ECLI:NL:GHAMS:2025:3234

ECLI:NL:GHAMS:2025:3234, Gerechtshof Amsterdam, 02-12-2025, 200.329.362/01

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 15-12-2025
Zaaknummer 200.329.362/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Incidentele vordering ex art. 843a Rv (oud). Appellant alsnog in de gelegenheid gesteld verlof te vragen om tussentijds hoger beroep in te stellen. Onvoldoende (rechtmatig) belang bij vordering tot overleggen stukken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

(familie- en jeugdrecht, team III)

zaaknummer : 200.329.362/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/725975 / HA ZA 22-973

arrest van de meervoudige familiekamer van 2 december 2025

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats A] , België,

appellant,

advocaat: mr. M.H. Schmidt te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1. De zaak in het kort

In deze zaak heeft de rechtbank in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis beslist dat de man, op grond van artikel 843a Rechtsvordering (Rv) (oud), diverse gegevens aan de advocaat van de vrouw moet afgeven, op straffe van een dwangsom. De man is het hiermee niet eens. Het hof heeft de man alsnog in de gelegenheid gesteld verlof aan de rechtbank te vragen om tussentijds hoger beroep in te stellen. De man heeft dit verlof verkregen.

Het hof is van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om de man te veroordelen de gevraagde stukken in het geding te brengen.

2. Het geding in hoger beroep

De man is bij dagvaarding van 30 juni 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis in incident van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de vrouw als eiseres in het incident (tevens eiseres in conventie en verweerster in reconventie in de hoofdzaak) en de man als gedaagde in het incident (tevens gedaagde in conventie en eiser in reconventie in de hoofdzaak). De appeldagvaarding bevat de grieven.

De vrouw heeft een memorie van antwoord, met producties, ingediend.

Partijen hebben de zaak door hun advocaten laten toelichten tijdens de mondelinge behandeling van 28 mei 2025. De man heeft nog producties in het geding gebracht.

Ter zitting heeft het hof de man een nadere instructie gegeven, inhoudend dat hij alsnog de gelegenheid krijgt de rechtbank te verzoeken om verlof om tussentijds hoger beroep in te stellen van het bestreden vonnis. Het vonnis waarin tussentijds verlof is verleend, heeft de man bij bericht van 19 augustus 2025 in het geding gebracht. De vrouw heeft vervolgens een antwoordakte ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De man heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad –:

in het incident (artikel 223 Rv) de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal schorsen, althans zo lang in de bodemzaak nog niet is beslist, de tenuitvoerlegging zal verbieden, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten en

in de hoofdzaak alsnog de incidentele vordering van de vrouw zal afwijzen, en (bij wege van aanvullende reconventionele eis) zal verklaren voor recht dat de man aan zijn verplichting krachtens het incidentele vonnis heeft voldaan althans voor zover hij daaraan gehouden kan worden, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

De vrouw heeft verweer gevoerd en gevorderd dat het hof, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het door hem gevorderde zal afwijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

3. Feiten

De rechtbank heeft in r.o. 2.1-2.2 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.

Partijen zijn [in] 2001 met elkaar in het huwelijk getreden. Bij beschikking van 25 oktober 2017 heeft de rechtbank Amsterdam, op verzoek van de vrouw, tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In de beschikking van 25 oktober 2017 heeft de rechtbank partijen bevolen over te gaan tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap ten overstaan van een notaris. Aan dit bevel is geen uitvoering gegeven.

4. Eerste aanleg

De vrouw heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd de verdeling te gelasten van een woning in [plaats B] en een woning in Spanje. Nadat de man verweer had gevoerd, heeft de vrouw bij incidentele vordering ex artikel 843a Rv gevorderd de man te veroordelen tot afgifte aan de advocaat van de vrouw van een aantal in de conclusie genoemde stukken, dan wel kopieën daarvan, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van een dwangsom.

De man heeft geen verweer gevoerd. Vervolgens is de man, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 5 april 2023, in het incident veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening een afschrift van de volgende stukken aan de advocaat van de vrouw over te leggen:

de jaarrekening 2017 van [bedrijf 1] . of een vergelijkbaar stuk;

de jaarrekening 2017 van [bedrijf 2] of een vergelijkbaar stuk;

een opgave van het onroerend goed, dat op de peildatum 2017 in het bezit van de man was;

een opgave van het vermogen in Marokko, dat op de peildatum 2017 beschikbaar was, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man dit vonnis niet of niet volledig nakomt tot een maximum van € 50.000,-.

De beslissing omtrent de kosten van het incident is aangehouden.

In de verdelingszaak (de “hoofdzaak” in eerste aanleg, die in dit hoger beroep niet aan de orde is) heeft de rechtbank indertijd bepaald dat de zaak op de rol zal komen van 19 april 2023 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie na antwoord. Op 19 juli 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarna de zaak is verwezen naar de parkeerrol in afwachting van de uitkomst van mediation tussen partijen. Op 4 oktober 2023 heeft doorhaling op de rol plaatsgevonden. Op 25 juni 2025 is de hoofdzaak (HA ZA 22-973) ter rolle heropend onder zaaknummer HA ZA 25-1203.

5. Beoordeling

In eerste aanleg heeft de vrouw haar incidentele vordering gebaseerd op artikel 843a Rv (oud). Dit artikel is met ingang van 1 januari 2025 vervallen, maar blijft gelden in deze zaak omdat het geschil voor 1 januari 2025 aanhangig is gemaakt.

Ontvankelijkheid

Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of hoger beroep van het bestreden vonnis openstaat. De man heeft een brief van 28 april 2023 in het geding gebracht, waarin hij de rechtbank – onder andere – verzoekt hem verlof te verlenen voor het instellen van hoger beroep. Ook heeft hij het antwoord van de rechtbank van 17 mei 2023 overgelegd, waarin de rechtbank hem bericht dat sprake is van een eindvonnis in incident en dat deze beslissing appellabel is zonder dat daarvoor verlof benodigd is.

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 aan de orde gesteld. In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering wordt ingesteld in een lopende procedure met het oog op de instructie van de zaak en de rechter daarop beslist in een afzonderlijk vonnis, dit moet worden beschouwd als een tussenvonnis waarop het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv van toepassing is en niet als een eindvonnis waarmee in het dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding (r.o. 3.7).

Het hof heeft daarop de man in de gelegenheid gesteld (opnieuw) verlof te vragen om tussentijds hoger beroep in te stellen. Dit verlof, gegeven door de rechtbank bij vonnis van 13 augustus 2025, heeft de man in het geding gebracht. De vrouw heeft vervolgens een akte ingediend, waarin zij aanvoert dat de rechtbank ten onrechte niet op de door haar opgevoerde verweren tegen het alsnog verlenen van het verlof heeft beslist. De vrouw heeft meegedeeld voornemens te zijn hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 13 augustus 2025. Zij is van mening dat (nog) niet sprake is van een verlof waarvan een ontvankelijk hoger beroep kan/kon worden ingesteld.

Het hof is van oordeel dat het nu al kan oordelen over de ontvankelijkheid van het door de man van het vonnis in incident van 5 april 2023 ingestelde hoger beroep, ook als de vrouw hoger beroep instelt van het vonnis van 13 augustus 2025, en overweegt daartoe als volgt.

Zoals hiervoor weergegeven, heeft de Hoge Raad in het arrest van 13 juli 2012 overwogen dat wanneer een rechter bij afzonderlijk vonnis beslist op een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering, dit vonnis moet worden beschouwd als een tussenvonnis waarop het bepaalde in artikel 337 lid Rv van toepassing is. Dit brengt mee dat hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

Bij arrest van 17 december 2021 heeft de Hoge Raad vervolgens overwogen:

“3.2.4 Gelet op het voorgaande geldt voortaan het volgende. De rechter kan na een tussenvonnis te allen tijde, zolang geen eindvonnis is gewezen, desverzocht of ambtshalve – en na partijen te hebben gehoord – alsnog bepalen dat van het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Bij de beoordeling dient te worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure (vgl. art. 20 Rv).

Het openstellen van tussentijds hoger beroep, op verzoek of ambtshalve, geschiedt bij vonnis, met het oog op de daaraan verbonden termijn voor het instellen van tussentijds hoger beroep, zoals hierna vermeld. Afwijzing van een daartoe strekkend verzoek kan ook op andere wijze, mits schriftelijk. De rechter hoeft zijn beslissing niet te motiveren.

(…)

Met het instellen van het hoger beroep hoeft niet te worden gewacht totdat op een daartoe gedaan verzoek is beslist. Zolang de rechter het verzoek niet heeft toegewezen, schorst het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het tussenvonnis niet (art. 350 lid 2 Rv).

Het hoger beroep dient te worden ingesteld voordat de appeltermijn is verstreken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis waarbij tussentijds hoger beroep is opengesteld.

Van de beslissing om al dan niet tussentijds hoger beroep open te stellen staat naar haar aard geen hogere voorziening open, ook niet met een beroep op doorbrekingsgronden . Die beslissing is immers overgelaten aan het procesbeleid van de rechter die het tussenvonnis heeft gewezen. Het gaat om een regiebeslissing waarmee partijen geen rechten worden ontnomen.”

De Hoge Raad is met het arrest van 17 december 2021 gedeeltelijk teruggekomen van zijn arresten van 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051, 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168 en 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3170 (rov. 3.2.7).

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 augustus 2025 de man alsnog verlof verleend voor het ingestelde hoger beroep. De rechtbank is in dit vonnis ingegaan op de beslissing in de

e-mail van 17 mei 2023. De rechtbank heeft overwogen dat deze beslissing niet een einduitspraak betreft en dat deze beslissing op een onjuiste juridische grondslag is genomen, reden waarom zij het verzoek van de man om verlof te verlenen voor hoger beroep tegen het vonnis in incident heroverweegt. Vervolgens heeft zij de man het verlof verleend.

Mede gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 17 december 2021 heeft overwogen aan het eind van r.o. 3.2.4, is het hoger beroep van de man tijdig ingesteld.

De vrouw heeft in de antwoordakte aangevoerd dat de rechtbank in het vonnis van 13 augustus 2025 niet op de door haar aangevoerde verweren heeft beslist en geen mondelinge behandeling heeft toegestaan. Voor het hof is evenwel uitgangspunt dat de rechtbank het verlof bij vonnis heeft verleend. De daartegen door de vrouw aangevoerde bezwaren doen hieraan niet af. Van de beslissing om al dan niet tussentijds hoger beroep open te stellen, staat bovendien geen hogere voorziening open, ook niet met een beroep op doorbrekingsgronden (zie rov. 3.2.5 van het arrest van 17 december 2021). Gesteld noch gebleken is verder dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld. Tot slot volgt uit het vonnis van de rechtbank van 13 augustus 2025 (rov. 1.5 en 3.2) dat de vrouw de gelegenheid heeft gehad zich uit te laten over het verzoek van de man. Het vereiste dat partijen moeten worden “gehoord”, brengt niet mee dat altijd een mondelinge behandeling moet worden bepaald, het horen kan ook plaatsvinden door de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren.

Omdat de verwachting is dat de vrouw, zou zij daadwerkelijk hoger beroep instellen, niet-ontvankelijk zal worden verklaard, ziet het hof geen aanleiding te wachten met het wijzen van het arrest in deze zaak. Aangezien de man verlof heeft gekregen en in zijn tijdig ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen, zal het hof tot een inhoudelijke behandeling van de zaak overgaan.

Inhoudelijk

De man heeft in de hoofdzaak vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de op art. 843a Rv gebaseerde vordering van de vrouw.

Daarnaast heeft de man als aanvullende (reconventionele) eis gevorderd om te verklaren voor recht dat de man aan zijn verplichting krachtens het incidentele vonnis heeft voldaan althans voor zover hij daaraan gehouden kan worden.

De grieven komen samengevat erop neer dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man de in het vonnis vermelde stukken binnen vijf dagen na betekening moet aanleveren op straffe van een dwangsom. Ter onderbouwing heeft de man aangevoerd dat hij de incidentele vordering heeft gemist, althans te laat heeft gereageerd. Hij heeft echter nooit willen tegenwerken of financiële stukken bij de vrouw willen weghouden. De meeste stukken heeft hij inmiddels bij de rechtbank ingediend en hij heeft toegelicht waarom hij de andere stukken niet kon aanleveren: hij kan geen stukken van de twee bedrijven in Marokko aanleveren omdat deze twee bedrijven niet bestaan. Het gaat om bedrijven die uitsluitend als handelsnaam hebben gefungeerd en geen zelfstandige entiteiten waren. Het moederbedrijf ( [X] Import) is al in 2011/2012 opgehouden te bestaan. Omdat de man nooit ervan blijk heeft gegeven niet mee te willen werken, is ten onrechte een dwangsom opgelegd. Ook is de man van mening dat de termijn (vijf dagen) te kort is, omdat hij tijd nodig had om de stukken te bemachtigen.

De vrouw betwist dat de man wil meewerken aan de verdeling. De vrouw heeft al eerder de verdeling aangekaart bij de man en hij wilde daar niets van weten. Het is niet zo dat de man is overvallen. Hij wil de eigendommen onverdeeld laten. Het blijkt ook nergens uit dat hij nooit heeft willen tegenwerken of financiële stukken voor de vrouw heeft willen weghouden. Ook nu houdt hij stukken achter, aangezien hij kennelijk werkzaam is bij het bedrijf van zijn broer. Het blijkt verder nergens uit dat hij stukken niet kan aanleveren of al heeft aangeleverd. Hij heeft enkele in het Frans opgestelde stukken toegestuurd, maar daarvan kan de authenticiteit niet worden vastgesteld en de stukken kunnen ook niet begrepen worden. De vrouw ontkent dat de bedrijven niet meer bestaan. Dat toont de man ook niet aan en bovendien ontkent hij niet dat ze hebben bestaan. De man moet volgens haar aantonen wanneer bedrijven zijn opgeheven. Die stukken heeft zij nog steeds niet ontvangen. De vrouw vindt daarom de oplegging van de dwangsom gerechtvaardigd.

Het hof overweegt als volgt. Art. 843a Rv (oud), dat ook in de verzoekschriftprocedure van toepassing is, bepaalt – samengevat – dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking kan vorderen van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Het moet dus gaan om bepaalde bescheiden. Deze bepaaldheidseis brengt onder meer mee dat met voldoende zekerheid moet kunnen worden vastgesteld dat het stuk waarvan inzage wordt gevraagd, bestaat.

De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat de man twee ondernemingen en onroerend goed in Marokko heeft (gehad), dat zij niet wist wat er exact is, maar dat, omdat partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, deze posten op de peildatum moeten worden meegenomen. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar een “Post Message” uit 2008 en enkele e-mails uit 2010 waarin de man als general manager van “ [bedrijf 1] ” dan wel namens [bedrijf 2] aan derden een bericht heeft gestuurd.

Hieruit volgt dat de vrouw niet heeft gesteld dat de bewuste vermogensbestanddelen er daadwerkelijk waren op de peildatum. De door haar overgelegde stukken dateren verder van zeven tot negen jaar voor de peildatum (6 september 2017).

De man heeft op zijn beurt over de bedrijven in Marokko verklaard dat geen sprake is van zelfstandige bedrijven, maar van handelsnamen. Het bedrijf dat wel bestond, is in 2010/2012 opgeheven. Roerende zaken die de man had overgehouden aan het bedrijf in Marokko, zijn al jaren geleden van de hand gedaan, aldus de man ter zitting. Ook de vrouw heeft aangegeven dat twee vrachtwagens die de man naar Marokko exporteerde, al enkele jaren geleden uit de garage van haar ouders zijn verwijderd. Gelet op deze verklaringen en gelet op de ouderdom van de door de vrouw overgelegde berichten en het gemotiveerde verweer van de man, is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de man beschikt over bescheiden die hij inzake op de peildatum in Marokko bestaande ondernemingen zou kunnen overleggen maar in deze procedure nog niet heeft overgelegd, dan wel dat de door de vrouw gevorderde bescheiden daadwerkelijk bestaan. De vrouw heeft daarom onvoldoende (rechtmatig) belang bij de onderhavige incidentele vordering.

Wat betreft de verzochte opgave van onroerend goed en vermogen in Marokko heeft de vrouw in het geheel geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de man hierover beschikte op de peildatum. De man heeft dit verder (door overlegging van stukken van de Direction Provinciale de Nador) gemotiveerd betwist. Ook op dit punt zal de vordering worden afgewezen.

De man heeft verder gevorderd dat het hof voor recht zal verklaren dat hij aan zijn verplichting krachtens het incidentele vonnis heeft voldaan, althans voor zover hij daaraan gehouden kan worden. Daargelaten dat de man niet voor het eerst in hoger beroep een dergelijke vordering kan instellen, heeft hij bij deze vordering ook geen belang meer, omdat het hof het incidentele vonnis zal vernietigen. Deze vordering wordt dus afgewezen.

Schorsingsverzoek

De man heeft in het op de voet van art. 223 Rv opgeworpen incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis gevorderd. Omdat het hof bij dit arrest uitspraak doet in de hoofdzaak (in het op art. 843a Rv (oud) gebaseerde incident), heeft de man bij deze vordering geen belang meer. Dit brengt mee dat het hof deze vordering zal afwijzen.

Tot slot

De grieven van de man in de hoofdzaak treffen doel. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. Omdat partijen voormalige echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten in het geding in beide instanties compenseren.

Het schorsingsincident zal worden afgewezen. Ook hierin zal het hof de kosten compenseren, omdat partijen voormalige echtgenoten zijn.

6. Beslissing

Het hof:

rechtdoende in hoger beroep:

in de hoofdzaak:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog de vorderingen in het incident ex artikel 843a Rv (oud) af;

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen, zowel wat betreft de eerste aanleg als het hoger beroep;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in het incident tot schorsing:

wijst de vordering af;

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. H.A. van den Berg en mr. M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.A. van den Berg
  • mr. M.C. Schenkeveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?