Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 14, 17 en 18 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 3 december 2018 tot en met 21 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of (telkens) heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of verkocht en/of verhandeld en/of overgedragen (aan een of meer tot op heden onbekend gebleven personen) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden heroïne en/of cocaïne, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
I Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet, met dien verstande dat de ten laste gelegde periode in verband met de detentie van de verdachte dient te worden beperkt tot de periode van 14 januari 2019 tot 2 mei 2019.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. De verdachte wordt enkel tijdens een relatief klein gedeelte van de observaties en bij een aantal andere gelegenheden met medeverdachte(n) gezien. Daarbij is sprake van het brengen van vrienden naar afspraken als vriendendienst of het samen met hen halen van eten. Er is geen concreet bewijs in de vorm van taps of chatgesprekken dat bij de verdachte drugs zijn besteld dan wel dat hij deze heeft afgeleverd. De verklaring van de getuige [getuige 1] bij de politie, dat hij wel eens wat van de verdachte heeft gekregen, moet van het bewijs worden uitgesloten, althans met behoedzaamheid worden betracht, nu deze verklaring tegenstrijdig is met zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep dat hij geen drugs van de verdachte heeft gekocht. De OVC-gesprekken van 25, 26 en 27 april 2019 betreffen slechts stoerdoenerij en kunnen bovendien niet worden geëxtrapoleerd naar de gehele ten laste gelegde periode. Indien al moet worden geoordeeld dat de verdachte betrokkenheid heeft in de vorm van het verlenen van hand- en spandiensten, dan levert dit enkel medeplichtigheid op, hetgeen niet is ten laste gelegd, en geen medeplegen. Subsidiair is aangevoerd dat de pleegperiode moet worden ingekort vanwege onvoldoende bewijs voor deelperiodes en vanwege detentie van de verdachte.
II Het oordeel van het hof
II.1 Inleiding
Op 3 december 2018 is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Tessin. Het onderzoek richtte zich in eerste instantie op de verdenking van handel in verdovende middelen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Deze verdenking is ontstaan op basis van waarnemingen en bevindingen naar aanleiding van een anonieme getuigenverklaring van 13 juli 2018, waarin werd gemeld dat er een nieuwe dealer van cocaïne in Amsterdam-Noord werkzaam was. Op basis van het door de getuige opgegeven signalement van de nieuwe dealer en het voertuig waarvan deze gebruikmaakte, ontstonden er aanwijzingen voor betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de handel in verdovende middelen. [medeverdachte 1] paste in het signalement en reed in een auto die soortgelijk was aan de door de getuige genoemde auto. In de periode hierna werd [medeverdachte 1] meermalen samen met [medeverdachte 3] in een voertuig waargenomen. In de loop van het onderzoek zijn ook verdenkingen van betrokkenheid bij de handel in drugs ontstaan ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 2] . De verdenking ziet op het in vereniging plegen van de handel in heroïne en cocaïne, met gebruikmaking van zogenoemde dealertelefoons.
II.2 Bewijs
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de aangehechte bijlage, het volgende af, waarbij overwegingen van de rechtbank (deels) zijn overgenomen en aangevuld.
II.2.1 Waarnemingen
In november 2018 zijn op meerdere dagen observaties uitgevoerd op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waarbij werd waargenomen dat [medeverdachte 1] al dan niet samen met [medeverdachte 3] , meerdere korte bezoeken aflegde bij adressen die te koppelen waren aan personen die in de politiesystemen voorkwamen als harddruggebruiker.
Op 6 december 2018 is [medeverdachte 1] waargenomen in een Peugeot. De bijrijder leek qua postuur en grootte op [medeverdachte 3] . Waargenomen werd dat [medeverdachte 1] en de andere persoon rond 21.48 uur de centrale toegang van (onder andere) de woning van de bij de politie als harddruggebruiker bekend zijnde [persoon 1] betraden. Om 22:02 uur kwam [medeverdachte 1] naar buiten en maakte hij contact met een persoon op een fiets. Ze stonden dicht bij elkaar en na een minuut reed de fietser weg. Rond 22:23 uur hebben [medeverdachte 1] en de andere persoon de woning verlaten en reden zij weg in de Peugeot.
Op 14 december 2018 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waargenomen in een grijze Peugeot 307 met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Peugeot). Het voertuig kreeg een stopteken van de politie, waarna [medeverdachte 1] uit de auto rende en een zakje weggooide. In het later aangetroffen zakje zaten 11 bolletjes heroïne. Tijdens de hierop volgende insluitingsfouillering zijn in de onderbroek van [medeverdachte 1] 6 bolletjes cocaïne aangetroffen. [medeverdachte 3] bleek bij controle twee telefoons bij zich te hebben en een contant geldbedrag van € 550,-.
Op 30 december 2018 is [medeverdachte 1] gecontroleerd in de Peugeot. Als passagier zat in het voertuig een bij de politie bekende harddruggebruiker.
Op 30 januari 2019 is tijdens een observatie waargenomen dat de Peugeot van [medeverdachte 1] wegreed vanaf de [straat 1] , ter hoogte van [straat 2] . [medeverdachte 1] bestuurde de auto. Bij de [straat 3] stopte de auto. Gezien werd dat een man naar de passagierszijde liep, iets aanpakte en wegliep. De auto parkeerde even later op de [straat 3] , waar [medeverdachte 1] uitstapte. Even later reed hij naar de woning van [persoon 2] aan de [adres 2] , daarna reed hij naar de woning van [persoon 1] . Om 17:29 uur ging hij weer rijden. Op de [straat 2] kwam een man naast de auto staan, die contact maakt met [medeverdachte 1] . Kort daarna liep de man weg. Om 21:14 uur parkeerde de Peugeot bij de taxistandplaats van het AMC en bleef daar een tijd wachten, [medeverdachte 1] was de bestuurder. Een man stapte in de auto en stapte na een minuut weer uit. Daarna reed de auto naar KFC. Ook daar stapte een man in de auto, na 1 tot 2 minuten stapte de man weer uit.
Op 15 februari 2019 zijn [medeverdachte 3] en [verdachte] samen gezien in de Peugeot van [medeverdachte 1] .
Het hof overweegt dat voornoemde observaties, waarbij sprake is van kortstondige ontmoetingen met derden, veelal bekende harddrugsgebruikers, en ook verdovende middelen en contant geld wordt aangetroffen, duiden op de handel in verdovende middelen. Dat daarvan sprake is, vindt bevestiging in het navolgende.
II.2.2 Deallijnen
Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] , beide harddrugsgebruiker, blijkt dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ) en [telefoonnummer 2] (hierna: # [telefoonnummer 2] ) werden gebruikt als dealerlijnen. Op beide nummers zijn technische acties aangesloten. Het hof leidt uit de tapgesprekken af dat er korte gesprekken werden gevoerd, waarin bestellingen werden opgenomen en afspraken werden gemaakt voor de overdracht. In de gesprekken werden door de beller en de gebelde termen gebruikt als 'boven', ‘beneden’, ‘bolletjes', ‘sannie’, ‘bruin’, ‘wit’, ‘donnies’ en 'affoes’ om zaken aan te duiden; allemaal versluierd taalgebruik duidend op de handel in verdovende middelen. Ook werd gesproken over het koken en bereiden van drugs.
De inhoud van deze gesprekken vindt onder meer bevestiging in de op 23 mei en 6 juni 2019 bij de politie afgelegde verklaringen van harddrugsgebruiker [persoon 2] , die blijkens de tap dealerlijn # [telefoonnummer 1] belde. [persoon 2] bevestigde bij de politie dat met ‘beneden’ en 'bruin' heroïne werd bedoeld en dat met ‘boven’ en ‘wit' cocaïne werd bedoeld. Ook heeft zij verklaard dat zij gedurende ongeveer een halfjaar, tot 21 mei 2019, twee tot drie keer per week, soms iedere dag, op verzoek heroïne heeft verpakt en cocaïne heeft bereid. [persoon 2] woonde aan de [adres 2] en had een relatie met de hierboven genoemde [getuige 2] .
Uit de opgevraagde historische gegevens van het nummer # [telefoonnummer 2] is gebleken dat dit nummer contact heeft gehad met vijf telefoonnummers die eerder (tussen 29 november 2018 en 1 februari 2019) ook contact hadden met # [telefoonnummer 1] . De nummers hadden tot begin februari 2019 contact met # [telefoonnummer 1] en daarna met # [telefoonnummer 2] . Uit de gesprekken op de lijn # [telefoonnummer 1] bleek dat het meermalen voorkwam dat de gebruiker van # [telefoonnummer 1] aangaf terug te zullen bellen, maar dat een dergelijk gesprek vervolgens niet werd gehoord. De hierbij passende contactmomenten waren wel te zien in de historische printgegevens van # [telefoonnummer 2] , zodat kan worden aangenomen dat beide nummers door dezelfde persoon of groep werden gebruikt.
Op basis van de getuigenverklaringen en de afgeluisterde tapgesprekken kan worden vastgesteld dat de nummers # [telefoonnummer 1] en # [telefoonnummer 2] werden gebruikt voor de handel in verdovende middelen. Ook kan worden vastgesteld dat beide telefoons incidenteel werden gebruikt voor één en dezelfde deal.
II.2.3 Verdachten zijn in verband te brengen met het gebruik van de dealertelefoons # [telefoonnummer 1]
en # [telefoonnummer 2]
Op verschillende momenten is de politie voor observatie naar de locatie gegaan die in een afgeluisterd gesprek werd afgesproken voor de vermoede levering van drugs, om te kunnen vaststellen wie daar zou(den) verschijnen, of werd een observatie bevestigd door opgenomen telefoongegevens.
Observaties in samenhang met tap op dealertelefoon # [telefoonnummer 1]
Op 30 januari 2019 vraagt [persoon 2] aan de gebruiker van # [telefoonnummer 1] of diegene kan zorgen dat 'hij' (dus niet de gebruiker van # [telefoonnummer 1] , maar iemand waar deze gebruiker kennelijk mee in contact staat) om 16:15 uur bij haar is. Om 16:28 uur belt ze weer met # [telefoonnummer 1] , met de vraag waar hij is. Om 16:28 uur wordt gezien dat [medeverdachte 1] de woning van [persoon 2] in gaat.
Op 20 februari 2019 wordt # [telefoonnummer 1] tussen 12:08 en 13:44 uur meermalen gebeld door het nummer [telefoonnummer 3] . Er wordt een afspraak gemaakt bij de dierenkliniek en er wordt gesproken over 20 wit en 20 bruin, en affoe. De politie ziet dat om 13:48 uur een Peugeot 307 ( [kenteken 1] , op naam van [medeverdachte 1] ) parkeert op de Isolatorweg, waar een dierenkliniek is gevestigd. De inzittenden van het voertuig zijn [verdachte] (bestuurder) en [medeverdachte 2] . Een fietser en een persoon op een scootmobiel gaan naar de auto, waar een overdracht plaatsvindt. De auto rijdt verder en stopt op een gegeven moment, waarna een persoon instapt. Deze persoon wordt herkend als [persoon 3] . Het voertuig rijdt een rondje, waarna [persoon 3] weer uitstapt. [persoon 3] staat in de politiesystemen geregistreerd als harddrugsgebruiker.
Op 22 februari 2019 om 15:15 uur is gezien dat de hiervoor genoemde Peugeot met drie inzittenden vanuit de [straat 1] naar de dierenkliniek op de Isolatorweg rijdt. Twee vermoedelijke drugsgebruikers lopen naar de auto. De auto is kort daarna, om 15:33 uur, gecontroleerd. De bestuurder blijkt [verdachte] te zijn, de passagiers zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Bij [verdachte] worden twee telefoons aangetroffen. Eén van deze telefoons gaat tijdens de staandehouding over. Uit de tap op # [telefoonnummer 1] blijkt dat er die dag om 15:40 uur naar dat nummer is gebeld. Het nummer peilt dan uit op de
Spaarndammerdijk, de straat waar ook de staandehouding plaatsvond. Het nummer peilde om 15:15 uur uit in de directe omgeving van de [straat 1] .
Observatie in samenhang met tap op dealertelefoon # [telefoonnummer 2]
Op 5 maart 2019 om 11:17 uur belt [nummer] ( [persoon 4] , van de [adres 3] ) naar # [telefoonnummer 2] en vraagt of diegene tijd heeft. De gebruiker van # [telefoonnummer 2] zegt over 10 tot 15 minuten bij hem te zijn. Op de [adres 3] staat [persoon 5] ingeschreven, hij heeft de classificatie harddrugsgebruiker. Om 11:31 uur belt [persoon 4] weer en vraagt of # [telefoonnummer 2] nog komt. Diegene zegt er binnen 6 tot 7 minuten te zijn. Om 11:51 uur komt [medeverdachte 1] aan in een op zijn naam staande Opel Corsa (kenteken [kenteken 2] ). [medeverdachte 1] stapt uit en maakt contact met [persoon 5] en een onbekende man. Ze lopen samen naar een hoekje, staan dicht bij elkaar en lijken iets over te dragen. Kort daarna rijdt [medeverdachte 1] weer weg.
Gebruiker nummers # [telefoonnummer 1] en # [telefoonnummer 2]
Over het algemeen werd, op een enkele keer na, in zowel gesprekken gevoerd met of naar het nummer # [telefoonnummer 1] als met of naar het nummer # [telefoonnummer 2] één en dezelfde stem gehoord als stem van de gebruiker van die nummers. Op 19 maart 2019 is een tap aangesloten op het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: #[telefoonnummer 4]). Het is op basis van observatie aannemelijk geworden dat [medeverdachte 2] de gebruiker van dit nummer was. De stem van de gebruiker van de nummers # [telefoonnummer 1] en # [telefoonnummer 2] kwam overeen met de stem van de gebruiker van het nummer #[telefoonnummer 4]. Gelet hierop gaat het hof er van uit dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van de dealernummers # [telefoonnummer 1] en # [telefoonnummer 2] .
De observaties in combinatie met de afgeluisterde gesprekken bevestigen dat # [telefoonnummer 1] en # [telefoonnummer 2] dealerlijnen betreffen. Tevens is op basis van de observaties en afgeluisterde (OVC-)gesprekken duidelijk dat alle vier de verdachten in verband kunnen worden gebracht met het exploiteren van deze dealerlijnen.
II.2.4 OVC-gesprekken
Op 14 april 2019 is een Opel Corsa met kenteken [kenteken 3] (hierna: de Opel Corsa) op naam van [verdachte] gezet. Dit voertuig is door de politie voorzien van afluisterapparatuur. Het hof geeft hieronder enkele relevante OVC-gesprekken zakelijk weer.
Op 25 april 2019 om 21:32 uur zitten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] in de auto. Zij spreken over affoes, donnies, barkies, gram en lotto. [verdachte] zegt dat de uitkering (het hof begrijpt: de uitkering van derden, harddrugsgebruikers) vandaag moet komen, dat hij die donnies wil afmaken. [medeverdachte 3] vraagt hoeveel ze hebben gepakt de man en hoeveel gram er ‘in totaal over’ is. Hij zegt tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] dat ze ook moeten uitrekenen, dat je leeg raakt in de avond en ‘wat heb je aan die lotto gram'. [medeverdachte 2] zegt ‘Morgen hebben ze een uitkering. [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] ’, waarop [medeverdachte 3] reageert ‘ik zeg afmaken’ en [verdachte] ‘Ja toch, zo bedoel ik het’. [medeverdachte 3] zegt dat hij nog 35 heeft liggen en vraagt of ze wel van die nieuwe hebben gepakt. [medeverdachte 3] zegt ook dat er dus uiteindelijk gewoon 75 gram is gepusht, waarop [verdachte] reageert met 65 en [medeverdachte 2] met 70 gram. Ze geven daarop alle drie aan dat dat lekker of heerlijk is en [medeverdachte 2] voegt daaraan toe dat het toch 16, 17 barkie per dag is. Volgens [verdachte] hebben ze kankerveel opgehaald en moeten er nieuwe balletjes worden gemaakt voor Turkoe.
Op 26 april 2019 om 02:34 uur zitten [medeverdachte 2] , [verdachte] en twee onbekende personen (NN1 en 2) in de auto. [medeverdachte 2] zegt dat een donnie bruin 160 euro is en dat hij genoeg bruin in Noord heeft, hij koopt 50 of 100 euro in. Hij spreekt over ‘affoetjes’ en ‘donnietjes’ en zegt dat hij alles heeft gewogen. NN zegt dat [medeverdachte 2] zijn vaste dealer is, dat hij minimaal ‘douza’ of 1500 euro bij hem inkoopt. [medeverdachte 2] beaamt dat NN vaker bij hem koopt. Vervolgens wordt [medeverdachte 2] gebeld en wordt een afspraak gemaakt om over 20 minuten bij de beller zijn. Een paar minuten later gaat de deur van de auto open, een NN-persoon vraagt 'hoeveel voor 150’. [medeverdachte 2] zegt dat hij gisteren heeft gekookt, in totaal 45 gram, maar dat hij veel bruin heeft verkocht die dag en eigenlijk weer moet gaan koken.
Op 27 april 2019 om 00:28 uur zitten [verdachte] en [medeverdachte 2] in de auto. [medeverdachte 2] zegt dat iets moet worden gegeven aan Bo, dat het gelijk moet worden opgehaald en – op instructie van [verdachte] – dat degene haar ook moet laten roken en moet vragen hoe die sannie is. Dan stapt [medeverdachte 3] in. [verdachte] bespreekt met hem voor hoeveel er moet worden gepakt: ‘ik zei vorige keer toch al 31, we pakken hem op 30’, waarop [medeverdachte 3] reageert met ‘Ja toch’ en [verdachte] aangeeft dat als je de getallen niet lager noemt, mannen nooit lager gaan. [verdachte] zegt ook dat als je 32 zegt, die man op 32 gaat blijven, waarop [medeverdachte 3] het getal 31 noemt en [medeverdachte 2] het getal 30. [verdachte] geeft aan dat hij gaat kopen bij die man als ‘ie leipe sannie heeft’. [medeverdachte 3] zegt dat hij hoopt dat ‘hij’ die oude weer heeft, die door een zekere [persoon 9] als ‘dynamite’ is aangemerkt. [verdachte] zegt dat hij daar ‘gewoon halve ki’ moet halen. Even later zegt hij dat hij morgen die gast gaat betalen. [medeverdachte 3] antwoordt 'geen stress we betalen morgen’. [verdachte] zegt dat ze 28 gaan geven voor een halve kilo.
Op 28 april 2019 om 18.21 uur zitten [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto, waarbij op de achtergrond een NN-persoon hoorbaar is.
[verdachte] vraagt of [persoon 10] een Donnie heeft gehaald, waarop [medeverdachte 2] reageert met ‘halve gram lala en vier donnie weetie’. [medeverdachte 3] vraagt aan de NN-persoon wat hij heeft, waarop deze zegt dat hij 9 donnies nodig heeft en bevestigend antwoordt op de vraag van [medeverdachte 3] ‘aan Sannie?’.
[medeverdachte 3] vraagt waar [persoon 11] is en zegt dat ‘hij’ ( [persoon 11] of een andere derde) eigenlijk 20 grannies heeft, dat hij gewoon 6 barkies moet aflossen. Hij vraagt [medeverdachte 2] of deze derde nog sannie heeft van die andere sannie en ook dat hij ( [medeverdachte 3] ) zelf verpakt heeft.
[medeverdachte 3] zegt verder tegen [medeverdachte 2] dat het “[persoon 12]” zijn lijn is en dat [medeverdachte 2] wordt gebeld, maar moet afleveren. [medeverdachte 3] zegt dat de klanten denken dat de persoon die de telefoon opneemt de baas is, dat ze weten dat hij de telefoon heeft gegeven aan iemand die hij gewoon vertrouwt.
[medeverdachte 3] zegt ook dat hij die chouwa gram gekookt heeft en verpakt, dat hij 5 gram aan de boys gaat geven. Hij rekent uit wat de winst is en vraagt of [medeverdachte 1] ‘broer’ gaat afbetalen, hetgeen [medeverdachte 1] bevestigt.
Op 1 mei 2019 om 12.53 zit [verdachte] alleen in de auto.
Om 13.06 uur heeft [verdachte] een telefoongesprek, waarin hij zegt: “Ik heb geen sans (Fon), kom eerst. (ntv). ja man. Vier donnies. Nee, hij heeft wel vier donnies en heeft betaald zeker. Ja. Ja. Ja. Nu vijfenvijftig (55) “choeroes” weer? Ik ga even… ik ga even winkel bellen”.
Om 13:16:36 uur geeft [verdachte] aan dat hij zo langs [persoon 2] gaat.
Om 13:17:55 uur heeft [verdachte] een gesprek met een NN-vrouw, die om ‘twintig witte en een tientje bruin voor vijfentwintig’ vraagt.
Om 13:21:46 uur heeft [verdachte] een gesprek met een NN-man, waarin [verdachte] om een beetje sannie en een beetje wietie vraagt. Hij vraagt ook of de NN-man mee gaat verpakken en dat hij kankersnel moet verpakken. [verdachte] zegt dat hij snel moet ‘prikke voor…NTV sowieso twee donnies afoetje. Hij zegt verder: “Ho ho. Ja sabbie (fon). Anders gewoon een afoetje. Twee tientjes, beste twee tientjes. Deze ...(ntv). Prikke voor bankoe. Maaruh. ik ben leeg he. Ik had net in een woning. Ik ben bewogen met twaalfhonderd euro aan sannie (fon) he broer. Ik heb niks meer hier.” Hij zegt dat hij 500 bolletjes had, dat zijn sannie tussen de eerste bank zit en dat je je hand er tussen moet doen.
Het hof leidt uit de inhoud van deze OVC-gesprekken af dat de verdachten, terwijl zij in de Opel Corsa zitten, veelvuldig met elkaar spreken in versluierd taalgebruik – over grammen, bruin, wit, bolletjes, roken, verpakken en koken – welk taalgebruik, in combinatie met de overige bewijsmiddelen en bij gebreke van enige nadere andersluidende duiding door de verdachten, niet anders kan worden begrepen dan betreffende de handel in verdovende middelen, met inbegrip van het koken en bereiden/verpakken daarvan.
II.2.5 Getuigenverklaringen
Getuige [getuige 1] heeft op 26 mei 2019 bij de politie verklaard dat hij ongeveer twee jaar drugs heeft gekocht bij een vriendenploeg. Aan de hand van foto’s herkende hij [medeverdachte 2] als degene die de telefoon opnam en vervolgens de jongen belde die de drugs kwam brengen, [medeverdachte 1] als de jongen die de drugs kwam brengen en [verdachte] als degene die dezelfde rol vervulde als [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] werkten samen met [medeverdachte 3] , waren 24/7 bereikbaar en namen altijd op, ook ’s nachts.
Getuige [persoon 2] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] , die zij ’ [bijnaam 1] ’ noemde, bij haar op de [adres 2] aan de deur kwam met de -zo begrijpt het hof uit de context van haar verklaring- drugs. Met [medeverdachte 2] , die zij ‘ [bijnaam 2] " noemde, had ze telefonisch contact daarover en [medeverdachte 3] , die zij als ’ [persoon 12] ’ kende, hoorde ook bij de jongens die heroïne en cocaïne maakten. Zij heeft ook voor hen cocaïne gekookt en heroïne verpakt. Zij werd altijd [persoon 2] genoemd door [medeverdachte 2] .
Getuige [getuige 2] heeft bij de politie bevestigd dat [medeverdachte 1] verdovende middelen kwam brengen en deze bij [persoon 2] en hem in de [adres 2] werden verpakt en/of gekookt.
Getuige [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] verdovende middelen heeft gedeald. Zij handelden in cocaïne en heroïne. [persoon 2] kookte en verpakte verdovende middelen voor hen. Hij heeft zelf gedeald vanaf februari 2019 tot en met mei 2019. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] dealden daarvoor al.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen.
Voor zover de verdediging met de stelling, dat sprake is geweest van sturing dan wel het uitoefenen van druk door de politie op de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [persoon 2] , heeft willen betogen dat de verklaringen van deze getuigen niet bruikbaar zijn voor het bewijs, overweegt het hof het volgende.
De bij de politie afgelegde verklaringen van deze getuigen vinden steun in elkaar en/of in de overige bewijsmiddelen. Zo vindt de verklaring van [persoon 2] , dat zij in haar woning aan de [adres 2] cocaïne heeft gekookt en heroïne heeft verpakt voor [bijnaam 1] ( [medeverdachte 1] ), [bijnaam 2] ( [medeverdachte 2] ) en [persoon 12] ( [medeverdachte 3] ), steun in de verklaring van [getuige 2] bij de politie. [getuige 2] bevestigt, zoals hiervoor reeds overwogen, dat [medeverdachte 1] verdovende middelen kwam brengen en deze bij [persoon 2] en hem in de [adres 2] werden verpakt en/of gekookt. De verklaring van [persoon 2] vindt steun in diverse, in de bewijsmiddelen opgenomen, tapgesprekken. Ook wordt de dealerauto met daarin [medeverdachte 1] (onder andere op 5 en 8 februari 2019) of [verdachte] met [medeverdachte 2] (onder andere op 26 maart 2019 en 17 april 2019) na het maken van afspraken via de dealtelefoon bij voornoemd adres gezien. Daar komt bij dat [medeverdachte 2] als getuige ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd dat hij met [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft gedeald en dat [persoon 2] verdovende middelen voor hen verpakte en kookte. [persoon 2] heeft ook gelijkelijk verklaard bij de rechter-commissaris in het kader van haar inbewaringstelling. Verder verklaren zowel [persoon 2] als [getuige 2] ter zitting in hoger beroep dat zij bij de politie naar waarheid hebben verklaard. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder niet gebleken dat sprake is geweest van sturing of ontoelaatbare druk door de politie – het ervaren van enige (emotionele) druk door de getuigen als gevolg van vermoeidheid of drugsbehoefte of het door het verhoorkoppel wijzen op persoonlijke omstandigheden van een getuige is daartoe onvoldoende – terwijl er evenmin aanwijzingen zijn dat deze (toelaatbare) druk heeft geleid tot valse verklaringen. De getuige [persoon 2] heeft dienaangaande op zitting in hoger beroep ook verklaard (in antwoord op de vraag of zij zich onder druk gezet voelde tijdens dat eerdere verhoor, waarin zij aangaf drugs nodig te hebben, en of ze daardoor anders heeft verklaard) ‘dat zij nog liever ziek is dan dat zij iemand beschuldigt die er niet bij betrokken was’ en dat ze niets is gaan verzinnen om er vanaf te zijn. Hieruit leidt het hof af dat de getuige niemand valselijk is gaan beschuldigen.
Gelet op de overwegingen die hiervoor zijn vermeld, ziet het hof evenmin reden voor twijfel aan de verklaring van de getuige [getuige 1] bij de politie over het dealen door [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Dat deze getuige nadien, bij de rechter-commissaris en ter zitting in hoger beroep, anders is gaan verklaren – kennelijk, getuige het SMS-bericht dat hij op 31 mei 2019 aan verbalisant [verbalisant] stuurde, omdat hij niet gelukkig was met het feit dat zijn verklaring bij de verdachten terecht is gekomen en hij ter verantwoording is geroepen – maakt zijn verklaring bij de politie, die door hem is ondertekend, niet onbruikbaar voor het bewijs. Dat, en zo ja op welke wijze, de getuige zou zijn gestuurd door de politie, volgt niet uit de verklaring van de getuige of anderszins uit het dossier en is ook door de verdediging niet nader onderbouwd.
Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaringen van [persoon 2] , [getuige 2] en [getuige 1] bij de politie betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
II.2.6 Conclusie
Het hof is van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven waarnemingen, tapgesprekken, observaties, OVC-gesprekken en getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het, bereiden, vervoeren, verkopen, verhandelen en overdragen van heroïne en cocaïne. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking de waarnemingen die door de politie zijn gedaan in de periode voorgaande aan de ten laste gelegde periode, nu deze in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen een nadere duiding geven aan de handelingen van de verdachten in de ten laste gelegde periode en daardoor mede redengevend zijn voor het ten laste gelegde feit.
Ook de voor een bewezenverklaring van medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is komen vast te staan. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat sprake was van een gezamenlijk optreden van de verdachten. De verdachten onderhielden contacten met klanten, namen bestellingen op en maakten afspraken met hen voor de overdracht van verdovende middelen. De verdachten maakten gebruik van dezelfde voertuigen en deallijnen en bedienden dezelfde klanten. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen tevens af dat de verdachten gezamenlijk gebruik maakten van de diensten van [persoon 2] ten aanzien van het koken en/of verpakken van de verdovende middelen. De verdachten zijn meermalen, in wisselende samenstelling, in elkaars aanwezigheid gezien bij observaties of gehoord in de OVC-gesprekken terwijl hun gesprekken en handelingen op die momenten in verband kunnen worden gebracht met de handel in verdovende middelen, inclusief het bereiden en verpakken daarvan. Uit de inhoud van de OVC-gesprekken blijkt ook van een gezamenlijke bemoeienis met die handel in verdovende middelen. Zo wordt in het OVC-gesprek van 27 april 2019 tussen [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) en [verdachte] ( [verdachte] ) gesproken over het kopen van verdovende middelen en voor welke prijs ze dat willen doen ( [verdachte] : ‘ik zei vorige keer toch al 31’,’we pakken hem op 30’, Als je zegt 32 gaat die man op 32 blijven’ en ‘ik ga kopen bij die man als ie leipe sannie heeft’ [medeverdachte 3] : ‘ik hoop, ik hoop boys ik hoop dat hij die oude weer heeft’ en [verdachte] :‘we gaan 28 geven voor een halve kilo’), en in het OVC-gesprek van 25 april 2019 tussen [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] ) en [verdachte] ( [verdachte] ) over wat ze hebben omgezet en over wat ze hebben verdiend ( [medeverdachte 3] : ‘dus uiteindelijk is er gewoon 75 gram gepusht, [verdachte] : 65, [medeverdachte 2] : 70 gram, [medeverdachte 2] : Dat is toch 16,17 barkie per dag, 15 barkie’).
Het hof wijst tenslotte op de verklaring van [medeverdachte 2] , zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij samen met [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in heroïne en cocaïne heeft gehandeld en dat het voordeel onder de jongens werd verdeeld; het delen door vier klopt wel ongeveer, aldus [medeverdachte 2] .
Het vorenoverwogene duidt op gezamenlijke betrokkenheid op en intensieve samenwerking met elkaar in de handel in verdovende middelen, zowel wat betreft aankoop, bereiding, vervoer en verkoop van de verdovende middelen. Wie precies welke rol vervulde en hoe de onderlinge verhoudingen tussen de verdachten precies waren, is voor een bewezenverklaring van medeplegen niet relevant.
II.2.7 Pleegperiode
Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de handel in verdovende middelen in de periode van 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019. De verdachte komt vanaf 15 februari 2019 voor het eerst in beeld samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Voor betrokkenheid van de verdachte voor 15 februari 2019 zijn in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten te vinden. De betrokkenheid van [verdachte] eindigt als hij op 2 mei 2019 wordt aangehouden en in detentie komt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heroïne en/of cocaïne heeft bereid, vervoerd, verkocht, verhandeld en/of heeft overgedragen aan personen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 324 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat verzocht rekening te houden met de door haar bepleite kortere pleegperiode, met de omstandigheid dat de verdachte zich 339 dagen aan vrijheidsbeperkende schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, dat sprake is van een oude zaak en van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Ook wordt verzocht rekening te houden met het feit dat de verdachte op 6 november 2020 een ernstig auto-ongeluk heeft gehad en in een andere zaak een bijtwond van een politiehond heeft opgelopen. Verzocht wordt geen langere straf op te leggen dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, met daarbij - eventueel - een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in de periode van 15 februari 2019 tot en met 1 mei 2019 samen met anderen bezig gehouden met de (straat)handel in harddrugs, door middel van zogenoemde dealerlijnen. Het gebruik van harddrugs zoals cocaïne en heroïne levert een ontoelaatbaar gevaar op voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel ervan dikwijls gepaard met verschillende andere vormen van criminaliteit en overlast. De verdachte handelde steeds uit winstbejag en heeft met zijn gedragingen zijn eigen financieel gewin boven de veiligheid en gezondheid van anderen gesteld.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie (strafblad) van 4 maart 2025 is de verdachte eerder ter zake van feiten genoemd in de Opiumwet onherroepelijk veroordeeld, namelijk op 15 maart 2018, welk vonnis onherroepelijk is geworden op 28 maart 2019, welke datum ligt in de hiervoor bewezen verklaarde periode. Desondanks blijft hij recidiveren. De verdachte, die tot 14 januari 2019 in detentie zat in een andere zaak, is na zijn vrijlating in februari 2019, (weer) gaan dealen.
Het hof houdt bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Mede ook gezien de aard en de ernst van het feit en de eerdere veroordeling in het kader van de Opiumwet, is het hof van oordeel dat thans niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel, alles afwegende, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen passend en geboden.
Het hof stelt vast dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep sprake is geweest van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De verdachte is op 29 mei 2019 in verzekering gesteld. Het vonnis waarvan beroep is op 5 juli 2021 gewezen. Dit levert op een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van 5 weken.
Het hoger beroep is ingesteld op 6 juli 2021. Dit arrest volgt na 3 jaar en bijna 9 maanden, hetgeen wederom een schending van de redelijke termijn oplevert van één jaar en bijna negen maanden. Deze schendingen komen niet (deels) voor rekening van de verdediging, waardoor de op te leggen straf ter compensatie daarvan dient te worden verminderd.
Het hof acht aldus, alles afwegende en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven personenauto (Merk: Opel Cora, gekentekend [kenteken 3] ). Deze behoort de verdachte toe. Deze personenauto zal daarom worden verbeurdverklaard.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto [kenteken 3] Opel Corsa 2008 G5753859.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. M. Boelens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2025.
mr. J.W.H.G. Loyson is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.