GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/1979
13 mei 2025
uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: M. van der Berg)
tegen de uitspraak van 2 februari 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/3046 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [A], de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 30 juni 2021 een aanslag leges omgevingsvergunning (hierna: de aanslag) van € 27.783,10 opgelegd.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 16 maart 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof
ingekomen op 19 maart 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft op 24 januari 2025 een nader stuk ontvangen van belanghebbende.
Op 7 februari 2025 heeft het Hof een nader stuk ontvangen van de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft ook op 7 februari 2025 een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“Feiten
1. Eiseres heeft in 2020 een vergunning aangevraagd voor het realiseren van een woning met schuur nabij [a-straat 1] (nu [a-straat 1a] ) te [Z] . Eiseres heeft in de aanvraag bouwkosten opgegeven van € 250.000.
2. Bij besluit van [datum] is besloten een omgevingsvergunning te verlenen aan eiseres voor het bouwen van voornoemde woning. Het besluit is voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en geldt voor de volgende activiteiten: Activiteit voor het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) en Activiteit strijdig gebruik gronden en bouwwerken (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).
3. Verweerder heeft voor voornoemde activiteiten aan eiseres bij het primaire besluit leges opgelegd ter hoogte van in totaal € 27.783. Er is leges opgelegd voor de bouwactiviteit ter hoogte van € 10.180 en er is leges opgelegd voor de buitenplanse afwijking ter hoogte van € 18.011.”
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier nog de volgende feiten aan toe.
Het Hof heeft de heffingsambtenaar op 5 februari 2025 verzocht om inzicht te geven in de baten en lasten van de legesheffing voor het jaar 2020. De heffingsambtenaar heeft hierop op 7 februari 2025 gereageerd. In de bijlagen bij de reactie van de heffingsambtenaar heeft de heffingsambtenaar een inventarisatie van de geraamde kosten van de begroting voor het jaar 2019 en de begroting voor het jaar 2020 gevoegd.
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de leges terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:
“Beoordeling van het geschil
8. Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van door het gemeentebestuur verstrekte diensten.
9. Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2020 (hierna: de Verordening) worden leges geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Artikel 5, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven zoals opgenomen in de bij de verordening behorende tarieventabel.
10. Voor zover thans van belang luidt de tekst van de Tarieventabel als volgt:
“Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.
Bouwactiviteiten
2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:
2.3.1.1.3 wanneer de bouwkosten € 50.000,00 of meer, maar minder dan € 500.000,00 bedragen:
€ 2.180,00 vermeerderd met 4.0% van de bouwkosten, voor zover deze de € 50.000,00 te boven gaan;
Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een bouwactiviteit
Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1 en het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:
2.3.3.3 Indien artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e, van de Wabo wordt toegepast (buitenplanse afwijking): € 9.088,50
2.3.3.3.2 vermeerderd met € 8.923,00 indien er sprake is van een bouwsom van € 50.000,00 en daar boven.”
11. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 30 juni 2021 voor het jaar 2020 een aanslag leges opgelegd ter hoogte van € 27.783. Er is een aanslag leges opgelegd op grond van artikel 2.3.1. juncto 2.3.1.1 en 2.3.1.1.3 van de Tarieventabel behorende bij de Verordening voor de bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, ter hoogte van € 10.180 (een tarief van € 2.180 vermeerderd met € 8.000 nu sprake is van bouwkosten hoger dan € 50.000). En er is een aanslag leges opgelegd op grond van artikel 2.3.3 juncto artikel 2.3.3.3. en 2.3.3.3.2. van de Tarieventabel behorende bij de Verordening voor de activiteit buitenplanse afwijking bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ter hoogte van € 18.011 (een tarief van € 9.088,50 vermeerderd met € 8.923 nu sprake is van een bouwsom hoger dan € 50.000).
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de onder 11 genoemde legesbedragen van € 10.180 en € 18.011 terecht opgelegd. De stelling van eiseres dat niet artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo van toepassing is, maar 2.1, eerste lid, onder c, en er voor het legesbedrag van € 10.180 voor de bouwactiviteiten daarom geen grondslag is, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft de in 2020 ingediende aanvraag omgevingsvergunning aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit “bouwen” als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder a van de Wabo en als een aanvraag voor de activiteit “strijdig gebruik gronden en bouwwerken” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo. Hiertegen heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht het tarief van artikel 2.3.1. juncto artikelen 2.3.1.1 en 2.3.1.1.3 (voor bouwen) en van artikel
artikel 2.3.3 juncto artikel 2.3.3.3. en 2.3.3.3.2. van de Tarieventabel behorende bij de Verordening (voor de buitenplanse afwijking) toegepast. Deze tarieven kunnen gelijktijdig worden geheven zoals volgt uit artikel 2.3.3 van de Tarieventabel waarin staat vermeld: “Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1 en het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake van in die onderdelen bedoelde activiteiten:” Omdat sprake is van verschillende activiteiten, is geen sprake van een dubbele heffing zoals eiseres stelt.
13. Verweerder heeft ter zitting een uitspraak overgelegd van het Gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2021 met kenmerk 20/00282, ter onderbouwing van zijn standpunt dat leges voor het bouwen en voor de buitenplanse afwijking naast elkaar mogen worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit rechtsoverwegingen 5.3.5 en 5.3.6 van die uitspraak volgt dat voor zowel het bouwen als voor de buitenplanse afwijking een legesbedrag in rekening kan worden gebracht. Voor wat betreft de hoogte van de legesbedragen, gaat vergelijking met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam niet op, omdat de Legesverordening uit de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betrekking heeft op het jaar 2017 en in de zaak van eiseres op het jaar 2020. Voor wat betreft de hoogte van de opgelegde leges verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen onder punt 11 en 12.
14. Eiseres stelt dat indien eerst een bestemmingsplanwijziging wordt ingediend met later een omgevingsvergunning het totale bedrag aan leges € 8.923 lager zou zijn. Eiseres wilde dit eerst doen, maar de gemeenteraad wilde dat zij dit gelijktijdig deed. Volgens eiseres zou dit in de raadsvergadering van 16 januari 2020 zijn verzocht.
15. Verweerder stelt daar tegenover dat uit de geluidsopname van de raadsvergadering van 16 januari 2020 volgt dat [B] van de [partij] aan de raadsleden vraagt om de besluitvorming van beide zaken te koppelen, dus én medewerking aan het principeplan én medewerking aan het beeldkwaliteitsplan. Er wordt eiseres namens de raad niet gevraagd haar aanvraag voor zowel het bouwen als het afwijken van het bestemmingsplan samen te doen zoals zij stelt.
De kaderstellende besluitvorming over de conceptaanvraag van eiseres heeft plaatsgevonden in de raadsvergadering van 5 maart 2020. Hiertoe is er een Raadsvoorstel gemaakt met dagtekening 30 januari 2020 waarin de raad verzocht wordt te besluiten over optie A of optie B.
Hierop heeft de raad op 5 maart 2020 besloten:
1. in principe mee te willen werken aan het voorgestelde plan voor het perceel [a-straat 1] ;
2. het beeldkwaliteitsplan d.d. 25 februari 2020 vast te stellen als ruimtelijk kader voor het perceel [a-straat 1] .
Hierop is een brief naar eiseres verzonden met dagtekening 17 maart 2020 waarin staat dat eiseres twee sporen kan volgen voor haar aanvraag:
“op basis van de door eiseres ingediende gegevens hebben wij uw plan beoordeeld en concluderen dat het kansrijk is. Medewerking aan deze ontwikkeling kan alleen verleend worden met een herziening van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan waarbij gebruik wordt gemaakt van de uitgebreide afwijkingsprocedure.”
16. Anders dan eiseres stelt rustte op haar niet de verplichting om gelijktijdig een aanvraag voor zowel het bouwen als het afwijken van het bestemmingsplan te doen. Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank voldoende weerlegd. De enkele vraag aan de raadsleden om de besluitvorming van beide zaken te koppelen, maakt niet dat aan eiseres is opgedragen om de aanvraag voor het bouwen en voor het afwijken van het bestemmingsplan gelijktijdig te doen. Voorts is niet in geschil dat eiseres op 12 februari 2020, dus al vóór de besluitvorming door de raad op 5 maart 2020, op de conceptaanvraag en ook vóór de genoemde brief van 17 maart 2020, de aanvraag heeft ingediend voor een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan (de uitgebreide afwijkingsprocedure). Zij heeft er dus zelf voor gekozen om het besluit van de raadsvergadering niet af te wachten. Dit komt voor haar rekening en risico.
17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
5. Beoordeling van het geschil
Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in de onderdelen 12 tot en met 18 en de gronden waarop het berust en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt het Hof nog het volgende toe.
Belanghebbendes klacht dat zij bij het opleggen van de leges “dubbel belast” wordt over de bouwkosten slaagt niet. Belanghebbende wordt leges ten bedrage van € 10.180 in rekening gebracht voor het bouwen van een bouwwerk (bouwactiviteit, artikel 2.3.1.1 van de verordening) en leges ten bedrage van € 18.011 vanwege de omstandigheid dat bouwen in strijd was met het bestemmingsplan (planologisch strijdig gebruik, artikel 2.3.3.3 van de verordening). Deze tarieven kunnen gelijktijdig worden geheven zoals de rechtbank terecht in onderdeel 12 heeft geoordeeld en zien op andere belastbare feiten. Aan het voorgaande doet niet af dat beide legesbedragen (ten dele) gebruik maken van eenzelfde grondslag, te weten de bouwkosten. Dat maakt immers niet dat sprake is van twee legesbedragen voor één belastbaar feit.
Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog dat de verordening onverbindend moet worden verklaard omdat sprake zou zijn van een onredelijke en willekeurige heffing. Naar het oordeel van het Hof leidt noch de gehanteerde heffingssystematiek noch het bedrag van de heffing tot het oordeel dat daarvan sprake is (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1174, BNB 2017/173).
Dat de wijze van bepalen van de bedragen van de leges afwijkt van die welke in andere jaren en in andere gemeenten is gehanteerd maakt het voorgaande niet anders; ook niet indien – zoals belanghebbende stelt – het bedrag van de totaal verschuldigde leges in die andere jaren/gemeenten lager zou zijn. Het gemeentebestuur heeft immers de bevoegdheid zelf maatstaf en tarief te bepalen. Daarbij gelden weliswaar beperkingen (zoals de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet, zie 5.4, en het verbod van belastingheffing naar draagkracht van artikel 219, tweede lid van die wet). Daartoe behoort echter niet een verplichting van het gemeentebestuur zich te conformeren aan de in andere jaren en gemeenten gebezigde maatstaven.
Voor zover belanghebbende klaagt dat de opbrengstlimiet is overschreden volgt het Hof haar daarin evenmin en overweegt daartoe als volgt. De heffingsambtenaar heeft op het verzoek van het Hof bij brief van 7 februari 2025 (zie 2.3) gegevens verstrekt omtrent de baten- en lastenraming die ten grondslag heeft gelegen aan het vaststellen van de Legesverordening 2020. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar daarmee voldoende inzicht verschaft in de raming van de baten en lasten ter zake; uit de overgelegde gegevens volgt dat de geraamde baten de geraamde lasten niet overstijgen. Het heeft volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de arresten HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, BNB 2009/159 en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149) op de weg van belanghebbende gelegen om vervolgens voldoende (gemotiveerd) te stellen waarom ter zake van een of meer posten uit deze raming redelijke twijfel bestaat. Daartoe heeft het Hof belanghebbende uitdrukkelijk de gelegenheid geboden. Van die gelegenheid heeft zij evenwel geen gebruik gemaakt. Het voldoet daartoe immers bij deze stand niet langer om in algemene zin te stellen dat de opbrengstlimiet is overschreden en dat onduidelijk is waarom het bedrag van € 8.923 ‘dubbel’ wordt geheven.
Slotsom
De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende geen doel treft. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6. Kosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. J-P.R. van den Berg, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 13 mei 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: