ECLI:NL:GHAMS:2025:1928

ECLI:NL:GHAMS:2025:1928, Gerechtshof Amsterdam, 15-07-2025, 200.353.977

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 15-07-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200.353.977
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Hoger beroep in vrijwaringszaak; tegen het bij verstek gewezen vrijwaringsvonnis heeft voor appellant (in eerste aanleg: gedaagde) op grond van artikel 143 Rv niet het rechtsmiddel van hoger beroep, maar dat van verzet opengestaan; het beroep op artikel 140 Rv kan appellant niet baten; niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.353.977/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/356594 / HA ZA 24-510

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 juli 2025

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] , gemeente Leidschendam-Voorburg,

appellant,

advocaat: mr. E. El-Sharkawi te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats 2] , gemeente Edam-Volendam,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 17 april 2025 heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 januari 2025.

Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 6 mei 2025.

Tegen geïntimeerde is op die roldatum verstek verleend.

Bij rolbeslissing van 6 mei 2025 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 20 mei 2025 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep en is bepaald dat geïntimeerde - indien hij alsnog in het geding verschijnt - op een termijn van twee weken bij antwoordakte daarop zal mogen reageren.

Appellant heeft zich op de rol van 20 mei 2025 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid. Geïntimeerde is niet alsnog verschenen.

Arrest is bepaald op heden.

2. Beoordeling

Het bestreden vonnis is gewezen in de vrijwaringszaak tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde. Tegen appellant is in die zaak verstek verleend. Dit betekent dat voor appellant op grond van artikel 335 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet het rechtsmiddel van hoger beroep, maar dat van verzet (artikel 143 Rv) heeft opengestaan.

Appellant heeft bij akte aangevoerd dat in artikel 140 Rv wordt bepaald dat, indien er meer gedaagden zijn en tenminste één van hen in het geding is verschenen, tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd waartegen hoger beroep openstaat. Dit betoog kan appellant niet baten. Het bestreden vonnis betreft de vrijwaringszaak met zaak- en rolnummer

C/15/356594 / HA ZA 24-510 en is enkel gewezen tussen geïntimeerde als eiser en appellant als (niet verschenen) gedaagde, zodat zich in de onderhavige zaak de situatie waarop artikel 140 Rv ziet niet voordoet. De omstandigheid dat tegelijkertijd vonnis is gewezen in de hoofdzaak met zaak- en rolnummer C/15/351990 / HA ZA 24-246 tussen [naam] als eiser en geïntimeerde als verschenen gedaagde, leidt niet tot een ander oordeel. De hoofdzaak en de vrijwaringszaak zijn twee afzonderlijke en zelfstandige procedures.

Volgens appellant geldt de regeling van artikel 140 Rv ingevolge lid 4 van dat artikel hier toch, omdat hij een derde is die op de voet van artikel 118 Rv als partij in de procedure tussen Ebraheem en geïntimeerde is opgeroepen. Het hof volgt appellant hierin niet. De dagvaarding in vrijwaring van appellant is namelijk geen oproeping als partij in het geding als bedoeld in artikel 118 Rv; door die dagvaarding is appellant dus geen partij in de hoofdzaak geworden. Daarbij komt dat het hoger beroep van appellant geen betrekking heeft op die hoofdzaak, maar op de vrijwaringszaak.

Anders dan appellant nog lijkt te betogen, doet zich hier ook overigens niet de situatie voor waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de regeling van artikel 140 Rv daarop van overeenkomstige toepassing is om tegenstrijdige uitspraken ten aanzien van dezelfde rechtsbetrekking te voorkomen. De hoofdzaak en de vrijwaringszaak hebben immers niet dezelfde rechtsbetrekking tot onderwerp.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat appellant niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Hij zal worden veroordeeld in de proceskosten, die op nihil worden begroot.

3. De beslissing

Het hof:

verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand