ECLI:NL:GHAMS:2025:3285

ECLI:NL:GHAMS:2025:3285, Gerechtshof Amsterdam, 09-12-2025, 23-002609-24

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer 23-002609-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001941

Samenvatting

Vrijspraak in eerste aanleg, veroordeling in hoger beroep. De verdachte heeft een coördinerende rol gespeeld bij de invoer van cocaïne vanuit Curaçao. Het hof legt, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, hem een gevangenisstraf op die de duur van het reeds ondergane voorarrest niet overschrijdt.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 april 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van de invoer van cocaïne.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van de invoer van cocaïne. Hij heeft aangevoerd dat, hoewel de gesprekken in het dossier vraagtekens oproepen, er geen uitvoeringshandelingen zijn die wijzen op een nauwe en bewuste samenwerking of op een significante bijdrage van de verdachte aan de invoer van de drugs.

Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

Op 4 april 2023 is medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) op Schiphol aangehouden nadat hij vanuit Curaçao in Nederland was aangekomen. Bij [medeverdachte] zijn 60 slikkersbollen aangetroffen bevattende in totaal 486 gram cocaïne.

Uit de in het dossier opgenomen chatberichten volgt dat de verdachte en [medeverdachte] al geruime tijd voorafgaand aan het tenlastegelegde contact hadden met elkaar en voornamelijk gesprekken voerden in het Papiaments, hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook heeft erkend. Uit de inhoud van die berichten leidt het hof af dat door [medeverdachte] en de verdachte al langere tijd versluierd wordt gesproken over de smokkel van verdovende middelen waarbij met ‘choko’ hasjiesj wordt bedoeld hetgeen - blijkens het proces-verbaal veelvuldig - naar Curaçao wordt gesmokkeld.

Zo volgt uit een gesprek op 24 oktober 2022 dat [medeverdachte] een spraakbericht stuurt naar de verdachte waarin hij zegt: ‘[…] ik denk dat je met de choko naar beneden moet komen. Met 600 naar beneden komen. Gaat naar Aruba en Bonaire, snap je. […]’, waarop de verdachte reageert met ‘Hoi, kijk of dat de dame dan heen wil vliegen. Ik koop 600 gram en ik geef het haar dan kan ze naar Cura gaan. Dan betaal ik haar wel gewoon met geld van Curaçao.

En uit een gesprek van 31 oktober 2022 waarin [medeverdachte] een spraakbericht stuurt naar de verdachte waarin hij zegt: ‘[…]Welke dag gaan de choko's naar beneden komen vriend? NTV met niks schoon. Je komt naar beneden met hasj, klaar. Hier beneden krijg je wat geld. […]’, waarop de verdachte reageert met ‘Broer, heb wel zin om wat serieuze dingen op Cura te zetten maar We moeten kijken hoe. Model wat. Want ik ben nu op. ledere week. 100 gram. Komt hierheen. Via post

Op 11 november 2022 stuurt [medeverdachte] een spraakbericht naar de verdachte waarin hij het volgende zegt: ‘Hoi [verdachte] , wat ik wou zeggen ik heb een model gevonden. Zodat je de 200 naar beneden stuur broer. Iemand zei me hoe hij zijn dingen maak. Hij maakt bolletjes stop ze in de Dove showergel. Koop een paar en stop ze er in. Ze naar zijn broer sturen, snap je. Hij stopt ze in die flessen NTV (niet te verstaan). Hij varieert de dingen, snap je. In kleren stuurt hij. In de zwarte AXE. Shower gel. Kleren. Broeken. Van alles door elkaar, snap je. Niet alles in AXE en gel. Nee, hij varieert de dingen. NTV showergel en zo dat ze niet gaan lekken. NTV die dingen in doos naar beneden naar zijn broer.’

Op 4 april 2023 is de verdachte [persoon 1] , die op uitreis was naar Curaçao, aangehouden voor de smokkel van verdovende middelen. Hij was in het bezit van 200 gram hasjiesj verpakt in dove showergel. De omstandigheden, waaronder deze [persoon 1] is aangehouden, komen overeen met het voornoemde spraakbericht van [medeverdachte] naar de verdachte op 11 november 2022.

[medeverdachte] stuurt op 18 november 2022 het volgende spraakbericht naar de verdachte: ‘De man zegt me de man is gevallen. Snap je. De man zegt me de man is gevallen. Nu weet ik niet wat te doen.’ Op 19 november 2022 reageert de verdachte als volgt: ‘Je zegt hem als de man gevallen is wil je de helft van dat ding terug.

Bij het onderzoeksteam is het ambtshalve bekend dat wanneer over "gevallen" wordt gesproken er

versluierd wordt gesproken over dat een koerier van verdovende middelen is aangehouden. Deze bewoordingen worden door de verdachte ook gebruikt wanneer [medeverdachte] op 4 april 2023 op Schiphol wordt aangehouden. Voorafgaand aan die trip wordt tussen hen het navolgende gewisseld.

Op 24 maart 2023 stuurt de verdachte om 16:41 uur een spraakbericht naar [medeverdachte] , waarin hij het vraagt: ‘Vertrek je de 3e van Curaçao? Of kom je hier aan? Zodat ik weet.’, waarop [medeverdachte] om 16:45 uur reageert: ‘Ik bel je. Ik kom de 4e aan.’ De verdachte vraagt [medeverdachte] vervolgens om 16:48 uur in een spraakbericht: ‘Maar ok goed. Voor wie ga je vliegen? Misschien kan ik er ook in stoppen. Hoeveel heb je nog open? Hoeveel ga je optillen?’, waarop [medeverdachte] om 16:50 uur de volgende spraakberichten stuurt: ‘He, even wachten ik bel je. Goed. Wacht ik bel je en we praten. Wacht. Wacht even we bespreken dat. Helemaal rustig, een wachten. Hou alleen je telefoon in de gaten prim. Je moet je telefoon in de gaten houden. Je houd van kloten. Ik bel je, je neemt niet op. Dat vind ik vervelend aan je.’ De verdachte reageert om 16:51 uur ‘Goed’. Vervolgens wordt er gedurende meer dan een uur niet per chat gecommuniceerd, waarna [medeverdachte] om 17:56 uur een foto van een [bedrijf] ticket stuurt, die op de naam van [medeverdachte] staat met een reisroute Curaçao-Amsterdam, vertrekkend op 3 april 2023.

Uit de context van de correspondentie van 24 maart 2023 maakt het hof op dat met ‘optillen’ versluierd wordt gesproken over het slikken van cocaïnebolletjes en dat de verdachte op de 4e (het hof begrijpt: 4 april 2023) aankomt. De verdachte wil weten voor wie [medeverdachte] vliegt (drugs gaat smokkelen) en of er nog ruimte is om ook iets voor de verdachte mee te nemen. Het hof acht het hierbij van belang dat [medeverdachte] en de verdachte wisselend verklaren over wat zij zouden hebben bedoeld met ‘optillen.’ [medeverdachte] heeft als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte hem vroeg om kleding mee te nemen voor zijn neefjes en nichtjes, terwijl de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] deze vraag stelde om te weten of [medeverdachte] fruit voor hem mee kon nemen.

Kort voor de vlucht vraagt de verdachte meerdere malen aan [medeverdachte] om een goede foto van zichzelf te sturen, vraagt hoe laat hij moet inchecken, verifieert na dat tijdstip of hij ‘er langs is gegaan‘ en vraagt hoeveel hij heeft opgetild.

Op 4 april 2023 stuurt de verdachte in een spraakbericht naar [medeverdachte] dat een vriend hem komt halen. De verdachte benadrukt in dit gesprek dat [medeverdachte] tegen niemand moet zeggen dat een vriend van hem [medeverdachte] komt halen.

Als [medeverdachte] op 4 april 2023 na aankomst in Schiphol door de Douane apart wordt genomen voor controle, onderhoudt hij contact met de verdachte. De verdachte geeft [medeverdachte] het adres van zijn moeder en instrueert hem over wat tegen de Douane moet zeggen. Zo instrueert hij [medeverdachte] dat hij moet zeggen dat hij naar Nederland is gekomen, omdat de verdachte jarig is. Verder zegt de verdachte tegen [medeverdachte] dat hij ‘in zijn rol moet blijven.’ Op hetzelfde moment onderhoudt de verdachte ook contact met [persoon 2] en informeert hij deze [persoon 2] dat hij denkt dat [medeverdachte] is ‘gevallen’.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte een coördinerende rol heeft vervuld bij de invoer van de cocaïne, waarbij in ieder geval vast staat dat hij [medeverdachte] heeft geïnstrueerd teneinde door de Douanecontrole te komen.

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof bewezen dat de verdachte zodanig was betrokken bij de invoer van de cocaïne door [medeverdachte] dat hij daarbij in nauwe en bewuste samenwerking met hem heeft gehandeld en dus als medepleger is aan te merken. Hij had een coördinerende rol en heeft daarmee een substantiële bijdrage geleverd aan het gezamenlijke plan om een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 april 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 78 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, ingeval van bewezenverklaring, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte de eis van de advocaat-generaal alleszins redelijk is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van invoeren van 486 gram cocaïne. De verdachte had daarbij een coördinerende rol.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van zeer ernstige en zware criminaliteit. Het hof rekent de verdachte dit aan.

Bij de keuze voor de aan de verdachte op te leggen straf en het bepalen van de hoogte en aard daarvan heeft het hof als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het invoeren van harddrugs in Nederland. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen voor het invoeren van een hoeveelheid van 200 tot 500 gram cocaïne als strafmaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 tot 6 maanden. De verdachte heeft 102 dagen in voorarrest doorgebracht. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte, ondanks de impact die deze procedure en meer in het bijzonder de detentie in deze zaak op hem heeft gehad, zijn leven een positieve wending heeft gegeven. De verdachte heeft zijn leven op de rit en werkt hard om deze positieve lijn zo voort te zetten. Het hof ziet om de voornoemde redenen geen aanleiding voor een hogere gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest.

Het hof acht, alles afwegende en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht, een gevangenisstraf, zoals door de advocaat-generaal geëist, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 78 (achtenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. P.J. van Eekeren en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 december 2025.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Z. Hoshmand

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?