ECLI:NL:GHAMS:2025:2587

ECLI:NL:GHAMS:2025:2587, Gerechtshof Amsterdam, 23-09-2025, 24/3275

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 23-09-2025
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer 24/3275
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Accijns en voorraadheffing. Voorhanden hebben van minerale olie waarover de verschuldigde accijns niet is geheven.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3275

23 september 2025

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende

(gemachtigden: mr. J.P.M. Linssen en mr. J.G.A. Linssen),

tegen de uitspraak van 11 april 2024 in de zaak met kenmerk HAA 21/7189 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Douane, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende, betreffende een naheffingsaanslag accijns en voorraadheffing over het tijdvak 1 april 2015 tot en met 30 september 2016 en daarbij in rekening gebrachte belastingrente, ongegrond verklaard.

Na het instellen van het hoger beroep bij (pro forma) beroepschrift, hebben partijen de volgende stukken ingediend:

de (nadere) motivering van het hoger beroep door belanghebbende;

een verweerschrift door de inspecteur;

een nader stuk met producties door de inspecteur, en

een nader stuk met producties door belanghebbende.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025, tegelijk met dat in de zaken met kenmerken 24/3273 en 24/3274. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Belanghebbende exploiteerde in 2015 en 2016 onder meer een tankstation in [Z] en leverde brandstof aan haar zustervennootschap [A] BV, die een tankstation in [Q] exploiteerde.

In de periode van april 2015 tot en met 2016 heeft belanghebbende minerale olie ingekocht van [B] , een eenmanszaak van [C] , die als in Nederland veraccijnsde diesel/gasolie aan belanghebbende is gefactureerd. Het ingekochte product is als diesel (motorbrandstof) verkocht bij de in 2.1 bedoelde tankstations in [Z] en [Q] .

Door de FIOD is in maart 2017 onder de naam [D] een strafrechtelijk onderzoek gestart naar vermoedelijke accijnsfraude, belastingfraude, faillissementsfraude, valsheid in geschrift en witwassen. Van dat onderzoek is een dossier opgemaakt (hierna: het FIOD-dossier). De vermoedelijke accijnsfraude die de FIOD in dat dossier beschrijft, houdt – voor zover van belang – het volgende in (zie 1-OPV-1, par. 2.4, en AMB-067 in het FIOD-dossier).

Tussen april 2015 en augustus 2016 hebben de bedrijven [E] B.V. (hierna: [E] ), [F] B.V. (hierna: [F] ) en [G] B.V. (hierna: [G] ), in elkaar opvolgende perioden, ‘designer fuel’ ingekocht bij [H] s.r.o. uit Tsjechië onder de namen Lubriform, Lubricant oil Hantlom (hierna: LOH), Lubricant oil Kayla (hierna: LOK) en Hantsynth. Dat zijn door twee Belgische bedrijven, te weten [I] BVBA uit [R] en [J] NV uit [S] , in opdracht van enkele Cypriotische vennootschappen samengestelde minerale oliën. In België is de ‘designer fuel’, met eigenschappen die sterk overeenkomen met die van diesel, omdat zij voornamelijk uit diesel bestaat, behandeld als (niet-accijnsplichtige) smeerolie.

[E] , [F] en [G] hebben het door hen ingekochte product als in Nederland veraccijnsde diesel/gasolie doorverkocht aan [B] ( [C] ). [E] , [F] en [G] hebben echter nooit accijns betaald; zij waren ‘ploffers’ die de door hen ingekochte designer fuel hebben ‘omgekat’ van smeerolie in diesel/gasolie. [B] ( [C] ), de ‘buffer’ in de leveringsketen, heeft het product op zijn beurt als diesel doorverkocht aan (onder meer) belanghebbende, dat het bij de tankstations in [Z] en [Q] uiteindelijk heeft verkocht als motorbrandstof.

Diverse vrachtwagenchauffeurs hebben de designer fuel in België opgehaald namens [E] , [F] en [G] . Bij afgifte in België van de ladingen zijn CMR’s opgemaakt met daarop vermeld de commerciële benaming van het afgegeven product en de bij het vervoer van smeerolie op de tankwagen te voeren ADRgevarencode (90/3082). De chauffeurs leverden na het passeren van de Nederlandse grens, conform de aan hen gegeven instructies, de in België opgemaakte CMR in om daarop een nieuwe CMR te krijgen met daarop een goederenomschrijving als diesel of gasolie en de bij het vervoer van diesel te voeren ADR-gevarencode 30/1202. De chauffeurs wisselden de op de tankwagens gevoerde oranje ADR-borden (meestal) dienovereenkomstig. Transporten vanuit [R] en [S] zijn rechtstreeks naar de tankstations in [Z] of [Q] gegaan.

In een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 15 maart 2019 schrijft een FIOD-ambtenaar (AMB-042 in het FIOD-dossier):

“In de administratie van [B] heb ik 120 verkoopfacturen aangetroffen van [B] met een factuurdatum in de periode 22 april 2015 tot en met 30 september 2016. Zes facturen hiervan zijn gericht aan (…) en één factuur aan (…). (…) De overige 113 facturen zijn gericht aan [X] B.V. in [Z] . De factuur met factuurnummer 2015-00450 heeft betrekking op Euro 95. Middels de overige 112 facturen heeft [B] autogasolie gefactureerd aan [X] B.V.

In september 2016 factureerden [K] middels in totaal tien facturen gasolie/autodiesel aan [B] . (…) Omdat deze tien zendingen niet door [E] , [F] en [G] werden gefactureerd aan [B] laat ik deze zendingen verder buiten beschouwing.

Gelet op de verkoopfacturen die zijn aangetroffen in de administratie van [B] heeft [B] in de periode 22 april 2015 tot en met 31 augustus 2016 middels 102 facturen 3.362.723 liter 'gasolie' gefactureerd aan [X] B.V. Ik heb het factuurnummer, de factuurdatum en het aantal door [B] aan [X] B.V. gefactureerde liters van de facturen in een Excel-spreadsheet verwerkt. Deze is als bijlage 1 bij deze ambtshandeling gevoegd.”

Alsmede:

“Het aantal liters dat door [E] , [F] en [G] werd gefactureerd aan [B] is bijna gelijk aan het aantal liters dat door [B] werd gefactureerd aan [L] en [X] B.V.

(…)

Dit verschil kan mogelijk verklaard worden door een verschil in aangetroffen facturen. Er zijn 102 facturen aangetroffen van [B] aan [X] B.V. en zes facturen van [B] aan [L] . Dit zijn in totaal 108 facturen.”

Bij het proces-verbaal is gevoegd een overzicht van de facturatie door [B] aan onder meer belanghebbende met vermelding van factuurnummers, factuurdata en het aantal liters. Verder is daarbij gevoegd een vergelijking op factuurniveau van het aantal liters dat [B] heeft ingekocht en heeft verkocht.

In een tot het FIOD-dossier behorend memorandum van de Douane van 26 oktober 2016 is vermeld dat [E] , [F] , [G] noch [B] aangifte accijns heeft gedaan (zie DOC-008 in het FIOD-dossier, p. 2327-2329).

In zeventien op ambtseed opgemaakte processen-verbaal uit juni 2018 heeft een FIODambtenaar voor evenzovele zendingen ‘designer fuel’ die volgens de FIOD bij [X] BV zouden zijn afgeleverd, aan de hand van facturen en transportbescheiden uitgewerkt dat die minerale olie rechtstreeks vanuit België, althans niet vanaf de plaats van vertrek die is vermeld op door/namens belanghebbende afgetekende CMR’s, naar [Z] dan wel [Q] is getransporteerd.

De producten LOH en LOK bevatten geen Oxo oil. Het product Hantsynth bestaat voor 68 percent uit diesel/gasolie en voor 32 percent uit een niet nader gespecificeerde variant van Oxo oil (een distillatieresidu uit de productie van C9- en C13-oxo-alcoholen).

De Douane heeft op 12 mei en 19 mei 2016 uit enkele afleverpompen van diesel bij de in 2.1 bedoelde tankstations in [Z] en in [Q] monsters genomen en door het Douanelaboratorium laten analyseren. Die monsters bleken tussen de twee percent en vijftig percent Oxo oil HS9 te bevatten.

Op een door de FIOD samengesteld overzicht van zendingen van ‘designer fuel’ vanuit België, welke zendingen volgens door de FIOD verkregen Belgische CMR’s bestemd waren voor [E] , [F] en [G] , is bij alle zendingen in mei 2016 als product ‘Hantsynth’ vermeld (zie DOC-167A (en AMB-058) in het FIOD-dossier).

Op basis van het FIOD-onderzoek heeft de inspecteur aan belanghebbende de litigieuze naheffingsaanslag opgelegd wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet regelmatig in de heffing zijn betrokken, althans wegens betrokkenheid bij dat voorhanden hebben. De ingevolge de naheffingsaanslag verschuldigde accijns (€ 1.624.372,35) en voorraadheffing (€ 26.901,79) heeft de inspecteur berekend uitgaande van 3.362.723 liter gasolie, waarvan 1.977.617 liter tegen het tarief per 1 januari 2015 en 1.385.106 tegen het tarief per 1 januari 2016. De genoemde totaalhoeveelheid van 3.362.723 liter komt overeen met de hoeveelheid die [B] volgens de FIOD aan belanghebbende heeft gefactureerd als diesel/gasolie, op in totaal 102 facturen (zie 2.4).

In de motivering van het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar alsmede in de motivering van het beroepschrift in eerste aanleg heeft (de gemachtigde van) belanghebbende onder meer geschreven:

“De Douane stelt dat [belanghebbende] 3.362.723 liter gasolie voorhanden heeft gehad dan wel bij het voorhanden hebben betrokken is geweest (…). (…)

Belanghebbende ontkent niet dat hij de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad, maar stelt zich op het standpunt dat hij geen wetenschap had noch hoefde te hebben van het feit dat het om niet veraccijnsd goed zou gaan.”

3. Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of de litigieuze naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het verband met strafzaken

Er bestaat een verband met nog lopende strafzaken tegen belanghebbende en [M] , maar deze uitspraak berust op een eigen beoordeling van de zaak door (de belastingkamer van) het Hof, toegespitst op het fiscale geschil tussen belanghebbende en de inspecteur. Daarbij zijn voor de bewijsoordelen de in het belastingrecht geldende bewijsmaatstaven gehanteerd. De nog niet onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordelingen van belanghebbende en [M] zijn niet meegewogen en er is niet beoogd een oordeel te geven over de strafbaarheid van enige gedraging, van wie ook.

Ten aanzien van een aanhoudingsverzoek en aangeboden bewijs

Het Hof wijst af het verzoek van belanghebbende om de verdere behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van uitspraken in de in 4.1 bedoelde strafzaken of althans totdat processen-verbaal beschikbaar zijn van in die strafzaken nog te verrichten getuigenverhoren. Het verzoek is ten eerste onredelijk laat gedaan, want slechts elf dagen voor de zitting in hoger beroep, terwijl de getuigen in de strafzaak al vijf maanden eerder zijn toegewezen. Daarbij is voor het late doen van het verzoek geen reden opgegeven. Ten tweede is niet gespecificeerd met betrekking tot welke feitelijkheden de verdediging in de strafzaken de getuigen wenst te horen. Daardoor is het onduidelijk of die getuigen zullen worden bevraagd met betrekking tot feiten die in deze zaak in geschil zijn of, wat gezien de eerdere verklaringen van de betrokken getuigen in het FIOD-dossier meer in de rede ligt, slechts kwesties die in deze zaak geen rol spelen, zoals de vraag of al dan niet sprake is van opzet. Elk van beide genoemde redenen draagt de afwijzing van het verzoek tot aanhouding zelfstandig, en temeer in onderlinge samenhang.

Evenmin ziet het Hof reden de nog te horen getuigen in de strafzaken alsnog als getuige op te roepen in deze zaak, zoals belanghebbende ter zitting heeft verzocht. Belanghebbende heeft namelijk geen enkele poging gedaan om die personen als getuige op te roepen dan wel naar de zitting mede te brengen, op welke mogelijkheid in de uitnodiging voor de zitting is gewezen. Verder gaan de in 4.2 vermelde gronden op. Overigens heeft het Hof bij de beoordeling van het geschil geen betekenis gehecht aan de verklaringen in het FIOD-dossier van de personen die in de strafzaken mogelijk nog (opnieuw) als getuige worden gehoord.

Ook gaat het Hof voorbij aan het aanbod dat belanghebbende ter zitting heeft gedaan om op enkele punten bewijs te leveren door het horen van andere getuigen. Het dermate laat doen van het bewijsaanbod, zonder desgevraagd een valide reden daarvoor te kunnen geven, komt in strijd met de eisen van de goede procesorde. Afgezien daarvan betreffen het aanbod feiten die voor de beslissing niet relevant zijn.

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

Op grond van artikel 1, lid 2, van de Wet op de accijns (hierna: WA) wordt accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen. In artikel 2, lid 1, onder b, van diezelfde wet is bepaald dat onder uitslag tot verbruik mede wordt verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven conform de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Indien deze bepaling van toepassing is, wordt op grond van artikel 51, lid 1, onder b, van de WA de accijns geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en van enige andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is. Niet relevant is of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen en evenmin is relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd (vgl. HvJ 10 juli 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473; hierna: het arrest WR).

Onjuist is de door belanghebbende verdedigde opvatting dat heffing van accijns voor het voorhanden hebben van een accijnsgoed waarover niet regelmatig accijns is geheven, in strijd komt met de algemene beginselen van Unierecht als degene van wie wordt geheven niet de in 4.5 bedoelde wetenschap heeft. Tot het stellen van een vraag aan het Hof van Justitie van de EU over de geldigheid van artikel 8, lid 1, onder b Richtlijn 2008/118/EG voor wat betreft het ontbreken van een dergelijk wetenschapsvereiste, in wezen als gevolg van de uitleg die dat hof zelf aan die bepaling heeft gegeven in het arrest WR, ziet het Hof geen aanleiding. Ten eerste is het rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden, omdat de rechtsregels in artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG (hierna: de accijnsrichtlijn) en in artikel 51, lid 1, onder b, van de WA duidelijk en nauwkeurig zijn en in hun gevolgen voldoende voorzienbaar. Uitdrukkelijk is bepaald dat bij het bedoelde voorhanden hebben de accijns wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en van enige andere persoon die bij dat voorhanden hebben betrokken is, terwijl nergens wetenschap wordt vereist dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing van accijns zijn betrokken. Bovendien is in de parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk opgemerkt dat die wetenschap niet is vereist (zie Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 30). Ten tweede is het evenredigheidsbeginsel niet geschonden, omdat het niet vereisen van dergelijke wetenschap strookt met de doelstellingen van de accijnsrichtlijn, waaronder de bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventueel misbruik (vgl. het arrest WR, punt 31), en evenmin disproportioneel voorkomt. Ten derde kan geen schending worden vastgesteld van het vertrouwensbeginsel, reeds omdat onduidelijk is welk van overheidswege gewekt vertrouwen zou moeten zijn beschaamd.

Hetgeen in 4.5 en 4.6 is overwogen brengt mee dat moet worden beoordeeld of en in welke mate belanghebbende in het naheffingstijdvak accijnsgoederen (fysiek) voorhanden heeft gehad die ten onrechte niet in de accijnsheffing waren betrokken, dan wel zij betrokken is geweest bij dat voorhanden hebben.

Dienaangaande erkent belanghebbende dat zij minerale olie heeft afgenomen van [B] om als motorbrandstof (diesel) te verkopen. Zij bestrijdt verder niet dat zij op zijn minst betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van die olie. De hoeveelheid en de herkomst wordt wel bestreden. Met betrekking tot de hoeveelheid door [B] geleverde olie heeft belanghebbende erop gewezen dat (i) de Belgische autoriteiten in totaal 82 CMR’s hebben verstrekt aan de Douane, (ii) in slechts 54 gevallen de op de CMR vermelde hoeveelheid aansluit bij de hoeveelheid die [B] aan haar zou hebben verkocht en (iii) over de overige 48 van beweerdelijk 102 zendingen niets is opgehelderd. Daarnaast kan de herkomst van de minerale olie volgens belanghebbende niet België zijn, omdat Oxo oil is aangetroffen in de monsters die de Douane in mei 2016 bij de tankstations in [Z] en [Q] heeft genomen (zie 2.8), terwijl de producten LOH en LOK geen Oxo oil bevatten en het voorts onduidelijk is of de in het product Hantsynth verwerkte Oxo oil van de variant HS9 is (zie 2.7). Zonder duidelijkheid over de herkomst van de minerale olie, bewijst de inspecteur niet dat minerale olie voorhanden is geweest waarvoor de verschuldigde accijns niet was geheven, aldus belanghebbende.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur evenwel aannemelijk gemaakt dat [B] in de periode van april 2015 tot en met september 2016 in totaal 3.362.723 liter als diesel gefactureerde minerale olie heeft geleverd aan belanghebbende, in het bijzonder gelet op het in 2.4 bedoelde op ambtseed opgemaakte proces-verbaal (AMB-042). De door belanghebbende genoemde 82 CMR’s geven geen reden tot twijfel aan de juistheid van hetgeen in dat proces-verbaal is vermeld. Die CMR’s, die de Douane in 2016 en 2017 op grond van de Napels II-overeenkomst van haar Belgische collega’s heeft ontvangen (zie DOC-008 (p. 2329), DOC-009 (p. 2381) en AMB-019 in het FIOD-dossier), hoeven immers niet alle leveranties aan belanghebbende te ‘dekken’. Voor zover belanghebbende ervan is uitgegaan dat de bevindingen van de FIOD slechts op die 82 CMR’s zijn gebaseerd, is dat overigens ook onjuist. De FIOD heeft in 2018 namelijk nadere gegevens van de Belgische autoriteiten ontvangen, waaronder twee externe harde schijven met bij [I] BVBA en [J] NV verzamelde digitale en gescande fysieke gegevens (zie AMB-046A). Een ambtenaar van de FIOD heeft (mede) aan de hand van die gegevens een overzicht van transporten van ‘designer fuel’ vanuit België naar Nederland samengesteld (zie AMB-058 en DOC-167A in het FIOD-dossier).

Het Hof acht het tevens aannemelijk dat alle minerale olie die [B] aan belanghebbende heeft geleverd in de periode van april 2015 tot en met september 2016, fysiek uit België afkomstige ‘designer fuel’ is die niet in de heffing van accijns was betrokken, terwijl zij dat wel had moeten zijn. Een en ander op basis van (i) de vergelijking van in- en verkopen door [B] in het in 2.4 bedoelde proces-verbaal (AMB-042), (ii) een door de FIOD samengesteld overzicht van transporten van ‘designer fuel’ vanuit België met als bestemming [E] , [F] en [G] (DOC-167A in het FIOD-dossier), (iii) de zeventien in 2.6 bedoelde processen-verbaal waarin de FIOD voor evenzovele zendingen van ‘designer fuel’ transport direct naar [Z] heeft uitgewerkt (AMB-901 tot en met AMB-917) en (iv) de bevinding van de Douane dat [E] , [F] en [G] noch [B] accijns hebben voldaan (zie 2.5). De hoeveelheden die in de onder (i) tot en met (iii) bedoelde stukken worden genoemd sluiten in zodanige mate aan op de hoeveelheden die [B] aan belanghebbende heeft gefactureerd en geleverd, dat het onwaarschijnlijk is dat [B] de bij belanghebbende afgeleverde minerale olie elders heeft betrokken. Dat [E] , [F] en [G] geen accijns hebben voldaan, heeft belanghebbende verder niet betwist. Daarbij is de enige redelijke verklaring voor de gang van zaken met betrekking tot de transporten die in 2.3 is beschreven en die uit de in 2.6 bedoelde processen-verbaal naar voren komt, dat zij ertoe diende accijns te ontgaan. De omstandigheid dat in monsters uit mei 2016 bij de tankstations in [Z] en [Q] Oxo oil HS9 is aangetroffen (zie 2.8), is ten slotte van onvoldoende gewicht om anders te oordelen. Een plausibele verklaring voor die vondst is immers dat in de desbetreffende periode de ‘designer fuel’ Hantsynth is geleverd aan belanghebbende, dat voor 32 percent bestaat uit Oxo oil (zie 2.7). Bovendien kan Oxo oil HS9 ook op andere manieren in de afleverpompen van diesel zijn terechtgekomen, zoals de inspecteur voorts nog heeft gesteld.

Voor zover belanghebbende haar betoog heeft willen handhaven dat de naheffingsaanslag onterecht is, omdat in België al een uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, faalt dat ook. Een eventuele verschuldigdheid van Belgische accijns doet namelijk niet eraan af dat de betrokken minerale olie in Nederland niet regelmatig in de accijnsheffing is betrokken. Hoe dan ook had ter zake van de overbrenging van de olie naar Nederland accijns op aangifte moeten worden voldaan, nu de olie was bestemd om voor commerciële doeleinden te worden geleverd of gebruikt (zie artikel 2e van de WA).

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een gegrond hoger beroep. De naheffingsaanslag is terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

5. Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, H.E. Kostense en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 23 september 2025 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?