens hen op te treden als behandelaar voor alle bezwaar- en beroepsprocedures bij de rijksdienst voor ondernemend Nederland.
[belanghebbende] B.V. zal als vertegenwoordiger van deze firma’s optreden.
Er van uit gaande dat u hier mee afdoende bent geïnformeerd, verblijf ik,
Hoogachtend,
[medewerker belanghebbende] ”
Bij aan belanghebbende gerichte brief van 16 januari 2020 heeft de minister het verzoek tot erkenning van overmacht en vrijgave van de gestelde zekerheid afgewezen. Tevens heeft de minister in die brief geschreven dat de voor de in de bijlage vermelde invoercertificaten, die op 2 en 14 augustus 2018 retour zijn ontvangen, de zekerheid wordt verbeurdverklaard, omdat die certificaten niet (volledig) zijn benut binnen de geldigheidsduur ervan. Volgens de brief betreft de verbeurdverklaring een bedrag van in totaal € 716.190,10.
De in 2.4 bedoelde brief van de minister bevat verder overwegingen waarom overmacht wegens “Carne Fraca” en “Stakingen” niet wordt erkend. Het verbeurdverklaarde bedrag aan zekerheid wordt gespecificeerd naar de bijlage. Die bijlage bestaat uit een lijst met onder meer de betrokken invoercertificaatnummers, de namen van de ondernemingen aan wie elk van de invoercertificaten is afgegeven en het bedrag van de daarop verbeurde zekerheid.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van de in 2.4 bedoelde brief op 13 februari 2020 een bezwaarschrift ingediend. De minister heeft dat bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft bij de rechtbank een (gedeeltelijke) kopie overgelegd van een akte van borgtocht, gedagtekend 7 juli 2017, waarin N.V. Nationale Borg-Maatschappij zich als borg stelt:
“(…) voor [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , alsmede de in de bijlage genoemde ondernemingen (hierna te noemen “de Debiteur”), tot een maximumbedrag van (…), voor bedragen welke de Debiteur verschuldigd is of zal worden aan de Minister van Economische Zaken, uit hoofde van financiële verplichtingen ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Algemene douaneregeling en/of de Landbouwwet,
(…)
Deze borgtocht Is uitsluitend van toepassing op de verplichtingen van de Debiteur uit hoofde van de inschrijvingsronde van juli 2017 met betrekking tot invoerregeling gezouten en ander pluimveevlees uit Brazilië, Thailand en andere landen (EG-verordening 616/2007) en zal vervallen na volledige en juiste afwikkeling door de Debiteur van al diens daaruit voortvloeiende verplichtingen. De Minister van Economische Zaken zal daartoe een schriftelijk dechargebericht aan Nationale Borg verstrekken.”
In de begeleidende brief aan de rechtbank van 16 januari 2023 bij het overleggen van de akte van borgtocht heeft belanghebbende in punt 3.3 het volgende geschreven:
“Verweerder wenst thans (…) de door [belanghebbende] BV gestelde borg aan te spreken. Die borg is niet door [belanghebbende] BV ten behoeve van zichzelf gesteld, maar (…) aan andere, zelfstandige entiteiten ofwel de daadwerkelijke importeurs. De borg waar we thans over spreken is dus niet door de importeurs separaat gesteld. Daarbij is de borg niet rechtstreeks gesteld door [belanghebbende] , maar door de Nationale Borg (…). In een akte van borgtocht heeft de Nationale Borg zich borg gesteld.”
Ter zitting bij de rechtbank heeft belanghebbende bevestigd dat het bezwaarschrift van 13 februari 2020 is ingediend uitsluitend voor haarzelf en niet namens de ondernemingen aan wie de invoercertificaten zijn afgegeven en dat al die ondernemingen zijn vermeld in de bijlage bij de onder 2.7 genoemde akte van borgtocht.
