GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3488
7 augustus 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema)
tegen de uitspraak van 9 juli 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/6547 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 74,40 bestaande uit naheffingskosten van € 72,90 en parkeerbelasting van € 1,50. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 9 juli 2024 (verzonden op 6 augustus 2024) het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’):
“Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan eiser vergoed;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser[es] tot een bedrag van € 437,50.”
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 13 september 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Aangezien geen van de partijen heeft aangegeven een zitting te wensen, heeft het Hof 29 juli 2025 het onderzoek gesloten.
2. Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“Feiten
1. Verweerder heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat is vastgesteld dat eisers auto op 15 juli 2023 op de [a-straat] in Diemen stond geparkeerd, zonder dat daarvoor parkeergeld was betaald. Met de bestreden uitspraak heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.”
Aangezien de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn betwist zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier het volgende aan toe.
In het beroepschrift van belanghebbende van 6 november 2023 schrijft de gemachtigde van belanghebbende het volgende:
“Schending hoorplicht
In het bezwaarschrift heeft belanghebbende de heffingsambtenaar verzocht om een hoorzitting. Desondanks heeft er geen hoorzitting plaatsgevonden. De beslissing van de heffingsambtenaar komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.”
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van wettelijke rente met betrekking tot de gevraagde veroordeling tot vergoeding van griffierecht en (proces)kosten.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd in de eerste twee uur waarvoor geen parkeergeld hoeft te worden betaald.
3. Blijkens het verweerschrift van verweerder van 21 maart 2024 is de naheffingsaanslag vernietigd gelet op wat eiser heeft aangevoerd en de recente rechtspraak van deze rechtbank.
4. Nu verweerder de naheffingsaanslag heeft vernietigd, kan de procedure voor eiser niet meer tot een gunstiger resultaat leiden. Niet is gebleken dat er nog sprake is van procesbelang. De rechtbank zal het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel zal geven in deze zaak.
5. Omdat verweerder de naheffingsaanslag heeft vernietigd na het instellen van beroep, is verweerder gehouden het griffierecht van € 50,- aan eiser terug te betalen.
6. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 875,- vermenigvuldigd met een wegingsfactor van 0,5).”
5. Beoordeling van het geschil
Standpunten partijen
Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend voor het bezwaarschrift en het hoorgesprek. Ter onderbouwing van zijn stelling dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden wijst belanghebbende op de uitnodiging voor de telefonische hoorzitting. Volgens belanghebbende heeft de rechtbank tevens verzuimd de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en het griffierecht.
De heffingsambtenaar is het eens met belanghebbendes hogerberoepsgrond inzake de kostenvergoeding voor het bezwaarschrift en de wettelijke rente. De heffingsambtenaar weerspreekt echter dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden.
Oordeel Hof
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. Het Hof zal deze vergoeding alsnog toekennen (zie punt 6).
Het Hof volgt belanghebbende niet waar hij stelt dat ten onrechte geen kostenvergoeding is gegeven voor het hoorgesprek. Daartoe overweegt het Hof dat een hoorverslag niet tot de gedingstukken behoort en dat belanghebbende in zijn beroepschrift in eerste aanleg expliciet heeft gesteld dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden en reeds op die grond de naheffingsaanslag moet worden vernietigd (zie onder 2.3). Het in hoger beroep ingenomen tegengestelde standpunt, namelijk dat wel een hoorgesprek zou hebben plaatsgevonden, acht het Hof met alleen de overlegging van de uitnodiging voor een hoorgesprek, niet aannemelijk gemaakt. Het Hof verwerpt daarom deze beroepsgrond.
Voorts overweegt het Hof dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente bij te late voldoening van de proceskostenvergoeding en het griffierecht, aangezien daarom was verzocht in het beroepschrift. Het is het Hof overigens niet gebleken dat de heffingsambtenaar de proceskosten en het griffierecht reeds heeft betaald.
6. Kosten
Het Hof vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de (proces)kosten van belanghebbende in bezwaar en hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en hoger beroep. Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit, stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op € 550,25 = (1 punt [bezwaarschrift] x € 647 per punt x 0,5 [wegingsfactor] + 1 punt [hogerberoepschrift] x € 907 per punt) x 0,25 [wegingsfactor]. Het Hof heeft voor de bezwaarfase dezelfde wegingsfactor gehanteerd als de rechtbank heeft gedaan voor de beroepsfase, en acht hiervoor de wegingsfactor ‘licht’ passend bij het gewicht van de onderhavige zaak. Voor de gehanteerde wegingsfactor in de hogerberoepsfase is redengevend dat het Hof de bewerkelijkheid en complexiteit van het hoger beroep als zeer gering waardeert; de werkbelasting voor de gemachtigde kon daarom zeer beperkt zijn.
7. Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin niet is beslist over de proceskostenvergoeding voor het bezwaarschrift en over vergoeding van de wettelijke rente over de proceskosten en het griffierecht;
- draagt de heffingsambtenaar op aan belanghebbende de wettelijke rente te vergoeden over € 437,50 aan proceskostenvergoeding en over het door belanghebbende in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 50 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank op 9 juli 2024 tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van het geding in bezwaar en hoger beroep van in totaal € 550,25, en indien dit bedrag niet tijdig wordt betaald te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
- draagt de heffingsambtenaar op het voor het instellen van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 aan belanghebbende te vergoeden, en indien dit bedrag niet tijdig wordt betaald te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 7 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: