ECLI:NL:GHAMS:2025:1838

ECLI:NL:GHAMS:2025:1838, Gerechtshof Amsterdam, 27-03-2025, 24/90 tot en met 24/93

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/90 tot en met 24/93
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Parkeerbelasting. Beroep op het vertrouwensbeginsel. Ongewijzigd standpunt van de heffingsambtenaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/90 tot en met 24/93

27 maart 2025

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 15 november 2023 in de zaak met kenmerken HAA 22/4469, HAA 22/4470, HAA 22/471 en HAA 22/4472 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] , de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft op 19 februari 2022, tweemaal op 24 februari 2022 en op 3 maart 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende.

De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de hiervoor genoemde vier naheffingsaanslagen in (vier) uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft geen van beide partijen kenbaar gemaakt een zitting te wensen. Het onderzoek is op 25 maart 2025 gesloten.

2. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“1. Eiser is kentekenhouder van een personenauto van het merk Volkswagen met het kenteken [#] (hierna: de auto).

2. Op de volgende tijdstippen heeft parkeercontrole plaatsgevonden waarbij de controleur heeft geconstateerd dat voor de daar stilstaande auto geen parkeerbelasting was voldaan:

- 10 februari 2022 om 09:47 uur, aan de [straat 1] te [plaats] ,

- 16 februari 2022 om 09:54 uur, aan de [straat 2] te [plaats] ,

- 17 februari 2022 om 09:30 uur, aan de [straat 1] te [plaats] , en

- 23 februari 2022 om 09:39 uur, aan de [straat 1] te [plaats] .”

Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt daaraan het volgende toe. In de zittingsaantekeningen van de zitting van de rechtbank staat onder andere het volgende vermeld:

“[Belanghebbende:] (…) Vanaf 2019 moest ik in de gemeente [Y] zijn voor mijn werk. Voordat ik daar ging werken, heb ik gekeken hoe het zat met parkeren in de gemeente. Er stond dat ik op elke parkeerplaats kon parkeren door mijn kaart op het dashboard te leggen.

(…)

[Heffingsambtenaar:] (…) Parkeerplaatsen met bordje erboven “invalide”, dat werkt met een kaart. Maar als je wil staan op een betaalde parkeerplaats dan moet je een vergunning hebben, want die parkeerplaatsen staan op de kaart van de scanauto. Vandaar dat er een vergunningensysteem is gehanteerd. Dus met de kaart kan alleen op gehandicaptenplaats worden geparkeerd, maar voor betaald parkeren moet je een vergunning hebben. (…)

[Rechter:] als ik het samenvat: u zegt ik heb gekeken wat de regels waren.

[Belanghebbende:] gebeld. Voordat ik naar [plaats] ging voor m’n werk heb ik gebeld naar de gemeente en die hebben het me toen uitgelegd. Ik denk dat ik weet waar het probleem zit. Mevrouw zegt het is vanaf 2017 [Hof: het vereiste van een digitale vergunning]. Maar pas vanaf 2021 zijn er scanauto’s ingevoerd en waarschijnlijk is het daardoor zo gelopen dat ik er nu ineens vier achter elkaar kreeg. En degene die ik toen gebeld heb die heeft het verkeerd begrepen misschien maar die heeft gezegd: u kunt gewoon parkeren met invalidekaart op uw dashboard, dat is nog niet gedigitaliseerd.”

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“6. Niet in geschil is dat eiser zonder een digitale gehandicaptenvergunning heeft geparkeerd op een parkeerplaats waar ten tijde van het parkeren ter plaatse een betaald parkeren regime gold. Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen [Y] 2022 moet een parkeerder in het bezit zijn van een gehandicaptenparkeervergunning om daar te parkeren zonder parkeerbelasting verschuldigd te zijn.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Gemeenten zijn vrij hun eigen parkeerbeleid te bepalen en te wijzigen. Dat brengt mee dat iemand die parkeert in een voor hem of haar onbekende gemeente zich op de hoogte dient te stellen van deze regels en er rekening mee moet houden (Hof Den Haag,18 oktober 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:BH9896, nr. BK-01/00929). Eiser had een onderzoeksplicht en mocht er niet vanuit gaan dat parkeren met de (Europese) gehandicaptenkaart in alle gemeenten zonder betaling mogelijk zou zijn (Gerechtshof Amsterdam 23 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:363). Voor de gemeente geldt dat zij zich moet inspannen om te zorgen dat het geldende parkeerbeleid ook voor bezoekers van buiten de gemeente voldoende kenbaar is.

