GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.352.739/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/361008/ KG ZA 25-22
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 augustus 2025
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats] , Duitsland,
appellante,
advocaat: mr. C. Goedhart te Rotterdam,
tegen
AIR CARGO CONSULTANTS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.J.G. van Brakel te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en ACC genoemd.
1. De zaak in het kort
ACC heeft als expediteur in opdracht van [appellant] onder de Fenex-voorwaarden sinds 2018 een achttal transporten van vliegtuigmotoren naar Iran geregeld. In 2024 is een laatste (het negende) transport tegengehouden door de Nederlandse douane wegens strijd met de sinds juli 2023 geldende Europese sanctieregels tegen Iran. De Nederlandse douane heeft ACC hiervoor een waarschuwing gegeven. ACC heeft vervolgens van de negen transporten uit eigen beweging ook melding gedaan bij de Amerikaanse autoriteiten. Omdat de Verenigde Staten al sinds 2018 sanctiemaatregelen tegen Iran hebben afgekondigd, vreest zij boetes. Tegen die achtergrond weigert zij afgifte van de tegengehouden vliegtuigmotor van [appellant] en beroept zij zich op het retentierecht uit de Fenex-voorwaarden. [appellant] vordert in kort geding afgifte van de vliegtuigmotor. In eerste aanleg is haar vordering afgewezen.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 18 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 19 februari 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en ACC als gedaagde. Daarbij heeft [appellant] ook haar grieven tegen het vonnis voorgebracht en producties overgelegd.
Vervolgens heeft ACC een memorie van antwoord met producties ingediend. Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting nagekomen producties ingediend.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 24 juni 2025 laten toelichten. [appellant] door mr. Goedhart voornoemd en mr. T. Hesselink, advocaat te Rotterdam, en ACC door mr. Van Brakel voornoemd en mr. R.T. Hofman, advocaat te Rotterdam. De advocaten hebben zich bediend van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog ACC op straffe van een dwangsom zal gebieden haar vliegtuigmotor, waarop ACC een retentierecht uitoefent, aan haar vrij te geven, met veroordeling van ACC in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente en uitvoerbaar bij voorraad.
ACC heeft kort gezegd geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente en uitvoerbaar bij voorraad.
3. Feiten
De voorzieningenrechter heeft onder 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep staat het volgende tussen partijen als onweersproken vast.
De Duitse vennootschap [appellant] handelt in tweedehands vliegtuigonderdelen voor de burgerluchtvaart. ACC is een in Nederland gevestigde expediteur. Sinds 2018 doen partijen zaken met elkaar. Sindsdien heeft ACC in totaal acht keer in opdracht van [appellant] succesvol het vervoer van een tweedehands vliegtuigmotor naar Iran geregeld.
Vanaf 2018 hebben de Verenigde Staten sanctiemaatregelen tegen Iran afgekondigd die onder meer de levering van vliegtuigonderdelen aan Iran verbieden. De Europese Unie (EU) heeft in juli 2023 vergelijkbare sanctiemaatregelen tegen Iran afgekondigd.
Op 21 mei 2024 heeft [appellant] van een Iers bedrijf voor US$ 2.000.000 een tweedehands vliegtuigmotor gekocht om deze door te verkopen aan een in Iran gevestigde partij. [appellant] heeft vervolgens aan ACC opdracht gegeven deze vliegtuigmotor te doen transporteren naar Iran. Op de expeditie-overeenkomst zijn de Fenex-voorwaarden van toepassing.
Op 1 juli 2024 heeft de Nederlandse douane het transport van de vliegtuigmotor naar Iran tegengehouden omdat er mogelijk sprake was van een overtreding van de EU-verordening van 20 juli 2023, inhoudende beperkende maatregelen in verband met de militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne (Verordening (EU) 2023/1529). ACC heeft [appellant] hiervan op de hoogte gebracht bij brief van 3 juli 2024.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft ACC [appellant] aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij mocht lijden door de mogelijke overtreding van toepasselijke wet- en regelgeving met betrekking tot de vliegtuigmotor, waaronder Verordening (EU) 2023/1529 en de [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). ACC heeft [appellant] gevraagd die aansprakelijkheid te erkennen en haar toe te zeggen dat zij haar in dat verband zal vrijwaren voor claims van derden.
Bij brief van dezelfde dag, 1 oktober 2024, heeft ACC over haar mogelijke overtreding van de [bedrijf 1] en de [bedrijf 2] zogenoemde Notifications of Voluntary Self-Disclosure gestuurd aan:
- het US Department of Commerce, Bureau of Industry and Security (BIS), Office of Export Enforcement (OEE), en
- het US Department of the Treasury, Office of Foreign Assets Control (OFAC).
