GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/275
13 maart 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
tegen de uitspraak van 22 januari 2024 in de zaak met kenmerk AMS 22/4886 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaar tegen een dwangsombeschikking niet-ontvankelijk verklaard.
In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen en beslist (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’):
“Welke beslistermijn is van toepassing?
12. De rechtbank overweegt dat artikel 4:19 van de Awb ertoe strekt dat een bezwaar of beroep tegen de dwangsombeschikking in beginsel wordt gevoegd in de procedure met betrekking tot het onderliggende, materiële geschil. Deze bepaling dient de proceseconomie. In dit geval kan dat niet (meer), omdat de procedure over het onderliggende besluit na de bezwaarfase geëindigd is. Uit rechtspraak volgt dat ook wanneer over het onderliggende besluit zelf niet (meer) geprocedeerd wordt, de procedurele regels die van toepassing zijn op het onderliggende besluit gevolgd worden in de procedure tegen de dwangsombeschikking – in ieder geval voor zover het gaat over welke rechter bevoegd is en welke waarde per punt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat hier wat betreft de bezwaarbeslistermijn bij moet worden aangesloten. Dat betekent dat de beslistermijn in dit geval tot het einde van het kalenderjaar loopt, omdat dat de beslistermijn is die geldt bij een bezwaar tegen het onderliggende besluit.
13. Anders dan eiser heeft aangevoerd, vindt de rechtbank deze uitkomst niet in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Doordat de beslistermijn in alle gevallen die van het onderliggende besluit volgt, is juist meteen duidelijk wat die termijn is. Een uitkomst waarbij de beslistermijn zou afhangen van de vraag of over het onderliggende besluit nog geprocedeerd wordt, zou maken dat het minder duidelijk is welke termijn van toepassing is. De uitkomst dat altijd een termijn van zes weken geldt, ligt niet voor de hand omdat dit in strijd is met artikel 4:19 van de Awb, op grond waarvan bezwaren tegen een dwangsombeschikking in beginsel worden gevoegd in de procedure tegen het onderliggende besluit.
14. De rechtbank overweegt verder dat de tekst van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet zich niet tegen deze uitkomst verzet. Er staat namelijk niet dat de bijzondere beslistermijn zich beperkt tot besluiten over lokale heffingen. Wel staat er dat deze beslistermijn alleen voor de heffingsambtenaar (“de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar”) geldt. Dat is ook de reden dat de uitkomst in deze zaak anders is dan de uitspraak waar eiser naar verwijst van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2023. Daar ging het namelijk om een besluit van de invorderingsambtenaar (de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar), waarvoor de bijzondere beslistermijn van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet niet geldt.
15. Ten aanzien van de beroepsgrond dat de bijzondere beslistermijn in het leven is geroepen vanwege de piekbelasting door WOZ-beschikkingen aan het begin van het kalenderjaar, overweegt de rechtbank dat zij daarin geen aanleiding ziet om tot een ander oordeel te komen. De wetgever heeft de bijzondere beslistermijn namelijk niet expliciet beperkt tot procedures die direct verband houden met de piekbelasting. Deze beslistermijn geldt immers ook voor besluiten die geen piekbelasting kennen, bijvoorbeeld voor naheffingsaanslagen parkeerbelasting.
(…)
Conclusie en gevolgen
17. De heffingsambtenaar had tot het einde van het kalenderjaar 2022 om te beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. De ingebrekestelling van 8 juli 2022 was dus prematuur, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
18. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.”
4. Beoordeling van het geschil
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in voormelde overwegingen 12 tot en met 15, 17 en 18 van de bestreden uitspraak op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen en neemt dit oordeel alsmede de gronden waarop dit berust over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt.
Artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet voorziet voor alle bezwaarschriften die worden ingediend bij de heffingsambtenaar (behoudens bezwaarschriften die zijn ingediend in de laatste zes weken van het kalenderjaar) in een beslistermijn die eindigt op 31 december van het jaar waarin het bezwaarschrift is ingediend. Deze uitzondering op het bepaalde in artikel 7:10, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is blijkens de wetsgeschiedenis weliswaar opgenomen in de Gemeentewet “met het oog op de piekbelasting als gevolg van de koppeling van de verzending van de gemeentelijke belastingaanslagen aan de beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken”, maar is door de wetgever niet beperkt tot beschikkingen op grond van de Wet WOZ en de aan die beschikking gerelateerde belastingaanslagen.
Het Hof is, anders dan belanghebbende ter zitting in hoger beroep heeft betoogd, niet bevoegd om te beoordelen of de in artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet voorziene afwijking van artikel 7:10, lid 1, van de Awb in voorkomend geval wel redelijk is.
Slotsom
De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
5. Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, F.J.P.M. Haas en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 13 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: