Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2025.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 20 augustus 2024 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingslocatie Alkmaar. De dagvaarding is de verdachte niet in persoon betekend.
De verdachte is op 20 augustus 2024 bij verstek veroordeeld.
De mededeling uitspraak is op 29 augustus 2024 om 14:21 uur in het portaal van MijnOverheid geplaatst. Vervolgens is er diezelfde dag om 20:49 uur ingelogd.
Door de verdediging is – in het schriftelijke standpunt – naar voren gebracht dat niet uit de wet noch uit het Besluit digitale stukken Strafvordering volgt dat het enkele inloggen middels een tweestapsverificatie afdoende is om te kunnen concluderen dat er sprake is van een betekening in persoon, temeer nu nadere stukken waaruit volgt dat de verdachte het betreffende bericht daadwerkelijk heeft geopend. Het hof volgt de raadsvrouw daarin niet. Op grond van artikel 36f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geldt een betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon wanneer degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening. Dat er nadere stukken voorhanden moeten zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van betekening in persoon vindt dan ook geen weerslag in de wet.
Gelet bovenstaande is het hof van oordeel dat de mededeling uitspraak op 29 augustus 2024 aan de verdachte in persoon is betekend.
Gelet op het bepaalde in artikel 408 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering, had de verdachte binnen 14 dagen na 29 augustus 2024 hoger beroep moeten instellen. De termijn voor het instellen voor het hoger beroep eindigde op 12 september 2024. Volgens de ‘akte instellen hoger beroep’ in het dossier, heeft de verdachte op 3 december 2024 hoger beroep laten instellen op de griffie van de rechtbank.
Het hoger beroep is aldus niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn ingesteld.
Door de raadsvrouw zijn geen bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden naar voren gebracht die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn en ook overigens is hiervan niet gebleken. Bij die stand van zaken zal de verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.