[appellant] heeft op enig moment daarna de overeenkomst met haar Iraanse wederpartij ontbonden.
Op 28 november 2024 heeft de Nederlandse douane aan ACC geschreven dat in overleg met het Openbaar Ministerie is besloten haar een waarschuwing te geven voor overtreding van de toepasselijke Verordening (EU) 2023/1529 en dat als wordt vastgesteld dat er wederom voorschriften bij of krachtens de Sanctiewet 1977 niet worden nageleefd, er proces-verbaal kan worden opgemaakt.
Bij brief van 10 december 2024 heeft [appellant] aan ACC geschreven dat in dit geval wet- en regelgeving uit de Verenigde Staten binnen de EU niet rechtens afdwingbaar zijn en [appellant] dus niet kan voldoen aan het verzoek als bedoeld in de brief van ACC van 1 oktober 2024 (zie hierboven in 2.6), maar dat [appellant] wel bereid is om in geval van vrijgave “to make a declaration that it will not ship the Engine to Iran or sell it to an Iranian person as long as the relevant EU and UN sanctions are in place, and that it will only sell the Engine if the buyer makes a similar declaration”.
In diezelfde brief heeft [appellant] aan ACC verzocht om uiterlijk op 13 december 2024 te verklaren dat zij de vliegtuigmotor uiterlijk op 17 december 2024 zal vrijgeven. ACC heeft niet voldaan aan dat verzoek.
4. Eerste aanleg
[appellant] heeft in kort geding vrijgave door ACC van de vliegtuigmotor gevorderd en een verklaring voor recht dat ACC ter zake onrechtmatig heeft gehandeld door die vrijgave te weigeren.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat het ruime retentierecht van de Fenex-voorwaarden ook ziet op boetes die door de Amerikaanse overheid aan ACC kunnen worden opgelegd in verband met overtreding van Amerikaanse wet- en regelgeving. Voor dergelijke boetes is [appellant] jegens ACC aansprakelijk op grond van de Fenex-voorwaarden, ook als die boetes zien op toekomstige of voorgaande opdrachten. De kans dat er boetes worden opgelegd door de Amerikaanse overheid, zo begrijpt het hof de overwegingen van de voorzieningenrechter in 4.7, is niet denkbeeldig. Tot zekerheid daarvoor kan ACC het retentierecht uit de Fenex-voorwaarden inroepen. [appellant] is niet in staat om vervangende zekerheid te stellen, zo is ter zitting gebleken. Handhaving van het retentierecht dient zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] bij opheffing, aldus de voorzieningenrechter.
5. De beoordeling in hoger beroep
[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. De eerste grief komt erop neer dat een overtreding van de Amerikaanse Iran-sanctieregels in Nederland niet leidt tot aansprakelijkheid van [appellant] omdat de EU Antiboycotverordening (Verordening (EG) 2271/96) eraan in de weg staat dat Amerikaanse sancties in de EU doorwerken als de EU voor het betreffende land niet ook sancties heeft afgekondigd. Tegen die achtergrond komt aan eventuele Amerikaanse boetes ook geen relevantie toe, aldus de tweede grief. Het belang van [appellant] bij opheffing van het retentierecht moet volgens de derde grief daarom zwaarder wegen dan het belang van ACC bij handhaving van het retentierecht. Zij vordert daarom de onmiddellijke vrijgave van de vliegtuigmotor op straffe van een dwangsom.
Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat zij haar vordering aldus wil aanvullen dat zij bereid is om tegenover vrijgave van de vliegtuigmotor vervangende zekerheid te stellen in de vorm van een bankgarantie van US$ 1.175.000. Desgevraagd heeft ACC verklaard dat zij tegen deze aanvulling geen procesrechtelijke bezwaren heeft.
ACC heeft de vliegtuigmotor van [appellant] onder zich en weigert die af te geven. Tussen partijen is niet in geschil dat op hun overeenkomst de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn. Deze voorwaarden kennen in artikel 17 een zeer ruim retentierecht voor de expediteur. Ingevolge het tweede lid heeft ACC als expediteur voor alle vorderingen die zij ten laste van [appellant] heeft of zal krijgen een retentierecht op de vliegtuigmotor, ook ten aanzien van vorderingen die geen betrekking hebben op die vliegtuigmotor. Uit het bepaalde in artikel 11 lid 7 van de Fenex-voorwaarden volgt dat [appellant] jegens ACC aansprakelijk is voor alle schade, waaronder boetes, die ACC direct of indirect lijdt op grond van onder meer toepasselijke nationale of internationale wet- en regelgeving ten gevolge van enig feit dat in de risicosfeer van [appellant] ligt.
Er zijn in deze kortgedingprocedure onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat ACC niets te vrezen heeft vanuit de Verenigde Staten. Vast staat immers dat partijen, sinds de Verenigde Staten in 2018 sanctiemaatregelen tegen Iran uitvaardigden, vliegtuigmotoren naar Iran hebben uitgevoerd. Niet in debat is dat de Verenigde Staten wereldwijd optreedt tegen handelen in weerwil met haar sanctieregels en daarvoor boetes oplegt. Weliswaar heeft [appellant] verwezen naar de EU Antiboycotverordening die kort gezegd verhindert dat er Amerikaanse sancties in de EU ten uitvoer kunnen worden gelegd, maar dat laat onverlet dat ACC van eventuele boetes wel degelijk hinder kan ondervinden, temeer nu haar onderneming inmiddels deel uitmaakt van een groep die wordt geleid door een Amerikaanse vennootschap. Het gegeven dat ACC door zichzelf te melden bij de Amerikaanse autoriteiten wellicht in strijd met artikel 5 van de Antiboycotverordening heeft gehandeld, laat onverlet dat zij op dit moment feitelijk heeft te vrezen voor een oplegging van een of meer boetes uit de Verenigde Staten.
Tegen deze achtergrond moet het ervoor worden gehouden dat ACC zich op haar retentierecht kan beroepen. Eventuele boetes die de Amerikaanse overheid haar oplegt, kan ACC in beginsel immers verhalen op [appellant] , zodat er sprake is van een of meer toekomstige vorderingen op grond waarvan retentierecht kan worden ingeroepen.
Vooralsnog is onduidelijk of de Amerikaanse autoriteiten zullen overgaan tot het opleggen van een of meer boetes. Er loopt weliswaar op dit moment een termijn van 180 dagen, die binnenkort afloopt, waarbinnen er een reactie zou moeten volgen van de Amerikaanse autoriteiten, maar ter zitting is gebleken dat aan een termijnoverschrijding geen gevolgen zijn verbonden en dat deze termijnen ook nog wel eens overschreden worden en verlengd kunnen worden.
Ondertussen wordt de vliegtuigmotor minder waard, zeker als daar niet met enige regelmaat onderhoud aan wordt gepleegd. Inmiddels zal een onderhoudsbeurt circa US$ 500.000 kosten, zo heeft [appellant] ter zitting gesteld. Het hof begrijpt het belang van [appellant] hierbij.
De aanvulling van de vordering door [appellant] om ter vervanging van het retentierecht zekerheid te stellen voor een bedrag van US$ 1.175.000 oordeelt het hof redelijk. Indien door [appellant] aan deze voorwaarde wordt voldaan, dient haar belang bij vrijgave van de vliegtuigmotor zwaarder te wegen dan het belang van ACC bij handhaving van het retentierecht. Het hof zal daarom bepalen dat onder de voorwaarde dat [appellant] ter vervanging van het retentierecht onder de gebruikelijke condities een bankgarantie bij een te goeder naam en faam bekend staande bank stelt aan ACC ter waarde van US$ 1.175.000, de vliegtuigmotor binnen twee werkdagen zal moeten worden vrijgegeven aan [appellant] . [appellant] heeft aldus zelf het moment van afgifte in de hand. In deze situatie oordeelt het hof het niet nodig de afgifte te versterken met een dwangsom, zoals door [appellant] gevorderd.
Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Omdat partijen in hoger beroep over en weer op punten in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren. In eerste aanleg was er van de zijde van [appellant] geen aanbod voor vervangende zekerheidstelling van het bedrag van US$ 1.175.000. De kostenveroordeling voor de eerste aanleg wordt daarom in stand gelaten.
6. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep (onder 5.1) waarbij de vordering tot vrijgave van de vliegtuigmotor is afgewezen;
en in zoverre opnieuw recht doende:
bepaalt dat nadat [appellant] aan ACC ter vervanging van het retentierecht van ACC onder de gebruikelijke voorwaarden een bankgarantie bij een te goeder naam en faam bekend staande bank heeft gesteld voor een bedrag van US$ 1.175.000, ACC binnen twee werkdagen de in geding zijnde vliegtuigmotor dient af te geven aan [appellant] ;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
bepaalt dat partijen in hoger beroep hun eigen proceskosten dragen;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen, mr. R.A. Dozy en mr. M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2025.