GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/69
2 december 2025
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 2 november 2023 in de zaak met kenmerk AMS 23/1839 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 december 2021 de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 518.000. De aanslag onroerendezaakbelasting 2021 is op hetzelfde biljet bekendgemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Daartegen is beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Er is hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft hierop gereageerd.
Partijen zijn uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 4 november 2025. De indiener van het hoger beroep, mr. [X] (hierna: [X] ), heeft het Hof ’s ochtends bericht dat hij niet op de zitting aanwezig zou zijn. De heffingsambtenaar was ook niet aanwezig. De mondelinge behandeling van de zaak op zitting is daarom achterwege gebleven.
2. Feiten
[X] heeft het beroep ingesteld bij de rechtbank en daarbij gesteld dit te doen namens belanghebbende. Als bijlage bij het beroepschrift ging een door belanghebbende ingevuld formulier met als kop “Machtiging belanghebbende” (hierna: het machtigingsformulier). Op het machtigingsformulier staat in de voorgedrukte tekst dat [X] door de ondergetekende gemachtigd is “om hem/haar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden aangaande de aanslag lokale heffingen alsmede de daarop vermelde WOZ-beschikking”. Het formulier is ondertekend op 2 mei 2021.
Uit het dossier blijkt dat de rechtbank [X] in een aantal (destijds) aanhangige zaken om recente machtigingen heeft verzocht. De onderhavige zaak is daar één van.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank [X] om een recente machtiging verzocht omdat de bij het beroep overgelegde machtiging is opgemaakt voordat de WOZ-beschikking aan belanghebbende is uitgereikt.
Bij brief van 18 augustus 2023 is [X] verzocht om binnen vier weken een schriftelijke machtiging te overleggen waaruit blijkt op welke za(a)k(en) deze betrekking heeft. In de brief staat dat bij het niet voldoen aan dit verzoek de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.
Op 29 augustus 2023 heeft [X] de griffier van de rechtbank telefonisch laten weten dat hij het er niet mee eens is dat hij een recente machtiging moet overleggen.
Op de zitting bij de rechtbank van 8 september 2023 heeft de rechter [X] nog een termijn van twee weken gegeven om alsnog de gevraagde machtiging te overleggen.
Op 15 september 2023 verzoekt [X] om uitstel van vier weken voor het overleggen van machtigingen in – onder andere – de onderhavige zaak. Hij schrijft:
“Bij dezen vragen wij u gemotiveerd uitstel voor het overleggen van een machtiging. In de zaak [A] is er geen gelegenheid geweest om de machtiging te overleggen en komt binnenkort. In de zaak [B] is sprake van een prive omstandigheid en komt de machtiging binnenkort en in de zaak [van belanghebbende] speelt vakantie parten. Graag in alle zaken 4 weken uitstel.”
Dit verzoek is toegewezen.
Op 17 oktober 2023 verzoekt [X] nogmaals om vier weken uitstel voor het overleggen van machtigingen in – onder andere – de onderhavige zaak. Hij schrijft:
“Bijgaand treft u de recente machtiging van [B] aan.Bij dezen vragen wij u gemotiveerd uitstel voor het overleggen van een machtiging. In de zaak [A] is er geen gelegenheid geweest om de machtiging te overleggen en komt binnenkort. In de zaak [van belanghebbende] verwacht ik binnenkort een machtiging. Graag in beide zaken vier weken uitstel. Overigens betreft het doorlopende machtigingen en zijn nog immer van kracht en op zitting uitgebreid gemotiveerd.”
Dit verzoek is afgewezen.
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is primair in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Subsidiair is de WOZ-waarde van de woning in geschil.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“1. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep in mag stellen (zie artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). Als dit niet gebeurt, dan kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
2. Mr. [X] (hierna: [X] ) heeft beroep ingesteld namens eiser. Daarbij is een door eiser ondertekende machtiging overgelegd met als dagtekening 2 mei 2021. Deze machtiging is op 22 maart 2023 bij de rechtbank binnengekomen. De WOZ-beschikking die heeft geleid tot de bestreden uitspraak in deze zaak, is gedagtekend op 31 december 2021. De rechtbank heeft geconstateerd dat de machtiging is opgemaakt nog voordat de WOZ-beschikking aan eiser is uitgereikt. Om te kunnen vaststellen of de machtiging (mede) betrekking heeft op de onderhavige procedure, heeft de rechtbank met een brief van 18 augustus 2023 aan [X] gevraagd om binnen vier weken een recente schriftelijke machtiging over te leggen. [X] is er daarbij op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden indien hij aan dat verzoek geen gevolg geeft.
3. [X] en de griffier hebben hier op 29 augustus 2023 telefonisch contact over gehad. [X] heeft aangegeven dat hij het er niet mee eens is dat hij een recente machtiging moet overleggen. Dit is op zitting verder besproken. De rechtbank heeft [X] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de zitting alsnog een recente machtiging te overleggen. Op verzoek van [X] is de termijn voor het overleggen van een machtiging op 22 september 2023 met vier weken verlengd. De termijn is inmiddels verlopen. Een nieuw verzoek om uitstel voor het overleggen van een machtiging is afgewezen.
4. [X] betwist dat hij ertoe gehouden is om een recente machtiging te overleggen, omdat er al een algemene volmacht ligt. De rechtbank volgt hem daarin niet. Het staat de rechtbank onder omstandigheden vrij om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558). De rechtbank heeft in dit geval om een recente machtiging gevraagd, omdat de ingediende machtiging is opgemaakt nog voordat de WOZ-beschikking aan eiser was uitgereikt en daaruit dus onvoldoende blijkt dat [X] daadwerkelijk bevoegd is tot het voeren van de onderhavige procedure.
5. Er is geen recente machtiging overgelegd, hoewel daarvoor meerdere kansen zijn gegeven. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet is komen vast te staan dat [X] gemachtigd is om namens eiser in beroep te gaan tegen de bestreden uitspraak.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt daardoor niet meer toe aan de inhoudelijke gronden van het beroep.
7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.”
5. Beoordeling van het geschil
De rechtbank heeft met juistheid in ro. 1 vooropgesteld dat iemand die namens een ander een rechtsmiddel aanwendt, desgevraagd moet aantonen dat hij daartoe door die ander gemachtigd is, en dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden als dit niet gebeurt.
Het Hof is van oordeel dat het beroep door de rechtbank in het onderhavige geval inderdaad niet-ontvankelijk kon worden verklaard. Daartoe overweegt het Hof als volgt.
In het op 2 mei 2021 getekende machtigingsformulier (zie 2.1.) is opgenomen dat het gaat om vertegenwoordiging inzake “de aanslag lokale heffingen alsmede de daarop vermelde WOZ-beschikking” (zowel de aanslag en de beschikking zijn beide in enkelvoud aangeduid). Dit roept, zoals de rechtbank ook opmerkt (onder 4), terecht de vraag op of het machtigingsformulier ziet op de nadien (31 december 2021) vastgestelde aanslag en beschikking van belastingjaar 2021, of (alleen) op die van een ander (eerder) jaar. Dit is, mede in het licht van het hierna onder 5.3.2. overwogene, voldoende reden om een nader onderzoek te doen naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [X] in deze zaak.
Het Hof overweegt aanvullend nog het volgende. [X] treedt in WOZ-procedures veelvuldig op als rechtsbijstandsverlener voor anderen en doet dat op no-cure-no-pay-basis met machtigingen die geen begin- of einddatum bevatten en waaruit tekstueel niet is af te leiden tegen welke concrete beslissing(en) het aanwenden van rechtsmiddelen zich uitstrekt. Uit jurisprudentie komt naar voren dat niet steeds op overgelegde machtigingen kan worden vertrouwd (zie de voorbeelden in de conclusie van AG Pauwels van 30 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:652). Ook [X] behoort tot de indieners van (hoger) beroepschriften waarbij het voorkomt dat desgevraagd geen recente machtiging wordt overgelegd (zie bijvoorbeeld de opsomming in Gerechtshof Den Haag 24 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1109, ro. 2.2). Ook komt het voor dat is (door)geprocedeerd met een niet door de belanghebbende ondertekende machtiging (zie bijvoorbeeld rechtbank Noord-Holland 8 maart 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2402 en 26 april 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:4228) of terwijl [X] wist dat de volmachtgever inmiddels overleden was (zie rechtbank Rotterdam 4 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2610).
De rechtbank behoort tot de gerechten die recente machtigingen bij [X] zijn gaan opvragen (zie 2.2.) vanwege de in 5.3.2. beschreven problematiek. In deze zaak was sprake van een algemeen geformuleerde machtiging (zie 2.1 en 5.3.1) die was opgemaakt voordat de onderhavige WOZ-beschikking werd vastgesteld. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien om [X] om een recente machtiging te vragen teneinde te kunnen vaststellen of hij bevoegd was om namens belanghebbende het beroep in deze zaak in te stellen.
Uit het dossier blijkt dat [X] zich hiertegen verzet heeft, maar ook dat hij belanghebbende wel om een recente machtiging heeft verzocht. Ondanks de aankondigingen van [X] dat wat langere tijd nodig was vanwege vakantie (zie 2.7) en dat nog meer tijd nodig was, maar dat de machtiging binnenkort verwacht werd (zie 2.8), is – ook in hoger beroep, ruim twee jaar na het eerste verzoek van de rechtbank – geen recente machtiging overgelegd. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de belanghebbende klaarblijkelijk niet bereid was om een recente machtiging aan [X] te verstrekken en daarmee te staven dat [X] bevoegd was het beroep tegen de (uitspraak over de) onderhavige WOZ-beschikking namens hem in te dienen.
Naar het oordeel van het Hof bestond in deze zaak voldoende aanleiding voor de rechtbank om een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen om zo na te gaan of [X] , die zich in deze procedure als gemachtigde namens belanghebbende aandiende, daartoe werkelijk bevoegd was. Onder de omstandigheden zoals hiervoor in onderdeel 5.3.1, 5.3.2, 5.4 en 5.5 weergegeven, stond het de rechtbank vrij aan het uitblijven van de verzochte recente machtiging de gevolgtrekking te verbinden dat het beroep niet-ontvankelijk is (Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558).
Het hoger beroep is ongegrond.
6. Kosten
Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, M.J. Leijdekker en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 2 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.