GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.293.048/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7712630 CV EXPL 19-9051
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 november 2024
inzake
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. M.J.M.T. Keulaerds te 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
[geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
geïntimeerden,
tevens incidenteel appellanten,
advocaat: mr. K.J. Hillebrandt te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna ABN AMRO en [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 3 september 2024 een arrest (hierna ‘het arrest’) uitgesproken. Bij e-mail van 9 september 2024 heeft mr. Keulaerds zich namens partij ABN AMRO op het standpunt gesteld (i) dat het hof heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde en het hof verzocht tot aanvulling van het arrest over te gaan en (ii) dat het arrest een kennelijke schrijffout bevat die verbetering behoeft. Het hof heeft [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij schrijven van 15 oktober 2024 in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Deze reactie is op 28 oktober 2024 ontvangen, waarbij mr. Hillebrandt zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.
2. Beoordeling
Verzoek tot aanvulling op grond van artikel 32 Wetboek van Rechtsvordering (Rv)
Bij memorie van grieven van 29 juni 2021 heeft ABN AMRO in voornoemde zaak — voor zover hier van belang — onder meer gevorderd:
“dat het uw Gerechtshof moge behagen het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
[. . .1
III. [geïntimeerde 1] te veroordelen het op 2 april 2021 door ABN AMRO uit hoofde van het bestreden vonnis aan hem betaalde bedrag van in totaal EUR 571.121,79 terug te betalen aan ABN AMRO, verhoogd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [geïntimeerde 2] te veroordelen het op 2 april 2021 door ABN AMRO uit hoofde van het bestreden vonnis aan hem betaalde bedrag van in totaal EUR 238.108,80 terug te betalen aan ABN AMRO, verhoogd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;”
In r.o. 2.20 van het arrest heeft het Hof met betrekking tot deze vorderingen overwogen:
“Nu ABN AMRO is geslaagd in haar bewijsopdracht, is de slotsom in principaal appel dat de grief slaagt en het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. In aanmerking genomen hetgeen in het tussenarrest onder 1.4 en 3.18 is overwogen, zullen de vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] alsnog worden afgewezen (vordering in principaal appel sub i) en zullen zij worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag dat ABN AMRO hen uit hoofde van het bestreden vonnis heeft betaald (vordering sub iii), (…)”.
ABN AMRO heeft terecht aangevoerd dat het hof heeft verzuimd deze veroordeling in het dictum van zijn beslissing op te nemen, zodat sprake is van de situatie bedoeld in artikel 32 Rv dat is verzuimd op een onderdeel van het gevorderde te beslissen. Het verzoek tot aanvulling zal op de navolgende wijze worden toegewezen.
Verzoek ex art. 31 Rv.
ABN AMRO heeft voorts aangevoerd dat in de eerste zin van r.o. 2.18 van het arrest een kennelijke schrijffout staat. In die rechtsoverweging staat: “Het hof acht de verklaringen die [X] en [geïntimeerde 2] hebben gegeven op de hiervoor genoemde punten plausibel”.
ABN AMRO voert terecht aan dat in deze zinsnede de naam [geïntimeerde 2] is verwisseld met die van [Y] , aangezien de verklaringen waarnaar in deze rechtsoverweging van het arrest wordt verwezen de verklaringen van de getuigen [X] en [Y] betreffen en niet die van [geïntimeerde 2] . Het hof zal deze verschrijving als volgt corrigeren.
3. Beslissing
Het hof:
-Veroordeelt [geïntimeerde 1] om het op 2 april 2021 door ABN AMRO uit hoofde van het bestreden vonnis aan hem betaalde bedrag van in totaal EUR 571.121,79 terug te betalen aan ABN AMRO, verhoogd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
-Veroordeelt [geïntimeerde 2] om het op 2 april 2021 door ABN AMRO uit hoofde van het bestreden vonnis aan hem betaalde bedrag van in totaal EUR 238.108,80 terug te betalen aan ABN AMRO, verhoogd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
-Verstaat dat in rechtsoverweging 2.18 van het arrest gelezen dient te worden:“Het hof acht de verklaringen die [X] en [Y] hebben gegeven op de hiervoor genoemde punten plausibel” in plaats van “Het hof acht de verklaringen die [X] en [geïntimeerde 2] hebben gegeven op de hiervoor genoemde punten plausibel”.
-Vult aan en verbetert het op 3 september 2024 in deze zaak uitgesproken arrest in deze zin aan;
-Stelt de aanvulling en verbetering op de minuut van dat arrest.
Dit arrest is gewezen door mrs. T.S. Pieters, G.C. Boot en M.W. Speksnijder en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 november 2024.