GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3462
24 juli 2025
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: G. Veldhuisen),
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 4 juli 2024 in de zaken met kenmerken HAA 22/6288 en HAA 23/1896 in het geding tussen
belanghebbende
en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de invorderingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De rechtbank heeft als volgt beslist op de beroepen van belanghebbende betreffende (i) op 28 mei 2022 aan hem in rekening gebrachte aanmaningskosten en (ii) op 2 juli 2022 aan belanghebbende in rekening gebrachte betekeningskosten, een en ander in verband met een openstaand bedrag aan gemeentelijke belastingen voor het jaar 2021:
“De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
verklaart de bezwaren ongegrond;
draagt [de invorderingsambtenaar] op het betaalde griffierecht van € 50 voor de zaak met zaaknummer HAA 22/6288 aan [belanghebbende] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening, en
draagt [de invorderingsambtenaar] op het betaalde griffierecht van € 50 voor de zaak met zaaknummer HAA 23/1896 aan [belanghebbende] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.”
Belanghebbende heeft het hoger beroep ingesteld door een beroepschrift in te dienen. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 op één biljet een WOZ-beschikking, een aanslag OZB (€ 275,13) en een aanslag rioolheffing (€ 134,86) bekendgemaakt betreffende het object [adres] te [plaats] . Voor de betaling van de belastingen, in totaal € 409,99, heeft belanghebbende een machtiging voor automatische incasso afgegeven. Op het aanslagbiljet staat dat het totaalbedrag van de belastingen automatisch van de bankrekening wordt afgehaald en zijn negen data vermeld waarop de automatische incasso wordt uitgevoerd, waarvan de laatste 31 december 2021 is. Voor het overige is op het aanslagbiljet geen betalingstermijn vermeld.
Tegen de WOZ-beschikking en aanslag OZB heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Daarbij is niet verzocht om uitstel van betaling. Met dagtekening 14 maart 2022 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op dat bezwaar gedaan. In een bijlage bij die uitspraak is vermeld dat de betaalwijze van een nog overblijvend bedrag afhangt van het gebruik van automatische incasso en dat belanghebbende bij het gebruik van automatische incasso het nog te betalen bedrag ‘direct’ uit eigener beweging moet overmaken wanneer de laatste betalingstermijn al is geweest. Daarbij is vermeld: “U kunt de betalingstermijnen vinden op uw aanslag.”
De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende op 28 mei 2022 een aanmaning gestuurd voor een nog te betalen bedrag aan gemeentelijke belastingen voor het jaar 2021 van € 134,86. Dat bedrag is gelijk aan het totaal van de verschuldigde belastingen (€ 409,99) verminderd met een betaald dan wel kwijtgescholden bedrag van € 275,13. Op de aanmaning zijn in rekening gebracht de aanmaningskosten van € 8 die in dit geding aan de orde zijn.
Op 2 juli 2022 heeft de invorderingsambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd voor de betaling van het in 2.3 vermelde bedrag aan gemeentelijke belastingen en de aldaar vermelde aanmaningskosten. Op het dwangbevel zijn in rekening gebracht de betekeningskosten van € 49 die in dit geding aan de orde zijn.
3. Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of de aanmaningskosten en betekeniskosten terecht in rekening zijn gebracht, of de uitspraak op bezwaar rechtsgeldig is gedaan en of de rechtbank terecht geen kostenvergoeding heeft toegekend.
4. Beoordeling
Aanmaningskosten en betekeningskosten
Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte aanmanings- en betekeningskosten samengevat aangevoerd dat de invorderingsambtenaar de (gedeeltelijke) niet-betaling van de gemeentelijke belastingen aan zichzelf te wijten heeft. Hij heeft immers een machtiging voor automatische incasso waarvan de invorderingsambtenaar geen gebruik heeft gemaakt, terwijl niet om uitstel van betaling is verzocht.
De klacht slaagt. Nu op het aanslagbiljet staat dat het verschuldigde bedrag automatisch wordt geïncasseerd, maar (i) de invorderingsambtenaar geen gebruik heeft gemaakt van de door belanghebbende gegeven machtiging voor automatische incasso, (ii) belanghebbende niet om uitstel van betaling heeft verzocht, en (iii) de invorderingsambtenaar niet aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat ambtshalve uitstel van betaling zou zijn verleend voor het bedrag van de aanslag rioolheffing, waarvoor is aangemaand, noch dat dit uitstel zou zijn geëindigd, kon de invorderingsambtenaar niet zonder meer tot aanmaning overgaan. Bovendien bevat het aanslagbiljet geen betalingstermijn, maar enkel data waarop de automatische incasso zou worden uitgevoerd. Ook daarom is ten onrechte aangemaand en een dwangbevel betekend. De kostenbeschikkingen dienen daarom te worden vernietigd.
De betalingsinstructies bij de in 2.2 bedoelde uitspraak op bezwaar leiden niet tot een ander oordeel, reeds omdat die uitspraak alleen de WOZ-beschikking en aanslag OZB betreft, terwijl het bedrag waarvoor is aangemaand, kennelijk de aanslag rioolheffing betreft.
Rechtsgeldigheid uitspraak op bezwaar
Nu de kostenbeschikkingen worden vernietigd, heeft belanghebbende geen belang bij een beoordeling van zijn klachten over de rechtsgeldigheid van de uitspraak op bezwaar.
Kostenvergoeding
Belanghebbende heeft met betrekking tot het niet toekennen van een kostenvergoeding door de rechtbank samengevat aangevoerd dat G. Veldhuisen wel als derde beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, en dat anders ten minste reden bestaat om een vergoeding van reis- en verletkosten toe te kennen.
De klacht faalt. Het Hof heeft gemachtigde G. Veldhuisen, de zoon van belanghebbende, in diverse eerdere uitspraken niet aangemerkt als derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (zie onder meer de uitspraken van 7 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:416, en van 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1599). In deze zaak zijn geen feiten en omstandigheden aan het licht gekomen die aanleiding geven om thans anders te oordelen. Verder heeft belanghebbende in eerste aanleg niet om een vergoeding van reiskosten of verletkosten verzocht, terwijl die kosten ook niet zijn onderbouwd.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
5. Kosten, griffierecht en rente
Nu belanghebbende niet is bijgestaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (zie 4.6 hiervoor) en overigens geen verzoek tot vergoeding van kosten is gedaan, althans andere kosten niet zijn onderbouwd, bestaat voor een kostenveroordeling geen grond.
Omdat het hoger beroep gegrond is, dient de invorderingsambtenaar wel het betaalde griffierecht voor het geding in hoger beroep te vergoeden. Naar aanleiding van het verzoek daartoe van belanghebbende, zal het Hof tevens bepalen dat de wettelijke rente over het uit te betalen bedrag gaat lopen vanaf vier weken na datum waarop deze uitspraak is gedaan. Op vergoeding van wettelijke rente vanaf een eerdere datum bestaat geen recht.
6. Beslissing
Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, M.J. Leijdekker en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 24 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.