Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof:
Aanvullende bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en daarom niet tot het bewijs kunnen dienen. Daarnaast meent de verdediging dat niet is voldaan aan het bewijsminimum, althans dat onvoldoende steunbewijs aanwezig is om tot een overtuiging te kunnen komen. Getuige [getuige 2] heeft bovendien verklaard dat de verdachte niemand heeft bedreigd en dat hij geen agressief gedrag vertoonde.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] . Deze verklaringen komen op essentiële punten overeen. Daarnaast hebben zij binnen een betrekkelijk korte tijd na het incident een verklaring afgelegd, waarin zij beiden benoemen dat sprake was van een agressieve situatie. Getuige [getuige 2] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris in het geheel niet verklaard dat sprake was van agressie, wat niet valt te rijmen met voornoemde verklaringen. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij in een auto achter het busje van de verdachte reed, hetgeen in strijd is met de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] , die verklaren dat zowel de verdachte als een tweede man uit het busje van de verdachte stapte. Bovendien heeft de verdachte zelf gedurende lange tijd niet willen verklaren, wat de overtuigingskracht van zijn verklaring niet ten goede komt. Al met al acht het hof daarom de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] betrouwbaar en bezigt het deze voor het bewijs.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, te voldoen in twee termijnen van elk € 250,00 per maand.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, te voldoen in twee termijnen van € 200,00.
De raadsvrouw heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte first offender is, met de LOVS-oriëntatiepunten en met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarom heeft zij verzocht een voorwaardelijke geldboete van € 350,00 op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte is na een incident in het verkeer uit zijn voertuig gestapt, heeft het slachtoffer op intimiderende wijze toegesproken en op zeer korte afstand van diens gezicht in zijn handen geklapt. De verdachte heeft daarmee bij de aangever gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Ook voor de vriendin van de aangever, die bij het incident aanwezig was, moet dit een angstige situatie zijn geweest.
Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor een bedreiging een geldboete van € 350,00 genoemd. Agressie in het verkeer wordt als een strafverzwarende omstandigheid genoemd.
Het hof stelt verder vast dat sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep. De verdachte heeft namelijk op 24 april 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof thans arrest wijst. De redelijke termijn is daarmee overschreden met ruim 6 maanden. Het hof volstaat echter met de constatering van de overschrijding, gelet op de hoogte van de op te leggen straf.
Gelet op de ernst van het feit en in het bijzonder de omstandigheid dat sprake is van agressie in het verkeer, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een louter voorwaardelijke straf. Het hof acht, alles afwegende, daarom een geldboete van € 400,00 passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding te bepalen dat deze geldboete in termijnen mag worden voldaan, nu door de verdediging daarom niet is verzocht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. R.M. Steinhaus en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2025.
=========================================================================
[…]