Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002010-21
Datum uitspraak: 1 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-680187-18 tegen de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres] .
Deze ontnemingszaak komt voort uit het opsporingsonderzoek ‘Tessin’. In dit onderzoek is sprake van meer verdachten, onder wie [betrokkene] die hierna wordt aangeduid als ‘betrokkene’ dan wel ‘ [betrokkene] ’. De medeverdachten/-betrokkenen worden hierna aangeduid als [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Procesgang
De oorspronkelijke vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 33.092,82. Dit bedrag is ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 en 2 juni 2021 bijgesteld naar een bedrag van € 39.330,64.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2021 in de strafzaak, naar het hof begrijpt, veroordeeld ter zake van het medeplegen van handel in verdovende middelen in de periode van 3 december 2018 tot en met 21 mei 2019.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 5 juli 2021 in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 23.736,05 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 21.386,05 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2025 veroordeeld ter zake dat hij, op tijdstippen in de periode van 3 december 2018 tot en met 20 mei 2019, met anderen, opzettelijk heroïne en cocaïne heeft bereid, vervoerd, verkocht, verhandeld en overgedragen aan personen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 14, 17 en 18 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot andere beslissingen komt.
Grondslag van de ontneming
Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2025 is de betrokkene veroordeeld ter zake dat hij, op tijdstippen in de periode van 3 december 2018 tot en met 20 mei 2019, met anderen, opzettelijk heroïne en cocaïne heeft bereid, vervoerd, verkocht, verhandeld en overgedragen aan personen.
Op grond van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde feit voordeel heeft verkregen op na te melden wijze.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
I Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 23.736,05 en aan de betrokkene – na aftrek van het in de strafzaak verbeurd te verklaren geldbedrag van € 2.350,00 – de verplichting op te leggen tot betaling van een bedrag van € 21.386,05 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging heeft zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat het te ontnemen bedrag flink gematigd dient te worden, omdat moet worden uitgegaan van een kortere pleegperiode, zoals bepleit in de strafzaak, het in de berekening opgenomen aantal deals gemiddeld per dag disproportioneel en niet representatief is voor de gehele periode en de gemiddelde inkoopkosten te laag zijn geschat.
II Het oordeel van het hof
De advocaat-generaal heeft tot uitgangspunt genomen het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met betrekking tot de betrokkene, gedateerd 13 januari 2020 (hierna: het Ontnemingsrapport). Daarin is de berekening van het voordeel gebaseerd op extrapolatie van de berekende opbrengst in de periode van 4 februari 2019 tot en met 17 februari 2019 in relatie tot de deallijn met nummer [telefoonnummer 1] en de opbrengst in de periode van 1 maart 2019 tot en met 6 maart 2019 in relatie tot de deallijn met nummer [telefoonnummer 2] .
Het hof neemt, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, het Ontnemingsrapport tot uitgangspunt. Uit de in dit rapport opgenomen berekeningen volgt dat:
Gelet hierop bedraagt de opbrengst per dag (23,95 x € 29,12) = € 697,42
Op welk bedrag als kosten in mindering dienen te worden gebracht:
Winst per dag € 486,06
Ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren wordt het volgende overwogen.
II.1 De pleegperiode
Het hof neemt de bewezenverklaring in de strafzaak tot uitgangspunt. Derhalve heeft voor de betrokkene te gelden dat als periode waarin hij heeft deelgenomen aan de handel in harddrugs kan worden aangehouden: 3 december 2018 tot en met 20 mei 2019. Het verweer van de raadsman dat moet worden uitgegaan van een kortere periode wordt derhalve met de bewezenverklaring in de strafzaak verworpen.
II.2 De methode van extrapolatie
De raadsman heeft gesteld dat het genomen gemiddeld aantal deals (23,95) per dag disproportioneel en niet representatief is en verzoekt het hof uit te gaan van een gemiddelde van maximaal 11 deals per dag.
Het hof overweegt dienaangaande allereerst dat uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZD0672) volgt dat een generalisatie van resultaten van onderzoek geoorloofd is indien deze gebaseerd zijn op representatieve gegevens. Het hof is van oordeel dat het gemiddeld per dag berekende aantal deals in de periode van 4 februari 2019 tot en met 17 februari 2019 voor de dealtelefoon met nummer [telefoonnummer 1] en het gemiddeld per dag berekende aantal deals in de periode van 1 maart 2019 tot en met 6 maart 2019 voor de dealtelefoon met nummer [telefoonnummer 2] representatieve gegevens hebben opgeleverd. Het hof stelt vast dat bij de berekening van het gemiddelde op bepaalde dagen 11, 12 of 15 deals hebben plaatsgevonden. Daar staan tegenover dagen waarop veel meer deals hebben plaatsgevonden, zoals op 2, 3, 4 en 5 maart 2019 respectievelijk 56, 43, 46 en 41 deals. Het berekende gemiddelde aantal deals over in totaal 20 dagen is naar het oordeel van het hof voldoende representatief. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat de extrapolatie van dit gemiddelde zal plaatsvinden naar een beperktere periode dan in het Ontnemingsrapport aangenomen, te weten 169 dagen (3 december 2018 tot en met 20 mei 2019) in plaats van 280 dagen (13 augustus 2018 tot en met 21 mei 2019). Dit gegeven versterkt de representativiteit van het berekende gemiddelde. Het hof ziet dan ook geen grond voor het verzoek van de verdediging uit te gaan van het laagste aantal deals (11) op maandag 4 februari 2019 als zijnde het gemiddelde.
II.3 De inkoopkosten
De verdediging heeft betoogd dat de gemiddelde inkoopprijs per gemaakte deal niet € 7,99 moet zijn maar € 9,27 en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De inkoopprijs van een kilo cocaïne in België in 2019 lag op ongeveer € 29.000,00, derhalve 20% hoger dan de inkoopprijs waar de rechtbank en het openbaar ministerie van uitgaan (€ 25.000,00). Ervan uitgaande dat ongeveer 80% van de deals (base)coke betrof, op welke deals een verhoging van 20% op de inkoopprijs moet worden toegepast, leidt dit volgens de verdediging tot een gemiddelde inkoopprijs van € 9,27.
Het hof stelt vast dat de betrokkene zelf op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in de in- en verkoopprijzen omdat hij zich zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Het hof is van oordeel dat de gedetailleerde berekening van de in- en verkoopprijs zoals opgenomen in het Ontnemingsrapport op een evenwichtige grondslag berust. In die berekening is rekening gehouden met de besproken inkoopprijs van heroïne tijdens de opgenomen en uitgeluisterde OVC-gesprekken, de verklaring van verdachte [verdachte] over de verkochte eenheidshoeveelheid heroïne, de aangetroffen hoeveelheden cocaïne in de verpakkingen bij de doorzoeking van de slaapkamer van [medeverdachte 3] en uitgegaan van de verkoopprijs voor 1 gram heroïne
(€ 16,00) en 1 gram cocaïne (€ 50,00). In het arrest van dit hof van 2 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4050) is overwogen dat op basis van jurisprudentie voor de inkooprijs 50% van de verkoopprijs wordt aangehouden en daarmee in beginsel een winstmarge van 50%. Het hof sluit zich bij deze overweging aan en gaat daarmee voorbij aan de alternatieve berekening van de verdediging.
II.4 De verdeling
Wat betreft de verdeling wijst het hof allereerst op de ter terechtzitting in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] , dat hij met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [betrokkene] heeft gedeald in heroïne en cocaïne en dat het voordeel onder de jongens werd verdeeld; het delen door vier klopt wel ongeveer, aldus [medeverdachte 2] .
Verder neemt het hof in aanmerking dat bij [medeverdachte 3] sprake is geweest van een aantal periodes van inactiviteit, terwijl [medeverdachte 1] eerst op 15 februari 2019 betrokken raakt en vanaf 2 mei 2019 gedetineerd zat. Het hof stelt dit vast op grond van het navolgende.
Op 12 februari 2019 werd een technische actie (taplijn) aangesloten op het telefoonnummer ( [telefoonnummer 3] ) dat bij [medeverdachte 3] in gebruik was. Uit opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken van [medeverdachte 3] met onder andere zijn vriend [persoon] op 12 februari, 13 februari en 14 februari 2019 volgt dat [medeverdachte 3] wilde stoppen met het dealen van harddrugs. Bij een observatie op 15 februari 2019 wordt weliswaar de Peugeot met kenteken [kenteken 1] van [medeverdachte 3] gezien met daarin [medeverdachte 1] en [betrokkene] , maar niet ook [medeverdachte 3]. Bij een observatie op 20 februari 2019 wordt wederom genoemde Peugeot gezien met daarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en op 22 februari 2019 [medeverdachte 1] , [betrokkene] en [medeverdachte 2] , maar telkens niet ook [medeverdachte 3] . De technische actie op het telefoonnummer van [medeverdachte 3] ( [telefoonnummer 3] ) is vervolgens op 28 februari 2019 afgesloten.
Op 5 maart 2019 wordt [medeverdachte 3] bij een observatie gezien als hij contact heeft met een bij de politie met naam bekende harddruggebruiker. Op diezelfde dag wordt [medeverdachte 3] waargenomen op de Accumulatorweg in Amsterdam waarbij gezien wordt dat hij in contact is met een onbekend gebleven man en dat tussen beiden over en weer iets wordt overgegeven door het geopende raam van de Opel Corsa met kenteken [kenteken 2] op naam van [medeverdachte 3]. Naar aanleiding van deze observaties wordt op 11 maart 2019 de technische actie op het telefoonnummer van [medeverdachte 3] weer aangesloten. Uit een telefoongesprek van [medeverdachte 3] met zijn vriend [persoon] op 11 maart 2019 volgt dat [medeverdachte 3] weer aan het werk is.
Uit opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken van [medeverdachte 3] met zijn vriend [persoon] en met zijn vader vanaf 23 maart 2019 valt af te leiden dat [medeverdachte 3] vanaf genoemde datum niet heeft gewerkt. Hij is in Zeeland. Op 24 maart 2019 probeert [betrokkene] meermalen tevergeefs telefonisch contact met [medeverdachte 3] op te nemen. Uit een onvriendelijk sms-bericht van [betrokkene] aan [medeverdachte 3] volgt dat dit niet lukt.
Uit een opgenomen en uitgeluisterd telefoongesprek op 27 maart 2019 van [medeverdachte 3] met zijn vriend [persoon] volgt dat [medeverdachte 3] weer “met de chappies van mijn buurt gewoon omstebeurt barkie barkie, gewoon je weet toch omstebeurt werken…”. Op 30 maart 2019 meldt [medeverdachte 3] aan zijn vriend [persoon] dat de vader van [medeverdachte 3] verdovende middelen van [medeverdachte 3] ter waarde van zeven barkies (het hof begrijpt:
€ 700,00) heeft weggegooid en door de WC had weggespoeld. Op 2 april 2019 wordt [medeverdachte 3] bij een observatie gezien waarbij hij contact maakt met een vermoedelijke koper van verdovende middelen op de Nieuwmarkt.
Het hof komt op basis van al deze gegevens tot de conclusie dat [medeverdachte 3] in twee periodes niet heeft gewerkt, te weten van 12 februari 2019 tot en met 4 maart 2019 en van 23 maart 2019 tot en met 26 maart 2019, terwijl [medeverdachte 1] alleen in de periode van 15 februari tot en met 1 mei 2019 heeft gedeald. [medeverdachte 1] komt niet eerder dan 5 februari 2019 in beeld en wordt op 2 mei 2019 aangehouden waarna hij in detentie komt te zitten. Het hof zal dit betrekken in de wijze van verdeling.
Dit alles in onderling verband en samenhang bezien maakt dat betrokkene in wisselende samenstellingen zich bezig heeft gehouden met de handel in harddrugs en dat de verdiensten, bij gebrek aan een (andersluidende) verklaring van betrokkene, pondspondsgewijs verdeeld zullen worden, zoals in het Ontnemingsrapport op basis van het voordeel per dag is berekend.
II.6 Conclusie wederrechtelijke verkregen voordeel
Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen door middel van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde feit:
Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene bedraagt: € 11.503,42 + € 729,09 + € 2.916,36 + € 2.187,27 + € 648,08 + € 4.374,54 + € 3.078,38 = € 25.437,14.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Geldbedrag
In het arrest van 1 april 2025 in de strafzaak tegen de betrokkene heeft het hof de teruggave gelast van € 2.350,00 aan de betrokkene, zodat het hof, anders dan de rechtbank, niet toekomt aan het in mindering brengen van dit bedrag in de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.
Schending redelijke termijn
Bij de behandeling van deze ontnemingszaak is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM met meer dan twaalf maanden overschreden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de redelijke termijn overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling van € 25.437,14 aan de Staat.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 25.437,14 (vijfentwintigduizend vierhonderdzevenendertig euro en veertien cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 25.437,14 (vijfentwintigduizend vierhonderdzevenendertig euro en veertien cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 508 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2025.
mr. J.W.H.G. Loyson is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.