GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3456
7 augustus 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: D. van der Locht van Juist)
tegen de uitspraak van 2 juli 2024 in de zaak met kenmerk AMS 24/198 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaatsnaam] , de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2023 op grond
van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de woning gelegen te [a-straat] 33-H te [plaatsnaam] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2023 naar waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 1.523.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 bekendgemaakt.
Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar
van 20 november 2023 ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 juli 2024 het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft op 9 augustus 2024 hoger beroep ingesteld en het hoger beroep gemotiveerd bij brief van 3 oktober 2024. De heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd bij brieven van 17 februari 2025 en 14 april 2025.
Aangezien geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting te wensen heeft het Hof op 29 juli 2025 het onderzoek gesloten.
2. Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’):
“Feiten
2. Eiser is eigenaar van de woning. Het gaat om een benedenwoning met tuin en berging. Het bouwjaar is 1928 en de oppervlakte van de woning is 160 m².”
Het Hof voegt hier de volgende feiten aan toe.
In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar bij brief van 14 april 2025 een nieuw intern waarde-advies van de taxateur overgelegd. In dit advies wordt de woning vergeleken met de vergelijkingsobjecten [a-straat] 38-H, [a-straat] 48-H en [a-straat] 50-H, alle gelegen te [plaatsnaam] .
De woning beschikt over secundaire woonruimte (een kelder) met een oppervlakte van 35 m2.
3. Geschil in hoger beroep
In geschil is de waarde van de woning. Daarnaast is in geschil of de rechtbank de door belanghebbende ter zitting van de rechtbank aangevoerde gronden terecht tardief heeft verklaard.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. De waarde die moet worden vastgesteld is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de woning op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop is aangeboden [voetnoot 2: Zie de wetsgeschiedenis van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ]. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
9. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarde gebruik gemaakt van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt onderbouwd aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Bij de beoordeling van de vraag of de woningen rond de waardepeildatum zijn verkocht, is het tijdsverloop tussen de verkoopdatum en de waardepeildatum van belang. Behalve wanneer dit tijdsverloop te verwaarlozen is, dient bij de waardebepaling rekening te worden gehouden met de prijsontwikkeling en het tijdsverloop. Verder worden de transactieprijzen van de vergelijkingsobjecten gecorrigeerd met de erfpachtcorrectie en de VvE reserves.
10. De rechtbank maakt uit het in beroep overgelegde interne waardeadvies met waardematrix op dat de heffingsambtenaar de woning in de beroepsfase vergelijkt met andere vergelijkingsobjecten dan in de bezwaarfase. De heffingsambtenaar heeft in beroep de vergelijkingsobjecten [b-straat] 131 H (verkoop 1), [c-straat] 2A (verkoop 2) en [d-straat] 3B (verkoop 3), alle gelegen in [plaatsnaam] -Zuid, gebruikt.
11. Het staat de heffingsambtenaar vrij om in iedere fase van de procedure, dus ook in de beroepsfase, de waardevaststelling grondiger te onderbouwen en de daarbij gebruikte vergelijkingsobjecten te wijzigen.
De nieuwe beroepsgronden
12. Op de zitting heeft eiser meegedeeld dat hij slechts de gronden over de matige onderhoudstoestand van de woning, het enkel glas en het duurzaamheidsniveau handhaaft. Hij heeft op de zitting ook twee nieuwe beroepsgronden aangevoerd. In de eerste plaats heeft de heffingsambtenaar volgens eiser bij twee van de vergelijkingsobjecten (verkoop 1 en 3) een aanwezige kelder op € 8.000,- gewaardeerd zonder dit toe te lichten, terwijl bij de woning een berging is gewaardeerd op een bedrag van € 5.780,- zonder dat dit is toegelicht. Eiser vindt dat het oppervlak van de kelders had moeten worden meegenomen als onderdeel van de vergelijkingsobjecten zelf. Als dat was gebeurd was de vierkante meterprijs van die vergelijkingsobjecten lager uitgekomen. De berging van de woning is volgens eiser te hoog gewaardeerd. Daarnaast heeft eiser op de zitting aangevoerd dat de eerder in de bezwaarfase gebruikte vergelijkingsobjecten beter vergelijkbaar zijn met de woning dan de in de beroepsfase gebruikte vergelijkingsobjecten. Volgens eiser tonen die eerder gebruikte vergelijkingsobjecten een lagere waarde van de woning aan. De heffingsambtenaar had daarom die eerder gebruikte vergelijkingsobjecten mede aan de waardering van de WOZ-waarde van de woning ten grondslag moeten leggen, aldus eiser.
Strijd met de goede procesorde
13. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat eiser de nieuwe beroepsgronden te laat naar voren heeft gebracht en dat hij zich daar op de zitting niet goed tegen kan verweren. De heffingsambtenaar stelt dat hij de waarderingsmethode van de kelders en de berging beter had kunnen toelichten, dat hij een en ander had kunnen doorrekenen en de in de bezwaarfase gebruikte vergelijkingsobjecten had kunnen betrekken bij de waardering, als eiser de nieuwe beroepsgronden voorafgaand aan de zitting had aangevoerd.
14. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens dat eiser deze beroepsgronden te laat heeft ingediend. Eiser beschikt al sinds 8 april 2023 [het Hof verstaat 8 april 2024] over het verweerschrift en de waardematrix, inclusief de gegevens van de nieuwe vergelijkingsobjecten. Hij had de nieuwe beroepsgronden daarom eerder naar voren kunnen brengen. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting een verklaring gegeven waarom hij pas zo laat met deze beroepsgronden komt: de werkwijze van zijn kantoor voorziet niet in de mogelijkheid om voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren op het verweerschrift. Deze verklaring vindt de rechtbank onvoldoende. Het is aan de gemachtigde van eiser om zijn werkwijze zo in te richten dat verweerder en de rechtbank eventuele nieuwe beroepsgronden tijdig kennen. Daarbij vindt de rechtbank mede van belang dat de gemachtigde van eiser werkzaam is bij een in WOZ-zaken gespecialiseerd kantoor. Van een dergelijke gemachtigde mag worden verwacht dat hij nieuwe beroepsgronden voorafgaand aan de zitting aanvoert opdat de heffingsambtenaar in staat is daarop adequaat te reageren. Door dit na te laten handelt hij in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank laat deze beroepsgronden daarom buiten beschouwing.
Onderhoud en kwaliteit
15. Eiser heeft verder aangevoerd dat de heffingsambtenaar bij de waardering van de woning onvoldoende rekening heeft gehouden met de matige onderhoudstoestand van de woning door lekkages binnenin de woning en aan de dakgoten, en door het slechte voegwerk. Verder stelt eiser dat de woning enkele beglazing heeft en ook verder een lager dan gemiddeld duurzaamheidsniveau heeft. De heffingsambtenaar heeft dit alles onvoldoende in de waardering meegenomen, aldus eiser.
16. De heffingsambtenaar heeft betwist dat het onderhoud van de woning onder gemiddeld is. Volgens hem kan dit niet worden afgeleid uit de foto’s die eiser in het geding heeft gebracht. De heffingsambtenaar stelt dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van onder gemiddelde onderhoud en dat de woning enkel glas heeft. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens dat op de foto’s geen lekkages te zien zijn, noch dat de woning enkel glas heeft. Op de zitting heeft eiser ook niet nader toegelicht waaruit dit verder zou kunnen worden afgeleid. Dat betekent dat niet aannemelijk is geworden dat de woning enkel glas heeft en dat de onderhoudstoestand matig is. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat het duurzaamheidsniveau van de woning in zijn algemeenheid lager is dan gemiddeld. Alleen al daarom kunnen deze beroepsgronden niet slagen.
