GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
Zaaknummer: 200.356.546/01 OK
Proces-verbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2025
Tegenwoordig zijn mr. A.P. Wessels, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. E. Loesberg, raadsheren, en drs. V.G. Moolenaar en W. Wind, raden, en K. Jansen, griffier.
Aan de orde is de behandeling van het verzoekschrift van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WOOD PARTICIPATIONS B.V.,
gevestigd te Enschede,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. J.P.P. Latour en mr. T. Visser, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Beheer B.V.] ,
gevestigd te [plaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Project Management B.V.] ,
gevestigd te [plaats] ,
VERWEERSTERS,
advocaten: mr. J.J. Reiziger en mr. R.J. Duursma, beiden kantoorhoudende te Groningen,
en tegen
1. [certificaathouder],
wonende [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. J.J. Reiziger en mr. R.J. Duursma, kantoorhoudende te Groningen,
e n t e g e n
2. de stichting
[Stichting Administratiekantoor] ,
gevestigd te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
niet bij advocaat verschenen.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen ook als volgt worden aangeduid:
Ter terechtzitting zijn aanwezig:
- namens Wood: [indirect aandeelhouder 1] en [indirect aandeelhouder 2] , indirect bestuurders en indirect aandeelhouders van Wood, bijgestaan door mrs. Latour en Visser voornoemd en door mr. S.T. Blom, advocaat te Amsterdam;
- namens [vennootschappen/cerfiticaathouder] : [certificaathouder] , bijgestaan door mr. Duursma voornoemd en door mrs. J.S. Knot en J.C.T.F. Lokin, advocaten te Groningen.
Het verhandelde ter zitting
De voorzitter maakt melding van de ingekomen stukken waaronder van beide zijden een akte overlegging producties, producties 35 tot en met 38 van de zijde van [vennootschappen/cerfiticaathouder] , productie 43 van de zijde van Wood en de e-mail van de Ondernemingskamer van 29 oktober 2025 waarbij is meegedeeld dat eerst de ontvankelijkheid van het verzoek zal worden behandeld en pas daarna – zo nog nodig – de inhoud van het verzoek aan de orde zal komen en de verdeling van de spreektijd.
De advocaten van partijen voeren het woord en lichten hun standpunten ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek van Wood toe aan de hand van pleitaantekeningen waarvan een afschrift aan de Ondernemingskamer en de andere partij(en) is verstrekt. Partijen en hun advocaten volharden bij hetgeen reeds in de schriftelijke stukken naar voren is gebracht. De bezwaren tegen de te laat ingediende producties worden uiteindelijk niet gehandhaafd.
Partijen beantwoorden vragen van de Ondernemingskamer, reageren over en weer op elkaars stellingen en volharden bij hun eigen standpunt.
De voorzitter schorst de mondelinge behandeling en deelt mede dat de Ondernemingskamer zich zal beraden over de vraag of Wood ontvankelijk is in haar verzoek en of zij op dat punt al meteen uitspraak kan doen.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter mede dat de Ondernemingskamer mondeling uitspraak zal doen. De Ondernemingskamer doet uitspraak als volgt.
Uitspraak
Wood heeft bij verzoekschrift van 7 juli 2025 de Ondernemingskamer verzocht, kort weergegeven,
a. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de Vennootschappen gedurende de periode vanaf 1 januari 2023;
b. als onmiddellijke voorziening, voor de duur van de procedure, een derde persoon te benoemen tot bestuurder van [Beheer B.V.] en/of [Project Management B.V.] , al dan niet met schorsing van het huidige bestuur;
c. [vennootschappen/cerfiticaathouder] te veroordelen op de voet van artikel 194 jo. 195 Rv aan Wood inzage te verlenen dan wel afschrift of uittreksel te verstrekken van de informatie als gespecificeerd in het verzoekschrift;
d. de Vennootschappen te veroordelen in de kosten van de procedure.
[vennootschappen/cerfiticaathouder] hebben bij verweerschrift van 30 oktober 2025 de Ondernemingskamer verzocht Wood niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans die verzoeken af te wijzen en Wood te veroordelen in de kosten van de procedure.
De Ondernemingskamer is van oordeel dat Wood in haar verzoeken niet-ontvankelijk is. Daartoe is het volgende redengevend.
- [certificaathouder] 20% van zijn certificaten van aandelen in [Beheer B.V.] aan Wood heeft verkocht voor een koopprijs van € 1 als tegenprestatie voor de diensten die Wood op grond van die overeenkomst dient te verrichten ten behoeve van [vennootschappen/cerfiticaathouder] ;
- levering van deze certificaten dient plaats te vinden als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, meer in het bijzonder de voorwaarden dat (i) de loan-to-value van het Veldboomconcern (de Vennootschappen en de vastgoedonderneming van [certificaathouder] privé, geconsolideerd bezien) 60% of lager is en (ii) bepaalde derden, zoals de financiers van [vennootschappen/cerfiticaathouder] , daarmee instemmen;
- [certificaathouder] gehouden is een pandrecht te vestigen ten behoeve van Wood op 20% van zijn certificaten van aandelen in [Beheer B.V.] tot zekerheid voor de nakoming van de uit de Samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen (artikel 1.4, aanhef en onder ii, van het addendum van 26 april 2024);
- Wood recht heeft op bepaalde informatie betreffende de Vennootschappen.
4. Ook in onderling verband en samenhang bezien kunnen deze stellingen hooguit tot de slotsom leiden dat Wood in de toekomst mogelijk houder van certificaten van aandelen in [Beheer B.V.] zal worden. Deze stellingen zijn daarmee onvoldoende om Wood voor de toepassing van artikel 2:346 lid 1, aanhef en sub b, BW gelijk te stellen aan een houder van (certificaten van) aandelen in de Vennootschappen.
5. Wood stelt ook nog dat “de certificaten [20% van de certificaten van aandelen in [Beheer B.V.] , OK] voor haar rekening en risico worden gehouden”, waarmee zij kennelijk – naar de Ondernemingskamer begrijpt – verwijst naar de reeds genoemde omstandigheden dat zij, mits aan de twee genoemde voorwaarden wordt voldaan, recht heeft op levering van deze certificaten tegen betaling van (slechts) € 1. Nu niet in geschil is dat op dit moment aan de voorwaarden voor levering niet wordt voldaan en onzeker is of daaraan ooit zal worden voldaan, kan niet worden gezegd dat [certificaathouder] de certificaten voor rekening en risico van Wood houdt, nog daargelaten of dat tot een andere uitkomst zou leiden.
6. Vast staat verder dat er geen pandrecht op de certificaten ten gunste van Wood is gevestigd. Al was dat anders, dan nog zou dat voor Wood niet de bevoegdheid meebrengen tot het verzoeken van een enquête bij de Vennootschappen. Zij kan die bevoegdheid met name niet construeren via artikel 2:198 lid 4 BW, dat de houder van een pandrecht op aandelen onder omstandigheden de rechten toekent die ingevolge de wet toekomen aan houders van certificaten van aandelen met vergaderrecht. [certificaathouder] heeft zich in de Samenwerkingsovereenkomst verplicht tot het vestigen van een pandrecht op certificaten van aandelen, maar niet tot het vestigen van een pandrecht op aandelen.
7. Ter zitting heeft Wood nog toegevoegd dat zij een niet-opeisbare en niet door zekerheden gedekte rekening-courantvordering heeft op de Vennootschappen. Deze stelling doet – zelfs als die juist zou zijn – niet af aan het bovenstaande. Anders dan Wood meent, valt een dergelijke vordering niet gelijk te stellen met risicodragend kapitaal.
8. Anders dan Wood stelt, wordt de juiste werking van het enquêterecht niet op onaanvaardbare wijze doorkruist als haar de toegang tot het enquêterecht wordt onthouden. Wood kan bij de gewone civiele rechte desgewenst nakoming vorderen van de Samenwerkingsovereenkomst, waaronder nakoming van de daarin opgenomen verplichting tot het verstrekken van informatie aan Wood.
9. Wood is derhalve niet ontvankelijk in haar verzoeken als vermeld onder a en b.
10. Daaruit volgt dat Wood ook niet kan worden ontvangen in haar op artikel 194 en 195 Rv gebaseerde verzoek als vermeld onder c. Dat verzoek zal ook bij de gewone civiele rechter moeten worden ingediend.
11. Wood zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [vennootschappen/cerfiticaathouder] worden veroordeeld.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
De Ondernemingskamer:
verklaart Wood niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
veroordeelt Wood in de kosten van de procedure, aan de zijde van [vennootschappen/cerfiticaathouder] begroot op € 4.469;
verklaart deze beschikking wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Afsluiting
De voorzitter sluit de zitting en deelt mede dat partijen het proces-verbaal zo spoedig mogelijk zullen ontvangen.
Waarvan proces-verbaal,