8. Op de website van de gemeente [Y] staat vermeld dat met de digitale gehandicaptenparkeervergunning in de gemeente [Y] gratis kan worden geparkeerd op alle parkeerplaatsen op straat waar betaald parkeren geldt. Ook indien iemand in een andere gemeente woont, kan deze vergunning gratis worden aangevraagd. Eiser had de website van de gemeente [Y] kunnen raadplegen, zodat hij er dan van op de hoogte was dat een vergunning kon worden aangevraagd om op betaald parkeerplaatsen te kunnen parkeren zonder parkeerbelasting verschuldigd te zijn. Eiser heeft dit niet gedaan, terwijl het parkeerbeleid voor bezoekers van buiten de gemeente voldoende kenbaar is gemaakt op de website van de gemeente.

9. Ter zitting voert eiser aan dat hij in 2019 telefonisch bij de gemeente [Y] heeft geïnformeerd naar het geldende parkeerbeleid vanwege zijn gehandicaptenparkeerkaart en dat hem toen door een gemeenteambtenaar is medegedeeld dat hij op elke betaalde parkeerplaats kon parkeren met die gehandicaptenparkeerkaart.

10. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Artikel 11 van de Parkeerverordening [Y] 2017, op grond waarvan een gehandicaptenparkeerkaart kan worden aangevraagd, is in 2017 in werking getreden. De regelgeving was dus al van kracht op het moment dat eiser telefonisch met de gemeenteambtenaar sprak. Ter zitting heeft eiser onvoldoende concrete informatie en context aangevoerd om die uitlatingen, waarvan de inhoud in strijd is met de geldende regelgeving, te onderbouwen, zoals: wanneer het gesprek plaatsvond, met wie eiser toen heeft gesproken, wat eiser precies heeft gevraagd aan de gemeenteambtenaar en wat het exacte antwoord was.

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gesteld dat namens verweerder uitlatingen zijn gedaan waaraan eiser het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen.

12. De rechtbank begrijpt dat eiser dit als een onredelijke uitkomst ervaart. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij niet de intentie had om de regelgeving niet na te komen. Er is echter geen sprake van een boete, zoals eiser stelt, maar van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De parkeerbelasting is een zogenoemde objectieve belasting en dit betekent dat met persoonlijke omstandigheden, zoals in dit geval het ontbreken van enige opzet of schuld, geen rekening wordt gehouden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd.

13. Op zitting is besproken dat verweerder een coulancebeleid hanteert. Verweerder heeft toegelicht dat dit beleid pas opgaat als meer dan vijf naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Het beleid biedt eiser in dit geval dus geen soelaas. De rechtbank kan aan verweerder geen eigen coulancebeleid opleggen. De vier naheffingsaanslagen blijven dan ook in stand.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Ook in hoger beroep verklaart belanghebbende dat hij met de gemeente [plaats] heeft gebeld om te informeren hoe het zat met parkeren voor invaliden en dat hem toen is verteld dat hij in de gehele gemeente kon parkeren door de kaart op het dashboard te leggen. Evenals de rechtbank reeds heeft gedaan begrijpt het Hof dit als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het Hof is van oordeel dat dit beroep niet slaagt. Hetgeen de rechtbank daartoe (en anderszins) heeft overwogen in onderdelen 6 tot en met 14 van haar uitspraak – zoals hierboven geciteerd – acht het Hof juist. Het Hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Het Hof overweegt voorts als volgt.

Aan een succesvol beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel staat naar het oordeel van het Hof in de weg dat belanghebbende onvoldoende concrete informatie en context heeft aangevoerd inzake de door hem gestelde telefonische mededeling (zie onderdeel 10 van de uitspraak van de rechtbank). Daarnaast hield hij klaarblijkelijk zelf ook al rekening met de mogelijkheid dat sprake is geweest van een misverstand (zoals belanghebbende ter zitting van de rechtbank heeft erkend, zie 2.2).

Dat belanghebbende – naar hij stelt – al gedurende twee jaar regelmatig op dezelfde wijze had geparkeerd zonder daarvoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting ontvangen te hebben maakt het voorgaande niet anders. Het Hof overweegt dat de verklaring die partijen voor die verandering gaven – dat de gemeente [Y] ging controleren met scanauto’s – duidt op een intensivering van het toezicht, niet op wijziging in standpunt van de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar is er vrij in de intensiteit van zijn handhaving te bepalen. Aan het uitblijven van naheffingsaanslagen in het verleden kon belanghebbende geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat deze ook in de toekomst uit zouden blijven.

Aan het voorgaande doet voorts niet af dat belanghebbende te goeder trouw was, hetgeen de heffingsambtenaar overigens ook niet bestrijdt. Zoals ook de rechtbank overwoog gaat het erom vast te stellen of de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd en daarvoor is een verwijt van opzet of schuld van belanghebbende (of zijn goede of kwade trouw) niet van belang.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Kosten

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M.J. Leijdekker en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 27 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:f

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?