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of het bezwaar van belanghebbende terecht nietontvankelijk is verklaard. Meer bepaald houdt partijen verdeeld of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende niet het recht op bezwaar en beroep toekomt tegen enige beslissing in de in 2.4 bedoelde brief van de minister.
4. Beoordeling
Toepasselijkheid Adw
De Algemene douanewet (hierna: de Adw) bevat de nationale bepalingen voor de uitvoering van het Douanewetboek van de Unie (hierna: het DWU) en van Uniewetgeving op andere gebieden als bedoeld in het DWU (zie artikel 1:1, eerste lid, van de Adw). Daarnaast geldt de Adw bij de nakoming van diverse andere verplichtingen uit het internationale recht, waaronder het Unierecht, die op goederen en goederenverkeer betrekking hebben (zie artikel 1:1, tweede tot en met vijfde lid, van de Adw). Met die uitbreiding heeft de wetgever beoogd onder meer aangelegenheden waarvoor tot 1 augustus 2008 de In- en uitvoerwet gold, zoals invoercertificaten, mede onder het bereik van de Adw te brengen (vergelijk Kamerstukken II 2005/06, 30 580, nr. 3, p. 18 en 24-25).
In de Adw noch elders is steun te vinden voor de opvatting, als verdedigd door belanghebbende, dat die wet alleen toepassing vindt bij zaken die de eigen middelen van de Unie aangaan. Of althans dat de Adw niet geldt op terreinen waarover bij de Europese Commissie het Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling (DG AGRI) gaat, zoals de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (in het kader waarvan met invoercertificaten beheerde tariefcontingenten worden opengesteld). In deze zaak, die op invoercertificaten betrekking heeft, is daarom de Adw van toepassing (vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 23 juli 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ7139, rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4).
In artikel 1:5 van de Adw zijn diverse bepalingen van het DWU van overeenkomstige toepassing verklaard op de andere aangelegenheden die mede onder het bereik van de Adw zijn gebracht. Een daarvan is artikel 44, eerste lid, van het DWU, dat het recht op beroep voor het douanerecht regelt. Verder volgt uit artikel 8:1 van de Adw dat artikel 8:1 van de Awb (“Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”) niet geldt in gevallen waarin de Adw van toepassing is. Het begrip ‘belanghebbende’ in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is daardoor in die gevallen niet relevant bij de beoordeling van het recht om beroep in te stellen bij de bestuursrechter.
De regering heeft bij de totstandkoming van de Adw de volgende toelichting gegeven op artikel 1:5 van die wet (Kamerstukken II 2005/06, 30 580, nr. 3, p. 84-85):
“Van overeenkomstige toepassing verklaren CDW/TCDW
Door de in dit artikel genoemde onderdelen van het CDW en het TCDW van overeenkomstige toepassing te verklaren op die gebieden die niet zijn te rangschikken onder de douanewetgeving in de zin van artikel 1 van het CDW wordt een verdere harmonisatie nagestreefd van bestuursrechtelijke bepalingen die betrekking hebben op de onderwerpen die vallen binnen de reikwijdte van deze wet. Deze reikwijdte is in artikel 1:1 gedefinieerd.
Een verdergaande harmonisatie van de regelgeving van de gemeenschappelijke onderwerpen bevordert de transparantie van de wetgeving en voorziet er in dat alle bijzondere wetgeving die valt onder de reikwijdte van de Algemene douanewet te maken heeft met een eenduidig begrippenkader. Hierdoor wordt de vrijwillige nakoming, ook wel compliance genoemd, bevorder[d]. Voor de aldus geharmoniseerde regelgeving behoeft de betrokken justitiabele en ambtenaar zich niet meer te oriënteren op de diverse wetgeving, maar kan erop vertrouwen dat de formele regelgeving waar hij mee te maken heeft ten aanzien van goederen en het goederenverkeer uniform is, ongeacht de plaats waar deze goederen zich bevinden en ongeacht de juridische status van deze goederen (communautair of niet-communautair, nationaal of buitenlands).
Door te kiezen voor het van overeenkomstige toepassing verklaren van de met name genoemde bepalingen van het CDW en TCDW wordt voorkomen dat in de Algemene douanewet ten behoeve van de beleidsterreinen waarop Nederland nog volledig competent is, in plaats van de communautaire wetgever, identieke bepalingen moeten worden opgenomen als de genoemde. Tevens wordt dan voorkomen dat de Algemene douanewet moet worden gewijzigd zodra een van de bedoelde communautaire bepalingen wordt gewijzigd met het risico dat dergelijke wijzigingen niet gelijktijdig worden doorgevoerd. Een bijkomstig voordeel is dat door de genoemde communautaire bepalingen van overeenkomstige toepassing te verklaren de jurisprudentie met betrekking tot die bepalingen zich op gelijke voet ontwikkelt.
De bepalingen die van overeenkomstige toepassing worden verklaard betreffen naast terminologische zaken onder meer de onderwerpen die zien op het recht van vertegenwoordiging, beschikkingen, inlichtingen, het douanetarief, de niet-preferentiële oorsprong, bezwaar en beroep [cursivering Hof] en rechtsgevolgen van in een andere lidstaat getroffen maatregelen, van aldaar afgegeven documenten en aldaar gedane vaststellingen.”
In de parlementaire geschiedenis heeft de regering verder het volgende opgemerkt over het niet van toepassing verklaren van artikel 8:1 van de Awb (Kamerstukken II 2005/06, 30 580, nr. 3, p. 131-132):
“Het niet van toepassing verklaren van artikel 8:1, eerste lid, is gelegen in het feit dat het CDW in artikel 243, eerste lid, zelf de kring van personen benoemt die gerechtigd zijn bezwaar en beroep in te stellen. Voorts wordt hier nog opgemerkt dat een – in ieder geval theoretisch – verschil bestaat tussen de belanghebbende bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht en de persoon die het recht heeft bezwaar en beroep in te stellen bedoeld in het CDW. In het geval van de Awb wordt een persoon een belanghebbende indien deze rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het CDW dient een persoon niet alleen rechtstreeks maar ook individueel te worden geraakt.”
Gelet op het voorgaande dient het recht op beroep in dit geval te worden beoordeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste lid, van het DWU. Aldaar is bepaald dat eenieder het recht heeft beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.
Belanghebbende heeft op zich terecht erop gewezen dat artikel 44, eerste lid, van het DWU (gelezen in samenhang met artikel 5, onder 39, van het DWU, met de definitie van het begrip ‘beschikking’ voor het douanerecht) strikt genomen is geschreven voor beslissingen van ‘douaneautoriteiten’ over de toepassing van ‘douanewetgeving’. Bij de overeenkomstige – en dus niet strikte of onverkorte – toepassing van artikel 44, eerste lid, van het DWU is echter een ruimere uitleg geboden. Anders zou door artikel 8:1 van de Adw de mogelijkheid van beroep bij de bestuursrechter op terreinen waarop die wet mede van toepassing is tegen de kennelijke bedoeling van de wetgever in ernstig worden beperkt. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste lid, van het DWU is daarom de andere wetgeving, of althans het andere recht, bij de uitvoering waarvan de Adw mede geldt, als ‘douanewetgeving’ te beschouwen en de in dat kader bevoegde autoriteit (bestuursorgaan) als ‘douaneautoriteit’.
Hetgeen in 4.3 tot en met 4.6 is overwogen leidt ertoe dat het recht op beroep in de context van invoercertificaten toekomt aan personen die rechtstreeks en individueel zijn geraakt door een beschikking van de bevoegde autoriteit in dat kader, zijnde de minister. Voor het van het recht op beroep afgeleide recht om bezwaar te maken, geldt hetzelfde (vergelijk de uitspraak van het Hof van 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4582). Beoordeeld moet daarom worden of belanghebbende aldus rechtstreeks en individueel is geraakt.
Gevolgen in het voorliggende geval
De invoercertificaten vermeld in de bijlage bij de brief van de minister van 16 januari 2020 zijn niet aan belanghebbende toegekend, maar aan ruim 300 andere ondernemingen. De verplichtingen met betrekking tot die invoercertificaten rust(t)en daarom ook op die ruim 300 andere ondernemingen. Dat geldt ook voor de verplichting om zekerheid te stellen bij de aanvraag ervan (zie artikel 4, tweede lid, van Gedelegeerde verordening (EU) 2016/1237).
Voormelde ruim 300 ondernemingen hebben de van hen verlangde zekerheid gesteld door middel van een borgtocht van N.V. Nationale Borg-Maatschappij. Laatstgenoemde heeft zich, gezien de akte van borgtocht, als borg gesteld voor de ruim 300 ondernemingen én – enigszins opmerkelijk, nu zij geen invoercertificaten voor zichzelf heeft aangevraagd – belanghebbende (zie 2.7 en 2.8). Uit de nadere toelichting die belanghebbende ter zitting in hoger beroep heeft gegeven, begrijpt het Hof dat wanneer de zekerheid wordt uitgewonnen, N.V. Nationale Borg-Maatschappij uit hoofde van de (civiele) overeenkomst van borgtocht een (regres)vordering op belanghebbende krijgt. Anders dan belanghebbende heeft betoogd, maakt dat haar echter niet ook zelf borg.
Medio 2018 heeft belanghebbende de minister verzocht overmacht te erkennen en een bedrag aan zekerheid vrij te geven met betrekking tot de invoercertificaten die aan 309 van de ruim 300 ondernemingen zijn toegekend. Dat verzoek heeft belanghebbende uiteindelijk formeel gedaan met haar brief van 13 augustus 2018 (zie 2.3). Kennelijk heeft zij daarbij beoogd op te treden namens de bedoelde 309 ondernemingen. Met een verzoek voor zichzelf valt althans niet te rijmen dat bij de brief een als machtiging aangeduid document is gevoegd met de namen van 200 van de ruim 300 andere ondernemingen erin. Dat wordt niet anders als die machtiging ontoereikend zou zijn, zoals belanghebbende inmiddels stelt.
In zijn brief van 16 januari 2020 reageert de minister op de in 4.10 bedoelde verzoeken met een afwijzing daarvan en de mededeling dat de gestelde zekerheid met betrekking tot de in de bijlage bij de brief vermelde invoercertificaten tot een zeker bedrag is verbeurd. Anders dan belanghebbende heeft betoogd, is het redelijkerwijs niet voor enig misverstand vatbaar dat de brief aan haar als (beweerdelijk) gemachtigde is gericht. Geen indicatie bestaat dat de minister heeft beoogd belanghebbende in een andere hoedanigheid te benaderen of dat hij grond heeft gezien belanghebbende aan te spreken voor verplichtingen die niet de hare zijn.
Maar zelfs als belanghebbende niet als gemachtigde zou zijn aangeschreven, is zij niet rechtstreeks en individueel geraakt door de afwijzing van de in 4.10 bedoelde verzoeken en het verbeurdverklaren van de zekerheid. Zij wordt daardoor hooguit indirect geraakt over de band van de (civiele) overeenkomst van borgtocht. En dat bovendien alleen wanneer de 309 ondernemingen niet het uitwinnen van de zekerheid voorkomen door het bedrag van de verbeurde zekerheid te betalen en anders belanghebbende inderdaad met een regresvordering van de borg wordt geconfronteerd als de minister de zekerheid uitwint (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1626, rechtsoverweging 4.6).
Daarom komt belanghebbende niet het recht op beroep toe, en evenmin het van dat recht afgeleide recht om bezwaar te maken, tegen enige beslissing in de brief van de minister van 16 januari 2020. Bij die stand van het geding behoeft hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, geen behandeling.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
5. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 9 januari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: