Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001954-21
Datum uitspraak: 1 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-680052-19 tegen de betrokkene:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
adres: [adres] .
Deze ontnemingszaak komt voort uit het opsporingsonderzoek ‘Tessin’. In dit onderzoek is sprake van meer verdachten, onder wie [verdachte] die hierna wordt aangeduid als ‘de betrokkene’ dan wel ‘ [medeverdachte 1] ’. De medeverdachten/medebetrokkenen worden hierna aangeduid als [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .
Procesgang
De oorspronkelijke vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 30.176,44. Dit bedrag is ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 en 2 juni 2021 bijgesteld naar een bedrag van € 11.463,00.
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2021 in de strafzaak is de betrokkene veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van eveneens 5 juli 2021 in de ontnemingszaak is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 14.014,83 en is de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2025 veroordeeld ter zake dat hij op tijdstippen in de periode van 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019, met anderen, opzettelijk heroïne en cocaïne heeft bereid, vervoerd, verkocht, verhandeld en overgedragen aan personen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 14, 17 en 18 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot andere beslissingen komt.
Grondslag van de ontneming
Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2025 is de betrokkene veroordeeld ter zake dat hij op tijdstippen in de periode van 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019, met anderen, opzettelijk heroïne en cocaïne heeft bereid, vervoerd, verkocht, verhandeld en overgedragen aan personen.
Op grond van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene uit het bewezenverklaarde feit voordeel heeft verkregen op na te melden wijze.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
I Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 14.014,83 en aan de betrokkene de verplichting op te leggen tot betaling van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De verdediging heeft zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat het ontnemingsbedrag fors dient te worden gematigd. In dat verband is aangevoerd dat de methode van extrapolatie onterecht is toegepast, nu geen rekening is gehouden met een opstartfase en het daarnaast onredelijk en buitenproportioneel is om het aantal bestellingen per week gedurende een periode van 20 dagen over de gehele onderzoeksperiode te extrapoleren. Verder dient te worden uitgegaan van een kortere pleegperiode, zoals bepleit in de strafzaak, en dienen 21 vakantiedagen in aftrek te worden genomen. Ook is ten onrechte uitgegaan van een evenredige verdeling onder de betrokkenen.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat, gelet op het bovenstaande, het ontnemingsbedrag
€ 1.215,10 bedraagt (uitgaande van de periode 23 april tot en met 2 mei 2019) dan wel € 4.617,38 (uitgaande van de periode 26 maart tot en met 2 mei 2019), op welk bedrag de kosten voor de Opel Corsa ad € 600,- in mindering dienen te worden gebracht, evenals een bedrag vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
II. Het oordeel van het hof
II.1 Het ontnemingsrapport
De advocaat-generaal heeft tot uitgangspunt genomen het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met betrekking tot de betrokkene, gedateerd 13 januari 2020 (hierna: het Ontnemingsrapport). Daarin is de berekening van het voordeel gebaseerd op extrapolatie van de berekende opbrengst in de periode van 4 februari 2019 tot en met 17 februari 2019 in relatie tot de deallijn met nummer [telefoonnummer 1] en de opbrengst in de periode van 1 maart 2019 tot en met 6 maart 2019 in relatie tot de deallijn met nummer [telefoonnummer 2] .
Het hof neemt, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, het Ontnemingsrapport tot uitgangspunt. Uit de in dit rapport opgenomen berekeningen volgt dat:
de gemiddelde verkoopprijs over de beide dealtelefoonnummers € 29,12 bedraagt;
de gemiddelde inkoopprijs over de beide dealtelefoonnummers € 7,99 bedraagt;
het gemiddeld aantal deals per dag 23,95 deals ((243+236) : 20 dagen) betreft;
de tankkosten per dag € 20,- bedragen.
Gelet hierop bedraagt de opbrengst per dag (23,95 x € 29,12) = € 697,42
Op welk bedrag als kosten in mindering dienen te worden gebracht:
inkoopkosten verdovende middelen per dag (23,95 x 7,99) € 191,36
tankkosten per dag € 20,00
Winst per dag € 486,06
Ten aanzien van de door de verdediging (mede ter zake deze berekening) gevoerde verweren wordt het volgende overwogen.
II.2De methode van extrapolatie
Het hof overweegt allereerst dat uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZD0672) volgt dat een generalisatie van resultaten van onderzoek geoorloofd is, indien deze gebaseerd zijn op representatieve gegevens. Het hof gaat ervan uit dat de berekende opbrengst aan de hand van de gesprekken die gevoerd werden over de dealtelefoons met respectievelijk nummer [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] representatieve gegevens hebben opgeleverd. Het hof betrekt daarbij dat uit het dossier volgt dat reeds in juli 2018 meldingen bij de politie binnen kwamen over een nieuwe dealer in Amsterdam Noord, die qua signalement en dealerauto met [medeverdachte 4] en het door hem gebruikte voertuig overeenkwam en dat bijvoorbeeld op 4 september 2018 [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] staande worden gehouden en [medeverdachte 4] uiteindelijk aangehouden omdat bij hem 22 bolletjes cocaïne worden aangetroffen. [medeverdachte 2] heeft dan een relatief groot geldbedrag (€ 495,00) en een burnertelefoon bij zich. Het hof leidt hieruit af dat de handel in harddrugs in de referentieperiodes van enkele maanden later zich niet meer bevond in een opstartfase, zoals de raadsman lijkt te suggereren, maar reeds in volle omvang draaide.
Het verweer dat de extrapolatie van de onderzoeksperiodes naar de bewezenverklaarde periode van 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019 onterecht zou zijn toegepast en ongeschikt zou zijn om het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten, faalt derhalve. Deze extrapolatie is namelijk verantwoord, nu de onderzochte periodes, gelet op de duur daarvan en het constante beeld dat het gemiddeld aantal gesprekken per dag laat zien, als representatief gekenschetst dient te worden. Uit de in het arrest van de strafzaak als bewijsmiddel gebruikte getuigenverklaring van [getuige] van 26 mei 2019 volgt dat hij de betrokkene herkent van een foto, dat betrokkene dezelfde rol heeft als [medeverdachte 4] , namelijk het verkopen van cocaïne en heroïne en dat hij al bijna twee jaar drie á vier keer in de week cocaïne en heroïne bij deze vriendenploeg koopt.
II.3 De pleegperiode
Het hof neemt de bewezenverklaring in de strafzaak als uitgangspunt. Derhalve heeft voor de betrokkene te gelden dat als periode waarin hij heeft deelgenomen aan de handel in harddrugs kan worden aangehouden: 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019. Het verweer van de raadsman dat moet worden uitgegaan van een kortere periode wordt derhalve met de bewezenverklaring in de strafzaak verworpen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het procesdossier geen aanwijzingen bevat waaruit zou moeten volgen dat sprake is geweest van een vakantieperiode van drie weken, waarmee de verdediging heeft verzocht rekening te houden. Het hof betrekt in haar oordeel mede de ter terechtzitting in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] dat hij zich niet kan herinneren dat door betrokkenen vakantie werd genoten. Derhalve zal het hof daar geen rekening mee houden.
II.4 De evenredige verdeling
De raadsman heeft betoogd dat de betrokkene geen evenredig aandeel in het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Het hof gaat aan deze stelling van de raadsman voorbij en wijst allereerst op de ter terechtzitting in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , dat hij met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gedeald in heroïne en cocaïne en dat het voordeel onder de jongens werd verdeeld; het delen door vier klopt wel ongeveer, aldus [medeverdachte 3] .
Verder neemt het hof wat betreft de verdeling in aanmerking dat bij [medeverdachte 4] sprake is geweest van een aantal periodes van inactiviteit. Het hof stelt dit vast op grond van het navolgende.
Op 12 februari 2019 werd een technische actie (taplijn) aangesloten op het telefoonnummer ( [telefoonnummer 3] ) dat bij [medeverdachte 4] in gebruik was. Uit opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken [medeverdachte 4] met onder andere zijn vriend [persoon] op 12 februari, 13 februari en 14 februari 2019 volgt dat [medeverdachte 4] wilde stoppen met het dealen van harddrugs. Bij een observatie op 15 februari 2019 wordt weliswaar de Peugeot met kenteken [kenteken 1] [medeverdachte 4] gezien met daarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maar niet ook [medeverdachte 4]. Bij een observatie op 20 februari 2019 wordt wederom genoemde Peugeot gezien met daarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en op 22 februari 2019 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] maar telkens niet ook [medeverdachte 4] . De technische actie op het telefoonnummer [medeverdachte 4] ( [telefoonnummer 3] ) is vervolgens op 28 februari 2019 afgesloten.
Op 5 maart 2019 wordt [medeverdachte 4] bij een observatie gezien als hij contact heeft met een bij de politie met naam bekende harddruggebruiker. Op diezelfde dag wordt [medeverdachte 4] waargenomen op de Accumulatorweg in Amsterdam waarbij gezien wordt dat hij in contact is met een onbekend gebleven man en dat tussen beiden over en weer iets wordt overgegeven door het geopende raam van de Opel Corsa met kenteken [kenteken 2] op naam [medeverdachte 4]. Naar aanleiding van deze observaties wordt op 11 maart 2019 de technische actie op het telefoonnummer [medeverdachte 4] weer aangesloten. Uit een telefoongesprek [medeverdachte 4] met zijn vriend [persoon] op 11 maart 2019 volgt dat [medeverdachte 4] weer aan het werk is.
Uit opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken [medeverdachte 4] met zijn vriend [persoon] en met zijn vader vanaf 23 maart 2019 valt af te leiden dat [medeverdachte 4] vanaf genoemde datum niet heeft gewerkt. Hij is in Zeeland. Op 24 maart 2019 probeert [medeverdachte 2] meermalen tevergeefs telefonisch contact met [medeverdachte 4] op te nemen. Uit een onvriendelijk sms-bericht van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] volgt dat dit niet lukt.
Uit een opgenomen en uitgeluisterd telefoongesprek op 27 maart 2019 [medeverdachte 4] met zijn vriend [persoon] volgt dat [medeverdachte 4] weer “met de chappies van mijn buurt gewoon omstebeurt barkie barkie, gewoon je weet toch omstebeurt werken…”. Op 30 maart 2019 meldt [medeverdachte 4] aan zijn vriend [persoon] dat de vader [medeverdachte 4] verdovende middelen [medeverdachte 4] ter waarde van zeven barkies (het hof begrijpt:
€ 700,00) heeft weggegooid en door de WC had weggespoeld. Op 2 april 2019 wordt [medeverdachte 4] bij een observatie gezien waarbij hij contact maakt met een vermoedelijke koper van verdovende middelen op de Nieuwmarkt.
Het hof komt op basis van al deze gegevens tot de conclusie dat [medeverdachte 4] in twee periodes niet heeft gewerkt, te weten van 12 februari 2019 tot en met 4 maart 2019 en van 23 maart 2019 tot en met 26 maart 2019. Het hof zal dit betrekken in de wijze van verdeling.
Dit alles in onderling verband en samenhang bezien maakt dat betrokkene in wisselende samenstellingen zich bezig heeft gehouden met de handel in harddrugs en dat de verdiensten, bij gebrek aan een (andersluidende) verklaring van betrokkene, pondspondsgewijs verdeeld zullen worden, zoals in het Ontnemingsrapport op basis van het voordeel per dag is berekend.
II.5 De kosten van de Opel Corsa
De raadsman heeft betoogd dat de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuige [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de auto door gezamenlijke inleg van de verdachten is verkregen, dat de auto is gebruikt voor het dealen en dat daarmee de aanschafkosten voor aftrek in aanmerking komen.
Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog en overweegt als volgt. [medeverdachte 3] heeft allereerst verklaard dat de auto is aangeschaft door inleg van [medeverdachte 2] , de betrokkene en hijzelf. [medeverdachte 4] heeft in de financiering van deze auto niet deelgenomen. Verder heeft [medeverdachte 3] verklaard dat de auto niet specifiek werd gebruikt voor het dealen, maar ook om ‘te hangen’ en om mee naar de stad te gaan. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat de aanschafkosten voor de Open Corsa niet voor aftrek in aanmerking komen nu deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met de handel in verdovende middelen.
II.6 Conclusie wederrechtelijke verkregen voordeel
Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene tot het hierna vermelde bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen door middel van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde feit:
Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel voor de betrokkene bedraagt:
€ 2.916,36 + € 2.187,27 + € 648,08 + € 4.374,54 = € 10.126,25.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Schending redelijke termijn
Bij de behandeling van deze ontnemingszaak is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met meer dan twaalf maanden overschreden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de redelijke termijn overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling van € 10.126,25 aan de Staat.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 10.126,25 (tienduizendhonderdzesentwintig euro en vijfentwintig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 10.126,25 (tienduizendhonderdzesentwintig euro en vijfentwintig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 202 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2025.
mr. J.W.H.G. Loyson is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.