17. Maar zelfs als dit anders was, dan vindt de rechtbank dat de heffingsambtenaar in zijn berekening voldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de kwaliteit en het onderhoud van de woning en van de vergelijkingsobjecten. Zoals de heffingsambtenaar terecht heeft opgemerkt, is het onderhoud bij twee van de drie vergelijkingsobjecten als ‘goed’ beoordeeld tegenover ‘gemiddeld’ voor de woning. De kwaliteit is bij alle drie de vergelijkingsobjecten als ‘goed’ beoordeeld, tegenover ‘gemiddeld’ voor de woning. Onder meer hierdoor ligt de gemiddelde vierkante meterprijs van de vergelijkingsobjecten hoger dan die van de woning, € 8.741,- tegenover de getaxeerde vierkante meterprijs van de woning van € 8.202,-. Het verschil laat zien dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen in onderhoud en kwaliteit. De heffingsambtenaar heeft betoogd dat, uitgaande van de ‘60%-regel’ [voetnoot 3: Zie het arrest van het Hof Amsterdam van 22 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2014:2454] die inhoudt dat voor elke Euro ter verbetering van de woning, de waarde ervan stijgt met € 0,60 er een investeringsruimte is van € 143.733,- om het onderhouds- en duurzaamheidsniveau van de woning te verbeteren. Eiser heeft dit niet betwist en de rechtbank acht het betoog van de heffingsambtenaar goed te volgen.
18. De beroepsgronden over het onderhouds- en duurzaamheidsniveau van de woning slagen niet. Dat betekent dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”
5. Beoordeling van het geschil
Standpunten partijen
In hoger beroep stelt belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgronden die zij heeft aangevoerd tijdens de zitting bij de rechtbank als nieuwe beroepsgronden tardief heeft verklaard. Doordat de heffingsambtenaar het verweerschrift in eerste aanleg te laat heeft ingediend is belanghebbende in haar procesbelang geschaad; zij kon daardoor geen conclusie van repliek indienen waardoor zij proceskostenvergoeding misloopt. Belanghebbende vraagt het Hof die beroepsgronden alsmede de overige in beroep aangevoerde gronden alsnog in aanmerking te nemen. Deze gronden houden onder meer in dat belanghebbende de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar in beroep heeft gebruikt ter onderbouwing van de waarde van het object, niet bruikbaar acht; belanghebbende acht de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar in de bezwaarfase heeft gebruikt meer beschikt.
De heffingsambtenaar conformeert zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft het buiten beschouwing laten van de ‘nieuwe’ beroepsgronden acht de heffingsambtenaar dit oordeel van de rechtbank terecht. Het verweerschrift in eerste aanleg heeft belanghebbende ontvangen op 9 april 2024. Belanghebbende had ruim de tijd om daarop schriftelijk te reageren voorafgaand aan de zitting van 11 juni 2024. Door pas ter zitting te reageren, heeft belanghebbende gehandeld in strijd met de goede procesorde. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank de grieven terecht tardief verklaard.
Oordeel Hof
Het standpunt van belanghebbende inhoudende dat het verweerschrift in eerste aanleg te laat is ingediend en de rechtbank ‘alleen al hierom’ een proceskostenvergoeding had moeten toekennen, wordt door het Hof verworpen. De heffingsambtenaar is niet verplicht om zich te verweren. Er staat als zodanig ook geen sanctie op het niet of te laat indienen van een verweerschrift. Daarbij acht het Hof van belang dat belanghebbende door de late indiening van het verweerschrift niet is geschaad in zijn procesbelang, aangezien hij daarna in een periode van ongeveer twee maanden heeft kunnen reageren op het verweerschrift. In verband met de referte van belanghebbende aan een kostenvergoeding voor repliek, wijst het Hof erop dat het indienen van repliek een discretionaire bevoegdheid is van de rechter op grond van artikel 8:43, eerste lid, Awb (artikel 12 Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025). Belanghebbende mag er daarom niet op vertrouwen dat een reactie op hetgeen de wederpartij in verweer aanvoert steeds wordt aangemerkt als een conclusie van repliek. Als partijen na afloop van het vooronderzoek worden uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting, is het niet meer mogelijk om nog om repliek te verzoeken (vlg. artikel 8:43 en 8:56 Awb). Wel kan een zodanig reactie tot 10 dagen voor de zitting worden aangemerkt als nader stuk als bedoeld in artikel 8:58 Awb, zodat van de inhoud tijdig door de wederpartij (als ook door de rechter) kennis kan worden genomen.
In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning onderbouwd aan de hand van een tweetal nieuwe vergelijkingsobjecten, te weten [a-straat] 48 H en [a-straat] 50 H en met één object dat ook reeds was opgenomen in het taxatieverslag, namelijk [a-straat] 38 H. Het Hof overweegt dat het de heffingsambtenaar vrij staat om in elke fase van het geding de waarde van de woning nader of anders te onderbouwen.
Het Hof acht de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar met de woning. Alle vergelijkingsobjecten liggen in dezelfde straat als de woning, hebben een tuin, zijn een benedenwoning, zijn uit een nagenoeg gelijk bouwjaar (1928 of 1929) en hebben een vergelijkbaar woonoppervlak. De verkoopprijzen van deze objecten zijn daarom goed bruikbaar ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de vergelijkingsobjecten maakt dit niet anders. Het gaat erom dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen, hetgeen het geval is. Dit laatste volgt naar het oordeel van het Hof uit de in hoger beroep overgelegde matrix, waarin niet alleen rekening is gehouden met een verschil in (woon)oppervlakte maar ook is gecorrigeerd voor verschillen in kwaliteit, onderhoud en ligging, indien afwijkend van het gemiddelde. Het Hof acht in het waarderapport van de heffingsambtenaar ook in voldoende mate gecorrigeerd voor aanwezige VVE-onderhoudsreserves. De uitkomst daarvan is dat de gemiddelde prijs voor het woningdeel (neutraal) van de vergelijkingsobjecten € 8.789 per m2 bedraagt, terwijl de m2-prijs voor het woningdeel van de woning € 8.202 per m2 bedraagt.
Tegen deze in hoger beroep aangevoerde onderbouwing van de waarde van de woning heeft belanghebbende als zodanig geen grieven aangevoerd. De in eerste aanleg aangevoerde grief dat de kelder in de woning ten onrechte als ‘secundair woningdeel’ is aangemerkt, faalt. Bij de reactie van de taxateur zijn foto’s van de woning en het souterrain gevoegd. Daaruit blijkt dat het souterrain een hoge en goed toegankelijke ruimte betreft die dienst kan doen als woonruimte. De heffingsambtenaar heeft het souterrain dan ook terecht als secundair woningdeel in zijn waardering betrokken. Dat die waardering (€ 202.300) naar belanghebbende stelt, te hoog zou zijn, volgt het Hof niet. In dit verband wijst het Hof erop dat het souterrain van [a-straat] 38-H met een oppervlakte 42 m2 en is gewaardeerd op € 234.234, goed vergelijkbaar is met het souterrain van de woning. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de foto’s van de woning niet valt op te maken dat sprake zou zijn van enkel glas en van lekkages en dat het duurzaamheidsniveau van de woning lager is dan gemiddeld. Overigens zijn in het woningwaarderapport, dat in opdracht van belanghebbende is opgesteld en in de bezwaarfase namens hem is ingebracht, de kwaliteit en het onderhoud van de woning als gemiddeld aangeduid (3 op een schaal van 5). Ten aanzien van dit woningwaarderapport overweegt het Hof voorts dat de daarin opgenomen vergelijkingsobjecten alleen al vanwege de ligging minder goed bruikbaar zijn dan de vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar in hoger beroep. Zo zijn de woning en de vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar gelegen aan dezelfde laan, waarvan de weghelften gescheiden zijn door een brede lommerrijke berm, terwijl in plaats daarvan over de [e-straat] , waaraan twee van de drie vergelijkingsobjecten van belanghebbende gelegen zijn, een trambaan loopt.
Het Hof concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep heeft aangevoerd werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.
Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
6. Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 7 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: