GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.356.707/01
zaaknummer rechtbank : 11404626 / AO VERZ 24-89
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
inzake
[appellant] ,
wonende te [plaats] (gemeente Zaanstad),
appellant,
advocaat: mr. M. Booij te Amsterdam,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
NAMENS DEZE HET MINISTERIE VAN FINANCIËN,
DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST,
zetelend te 's-Gravenhage,
geïntimeerde,
advocaat: mr. Z. Wagenaar-Meijer te 's-Gravenhage.
Partijen worden hierna [appellant] en de Staat genoemd.
1. De zaak in het kort
Werknemer verzoekt (onder meer) vernietiging van een ontslag op staande voet vanwege het feit dat hij herhaaldelijk, zonder voor werkgever kenbare geldige reden, niet is verschenen op gesprekken over zijn werkhervatting. Ook in hoger beroep overlegt werknemer geen objectieve medische gegevens waaruit blijkt dat zijn gedrag te wijten is aan zijn medische toestand, zodat zijn verzoeken worden afgewezen.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 11 juli 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikkingen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (hierna: de kantonrechter) onder bovenvermeld zaaknummer, op 6 februari 2025 en 10 april 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden tussenbeschikking, de bestreden eindbeschikking en samen de bestreden beschikkingen).
Op 22 augustus 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, met producties, van de Staat ingekomen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 3 oktober 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. M. Booij voornoemd en de Staat door mr. M.C. Nijholt, advocaat te ’s-Gravenhage, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikkingen gedeeltelijk zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog:
- primair: de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht per 19 september 2024 zal herstellen danwel tegen een latere datum waarbij het hof een voorziening zal treffen voor de periode vanaf de datum van het ontslag op staande voet tot de datum van het herstel van de arbeidsovereenkomst, danwel dat de Staat daartoe zal worden veroordeeld, dan wel dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding aan [appellant] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontslag op staande voet;
- subsidiair: de transitievergoeding zal toewijzen en de rest van de bestreden beschikkingen zal bekrachtigen;
- primair en subsidiair de Staat zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.
De Staat heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van [appellant] , bekrachtiging van de bestreden beschikkingen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
[appellant] heeft nog nadere producties overgelegd.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in de overwegingen 2.1. tot en met 2.18. van de bestreden tussenbeschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
[appellant] , geboren op [datum] , is op 1 januari 2019 bij de Staat in dienst getreden. [appellant] was laatstelijk werkzaam als behandelfunctionaris F in een controleteam bij de directie Midden- en Kleinbedrijf (standplaats Hoorn) voor 36 uur per week. Het salaris van [appellant] bedroeg laatstelijk € 3.753,46 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.
[appellant] is als gevolg van een auto-ongeluk arbeidsongeschikt geweest vanaf 14 september 2021. In februari 2023 is hij hersteld gemeld.
Bij e-mail van 12 juni 2024 heeft [appellant] aan de Staat bericht dat hij zich zowel fysiek als mentaal niet goed voelde en heeft hij zich ziekgemeld.
Op 4 juli 2024 heeft [appellant] de bedrijfsarts bezocht. In de rapportage van dat bezoek staat dat [appellant] lichte beperkingen heeft ten aanzien van lopen, springen en lang staan en dat de andere klachten die [appellant] aangeeft deels werkgerelateerd zijn. De bedrijfsarts concludeert dat er vooralsnog onvoldoende aanwijzingen zijn voor het aannemen van een medische aandoening waardoor [appellant] zijn werk niet zou kunnen doen. De bedrijfsarts adviseert [appellant] om contact op te nemen met zijn behandelaar om uit te zoeken of sprake is van een medische aandoening en deze zo nodig te behandelen. Ook adviseert de bedrijfsarts [appellant] en de Staat om met elkaar in gesprek te gaan over de situatie op het werk.
Op basis van voornoemd advies van de bedrijfsarts heeft de Staat [appellant] per 8 juli 2024 hersteld gemeld.
Op 8 en 9 juli 2024 heeft de Staat vergeefs geprobeerd [appellant] telefonisch te bereiken. [appellant] heeft bij e-mail van 9 juli 2024 aan de Staat laten weten dat hij niet snapt waarom er van hem gevraagd wordt te komen werken, dat hij ziek is en dat de arbodienst niet bekwaam genoeg is om een duidelijke diagnose te stellen.
Omdat de Staat geen contact met [appellant] kon krijgen, heeft de Staat (in de persoon van leidinggevende N.A. Dekker (hierna: Dekker) op 16 juli 2024 een bezoek gebracht aan het adres van [appellant] . Dekker trof [appellant] daar niet aan. Vervolgens heeft de Staat contact opgenomen met de moeder van [appellant] (zijn ‘noodcontact’). Naar aanleiding daarvan heeft [appellant] bij e-mail van 16 juli 2024 aan de Staat bericht dat hij het niet prettig (‘onbeschrijflijk’) vindt dat de Staat bij hem thuis is langsgegaan en zijn moeder heeft gebeld, dat hij zich steeds zieker en slechter voelt en dat de door de Staat op hem uitgeoefende druk hem stress oplevert. [appellant] geeft aan dat partijen “het er nog wel over zullen hebben” als hij er weer de energie voor heeft, maar dat hij nu “geen licht ziet aan de horizon”.
Bij e-mail van 18 juli 2024 heeft de Staat [appellant] uitgenodigd voor een gesprek. Bij e-mail van 21 juli 2024 heeft [appellant] laten weten dat hij zich “verre van goed genoeg voelt” om weer aan de slag te gaan, dat hij tijd nodig heeft om “de oude [appellant] te worden” en wil voorkomen “dat er ergere dingen met hem zouden kunnen gebeuren”. [appellant] heeft ook meegedeeld dat hij ter bescherming van zijn gezondheid vanaf die dag verlof zal opnemen.
De Staat heeft vervolgens geregeld dat [appellant] op consult kon komen bij een andere bedrijfsarts voor een second opinion. Dat consult zou plaatsvinden op 23 juli 2024. [appellant] heeft echter bij e-mail van 22 juli 2024 aan de Staat meegedeeld dat het hem allemaal te veel werd en dat er te veel in zijn hoofd speelde om hetzelfde verhaal aan een andere arts te vertellen. Hij heeft aangegeven verlof te willen opnemen om te herstellen.
Bij brief van 29 juli 2024 heeft de Staat aan [appellant] meegedeeld, dat de Staat uitgaat van de juistheid van het advies van de bedrijfsarts van 4 juli 2024, omdat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de aangeboden second opinion. Ook heeft de Staat meegedeeld dat niet-gewerkte uren zullen worden aangemerkt als genoten verlofuren. Verder heeft de Staat [appellant] uitgenodigd voor een gesprek op 2 augustus 2024, om te bespreken tot wanneer verlofuren kunnen worden opgenomen en hoe daarna verder te gaan. [appellant] is op het gesprek van 2 augustus 2024 zonder bericht niet verschenen.
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft de Staat aan [appellant] meegedeeld dat hij geen verlofuren meer over heeft en dat hij zijn werk per direct zal moeten hervatten. Om daarover afspraken te maken, heeft de Staat [appellant] bij die brief uitgenodigd voor een gesprek op 2 september 2024. Ook heeft de Staat erop gewezen dat mogelijk een loonstop zou worden toegepast als [appellant] niet aan zijn verplichtingen zou voldoen. [appellant] is ook op dat gesprek zonder bericht niet verschenen.
Bij brief van 3 september 2024 heeft de Staat aan [appellant] meegedeeld dat zijn loon met ingang van 3 september 2024 wordt stopgezet op grond van artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), totdat [appellant] weer aan zijn verplichtingen voldoet. Ook heeft de Staat [appellant] bij die brief uitgenodigd voor een gesprek over werkhervatting op 9 september 2024. Verder heeft de Staat meegedeeld dat indien [appellant] niet aan deze verplichtingen voldoet, hij overweegt een straf op te leggen als bedoeld in hoofdstuk 15 van de cao Rijk waarbij een beëindiging van het dienstverband niet kon worden uitgesloten. [appellant] is op het gesprek van 9 september 2024 zonder bericht niet verschenen.
Bij brief van 13 september 2024 heeft de Staat [appellant] een laatste kans geboden om op gesprek te komen op 18 september 2024. Daarbij heeft de Staat meegedeeld dat als [appellant] wederom niet verschijnt, hij er rekening mee moet houden dat zijn arbeidsovereenkomst wegens werkweigering wordt beëindigd. [appellant] is zonder bericht niet op het gesprek verschenen.
Bij brief van 19 september 2024 heeft de Staat [appellant] op staande voet ontslagen. Als dringende reden voor dat ontslag is in die brief vermeld, dat [appellant] herhaaldelijk, zonder voor de Staat kenbare geldige reden, niet is verschenen op gesprekken over zijn werkhervatting, ondanks een laatste waarschuwing bij brief van 13 september 2024.
Op 31 oktober 2024 heeft [appellant] een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of hij zijn eigen werk weer volledig kan doen. [appellant] stelt in die aanvraag dat hij niet in staat is om te werken vanwege fysieke en mentale klachten en dat zijn manager daar, ondanks de open communicatie van [appellant] , geen begrip voor heeft. In die aanvraag heeft [appellant] 22 juli 2024 vermeld als de datum waarop hij door ziekte zijn eigen werk niet volledig kon doen. Bij bericht van 5 november 2024 heeft [appellant] echter aan het UWV laten weten dat ‘22 juni 2024’ (waarmee het hof begrijpt is bedoeld: 22 juli 2024) 12 juni 2024 moet zijn.
In de Sociaal-medische beoordeling van het UWV van 11 september 2025 heeft het UWV op verzoek van de Staat geconcludeerd dat [appellant] per geschildatum van 12 juni 2025 (waarmee het hof begrijpt: 12 juni 2024) geschikt te achten is voor het uitvoeren van de bedongen arbeid omdat ongeschiktheid als direct gevolg van ziekte per die datum niet kan worden geobjectiveerd.
4. Eerste aanleg
[appellant] heeft in eerste aanleg allereerst verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding de Staat te veroordelen tot doorbetaling van zijn salaris van € 3.753,46 bruto per maand verhoogd met vakantietoeslag en emolumenten vanaf 3 september 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast heeft [appellant] primair verzocht om de opzegging te vernietigen en om de Staat, op straffe van een dwangsom, te verplichten [appellant] op te laten roepen door een bedrijfsarts en [appellant] toe te laten tot zijn arbeid zodra hij daartoe in staat is. Ook heeft [appellant] verzocht om de Staat te veroordelen tot betaling van zijn salaris van € 3.753,46 bruto per maand verhoogd met vakantietoeslag en emolumenten vanaf 3 september 2024 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alsmede van de proceskosten. Subsidiair heeft [appellant] verzocht om de Staat te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding.
De Staat heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [appellant] met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
In de bestreden tussenbeschikking heeft de kantonrechter vastgesteld dat vaststaat dat [appellant] in de periode vanaf de betermelding (op 8 juli 2024) tot aan de datum van het ontslag op staande voet (19 september 2024) herhaaldelijk door de Staat is opgeroepen om een gesprek te komen voeren over het opnemen van verlof en werkhervatting en dat [appellant] toen telkens niet is verschenen. Ook staat vast dat [appellant] , na de e-mail van 22 juli 2024 waarin hij heeft meegedeeld geen gebruik te zullen maken van de door de Staat geboden mogelijkheid tot een second opinion, niets meer van zich heeft laten horen. Als een werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van de werkgever kan dit (onder omstandigheden) als een dringende reden voor ontslag op staande voet worden aangemerkt. Volgens [appellant] had hij een goede reden om geen gehoor te geven aan de oproepen van de Staat omdat hij ziek was door depressieve klachten als gevolg waarvan hij zich heeft teruggetrokken en zijn post niet heeft opengemaakt. De kantonrechter heeft geoordeeld dat vooralsnog niet uit objectieve medische gegevens was gebleken dat het ontwijkende gedrag van [appellant] te wijten was aan depressieve klachten. Om duidelijkheid te krijgen over de mogelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte in de periode voorafgaand aan het ontslag op staande voet, heeft de kantonrechter aanleiding gezien de beslissing van het UWV op het door [appellant] op 31 oktober 2024 aangevraagde deskundigenoordeel af te wachten. De kantonrechter heeft daarbij nadrukkelijk overwogen dat een (eventueel) niet verschijnen van [appellant] op de oproep van het UWV in de gegeven omstandigheden voor zijn risico komt. De kantonrechter heeft bepaald dat [appellant] zich uiterlijk 6 maart 2025, onder overlegging van stukken van het UWV, moet uitlaten over de stand van zaken rond het aangevraagde deskundigenoordeel van het UWV en heeft de verzochte voorlopige voorziening afgewezen.
In de bestreden eindbeschikking heeft de kantonrechter vastgesteld dat [appellant] op de afspraak met de verzekeringsarts op 2 december 2024 niet is verschenen. De stelling van [appellant] dat hij dat niet heeft gedaan omdat hij niet helder kon nadenken, heeft hij niet met medische gegevens of anderszins onderbouwd. Kennelijk heeft [appellant] op 5 maart 2025 opnieuw een deskundigenoordeel aangevraagd, maar de kantonrechter heeft geen aanleiding gezien om dat deskundigenoordeel af te wachten. Doordat [appellant] op 2 december 2024 - om voor zijn risico komende redenen - niet op de afspraak met de verzekeringsarts is verschenen, heeft de verzekeringsarts van het UWV (naar aanleiding van [appellant] ’s aanvraag van 31 oktober 2024) geen oordeel kunnen geven over de vraag of en in hoeverre [appellant] in de periode voorafgaand aan het ontslag arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk geworden dat het ongebruikt laten van de door de Staat geboden mogelijkheid een second opinion van de bedrijfsarts te verkrijgen en/of het niet reageren van [appellant] op de oproepen van de Staat verband hield met ziekte/depressie. Vanwege deze feiten en omstandigheden levert het herhaaldelijk en ondanks waarschuwing niet verschijnen van [appellant] op de oproepen van de Staat om te komen spreken over zijn werkhervatting een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Nu het ontslag bovendien onverwijld is gegeven en de dringende reden onverwijld aan [appellant] is meegedeeld, is het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig. De kantonrechter heeft de primaire verzoeken van [appellant] afgewezen. Omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het niet reageren van [appellant] op de oproepen van de Staat verband hield met ziekte/depressie, moet het ervoor worden gehouden dat het niet verrichten van de arbeid door [appellant] in redelijkheid voor zijn rekening komt. De Staat was daarom gerechtigd het loon van [appellant] met ingang van 3 september 2024 stop te zetten. De transitievergoeding is niet verschuldigd, omdat de feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet in dit geval ook meebrengen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [appellant] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De kantonrechter heeft het daarop gerichte subsidiaire verzoek van [appellant] ook afgewezen. Tot slot is [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden komt [appellant] in hoger beroep op.
5. Beoordeling
Onverwijldheid
Met grief 1 heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. De Staat heeft gedurende het proces steeds enorm lang gewacht totdat er actie werd ondernomen. De kwestie speelde al vanaf begin juli 2024, maar de Staat heeft te lang gewacht door pas op 19 september 2024 over te gaan tot het ontslag op staande voet, aldus [appellant] .
Het hof oordeelt dat de Staat in het proces dat heeft geleid tot het ontslag op staande voet steeds voortvarend heeft gehandeld. Na het advies van de bedrijfsarts van 4 juli 2024 dat [appellant] kon werken, heeft de Staat hem per 8 juli 2024 hersteld gemeld. De Staat heeft vervolgens op 8 en 9 juli 2024 tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met [appellant] op te nemen. Op 16 juli 2024 heeft Dekker een huisbezoek gebracht en toen hij [appellant] niet thuis aantrof heeft hij contact opgenomen met de moeder van [appellant] . [appellant] is vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 22 juli 2024, alwaar hij niet is verschenen. De Staat heeft [appellant] uitgenodigd voor een second opinion op 23 juli 2024, maar ook daar is [appellant] niet verschenen. Toen [appellant] niet verscheen op een gesprek op 2 september 2024, heeft de Staat per 3 september 2024 een loonstop ingesteld. [appellant] is vervolgens tevergeefs uitgenodigd voor een gesprek op 9 september 2024. Bij brief van 13 september 2024 heeft de Staat [appellant] een laatste kans geboden om op 18 september 2024 op gesprek te komen. Toen [appellant] zonder bericht niet op het gesprek verscheen is hij bij brief van 19 september 2024 op staande voet ontslagen. Uit deze feitelijke gang van zaken blijkt dat de Staat zorgvuldigheid heeft betracht door [appellant] meermaals de gelegenheid te geven om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, terwijl de afspraken om de werkhervatting te bespreken wel steeds op korte termijn na het niet-verschijnen door [appellant] op het vorige gesprek werden ingepland. Daarmee is aan het vereiste van onverwijldheid voldaan. Grief 1 slaagt niet.
Dringende reden
Met grief 2 betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er een dringende reden voor een ontslag op staande voet was. [appellant] is niet verschenen op de gesprekken over zijn werkhervatting omdat hij wegens ziekte zijn post niet opende en daardoor niet op de hoogte was van de ingeplande afspraken. Verder hield zijn afwezigheid verband met ziekte. [appellant] betwist met subgrief 2.1 en subgrief 2.2 dat niet uit objectieve medische gegevens gebleken is dat het ontwijkende gedrag van [appellant] te wijten is aan zijn medische toestand. De kantonrechter had het deskundigenoordeel van het UWV moeten afwachten. [appellant] heeft herhaaldelijk laten weten dat het niet goed ging met hem (zie e-mails van 9, 16, 21 en 22 juli 2024 van [appellant] aan de Staat, hierboven onder 3.6. t/m 3.9. weergegeven). Ook uit het huisartsenjournaal blijkt dat hij sinds zijn auto-ongeluk in september 2021 niet lekker in zijn vel zit en dat zijn klachten zijn verergerd, waarvoor hij doorverwijzing naar specialistische GGZ heeft gekregen. [appellant] heeft deze klachten tijdens het spreekuur met de bedrijfsarts besproken. Een verklaring van de vader van [appellant] ondersteunt het voorgaande. Hoewel objectieve medische stukken ontbreken, kan uit de wel aanwezige stukken worden afgeleid dat zijn gedrag gevolg was van zijn medische situatie. Bovendien was de Staat ermee bekend dat [appellant] zich in het algemeen terugtrok, omdat zijn moeder dat aan de Staat vertelde. [appellant] betwist dat hij ook eerder al ontwijkend gedrag vertoonde. Hij werkte wellicht minder dan gemiddeld op kantoor, maar dat was omdat hij zich thuis beter kon concentreren, aldus [appellant] .
Het hof oordeelt als volgt. Blijkens de ontslagbrief van 19 september 2024 is de reden voor het ontslag op staande voet gelegen in het feit dat [appellant] herhaaldelijk, zonder voor de Staat kenbare geldige reden, niet is verschenen op gesprekken over zijn werkhervatting, ondanks een laatste waarschuwing bij brief van 13 september 2024. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat vaststaat dat [appellant] in de periode vanaf de betermelding op 8 juli 2024 tot aan de datum van het ontslag op staande voet herhaaldelijk door de Staat is opgeroepen om een gesprek te komen voeren over werkhervatting en dat [appellant] toen telkens niet is verschenen (zie ook punt 5.2). Een onverplicht aangeboden second opinion heeft [appellant] geweigerd. Als een werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van de werkgever dan kan dit volgens artikel 7:678 lid 2 onderdeel j BW als een dringende reden voor ontslag op staande voet worden aangemerkt. [appellant] heeft aangevoerd dat hij een goede reden had om geen gehoor te geven aan de oproepen van de Staat, namelijk omdat hij ziek was door depressieve klachten. In de tussenbeschikking heeft de kantonrechter de procedure aangehouden en bepaald dat [appellant] zich uiterlijk op 6 maart 2025, onder overlegging van stukken van het UWV, moest uitlaten over de stand van zaken rond het aangevraagde deskundigenoordeel van het UWV. De kantonrechter heeft daarbij uitdrukkelijk overwogen dat indien [appellant] niet op de oproep van het UWV verschijnt, dat voor zijn risico komt. Pas na de bestreden tussenbeschikking is gebleken dat [appellant] al voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg een oproep van het UWV ontvangen had en daarop niet was verschenen. Tegen deze achtergrond, waarin [appellant] de kantonrechter onvolledig heeft geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot het aangevraagde deskundigenoordeel, hoefde de kantonrechter naar het oordeel van het hof de procedure niet weer aan te houden om een nieuw oordeel van het UWV af te wachten.
[appellant] heeft ook in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd waaruit gebleken is dat zijn ontwijkende gedrag te wijten is aan zijn medische toestand. [appellant] heeft een verwijsbrief van zijn huisarts van 13 november 2024 overgelegd, maar daarin staat dat de reden van verwijzing is gelegen in depressieve klachten door ontslag op het werk. Uit een patiëntbericht van GGZ Noord-Holland-Noord blijkt dat [appellant] op 25 maart 2025 door de huisarts is verwezen naar Specialistische GGZ. Daarnaast heeft [appellant] een e-mail van Stroomlijn Online Psychologie van 22 juli 2025 overgelegd waaruit blijkt dat zijn klachten een beter passend aanbod zouden vinden binnen de specialistische GGZ. [appellant] heeft nog een verwijzing van zijn huisarts van 3 september 2025 overgelegd, waarin [appellant] wordt verwezen naar de GGZ Online in verband met depressieve klachten, somberheid, concentratieproblematiek en problemen op het werk. Uit een e-mail van [naam] online therapie van 9 september 2025 blijkt dat [appellant] zich aldaar heeft aangemeld. Diezelfde dag heeft [naam] [appellant] per e-mail verzocht een afspraak te maken voor een online intakegesprek. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op 3 oktober 2025 heeft [appellant] desgevraagd medegedeeld dat er nog een gesprek met de psycholoog moest worden ingepland. [appellant] overlegt derhalve alleen verwijzingen, maar laat na een afspraak te maken, waardoor er een medisch oordeel over zijn toestand zou kunnen worden gegeven.
In hoger beroep heeft [appellant] een verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van 11 september 2025 overgelegd, met als vraagstelling of hij per 12 juni 2024 (er staat volgens [appellant] abusievelijk 12 juni 2025) geschikt was voor het uitvoeren van de bedongen arbeid. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat [appellant] per die datum geschikt is te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid, omdat ongeschiktheid als direct gevolg van ziekte niet kan worden geobjectiveerd. Het eigen oordeel van [appellant] over zijn gezondheidstoestand of het oordeel van zijn – niet medisch onderlegde – vader zijn niet als objectieve medische gegevens te beschouwen. Uit de door de Staat overgelegde verslagen van functioneringsgesprekken blijkt naar het oordeel van het hof duidelijk dat het ontwijkende gedrag van [appellant] een langere voorgeschiedenis had, zodat de Staat zijn onbereikbaarheid – anders dan [appellant] in hoger beroep stelt – niet hoefde op te vatten als een aanwijzing dat er meer aan de hand was en dat het niet goed met [appellant] ging.
Met subgrief 2.3 heeft [appellant] gesteld dat de kantonrechter ten onrechte niet in haar oordeel heeft betrokken dat de Staat heeft nagelaten om op andere dan de gebruikelijke manieren contact met [appellant] op te nemen. De Staat heeft meerdere brieven naar zijn huisadres gestuurd (maar die aangetekende brieven konden niet worden afgeleverd) en naar het werk e-mailadres (maar die werd niet gelezen). De Staat had [appellant] op zijn privé telefoonnummer een Whatsapp-bericht kunnen sturen of op zijn privé e-mailadres een e-mail. De Staat heeft zich onvoldoende ingespannen om hem daadwerkelijk te bereiken, aldus [appellant] . De Staat heeft gewezen op verschillende e-mails waaruit blijkt dat Dekker ook diverse malen tevergeefs naar het privé telefoonnummer van [appellant] heeft gebeld. De Staat heeft eenmaal het noodnummer van de ouders van [appellant] gebeld, maar daar was hij blijkens zijn e-mail van 16 juli 2024 niet van gediend. Mede gelet op hetgeen onder 5.2. is opgenomen oordeelt het hof dat de Staat zich voldoende heeft ingespannen om [appellant] daadwerkelijk te bereiken, temeer nu ook in hoger beroep niet is komen vast te staan dat het ontwijkende gedrag van [appellant] een medische oorzaak heeft, zodat het voor zijn rekening komt dat hij zijn post en e-mail niet bekeek.
Met subgrief 2.4 heeft [appellant] gesteld dat de kantonrechter ten onrechte niet in het oordeel heeft betrokken dat de Staat de effecten van het stoppen met de loonbetaling had moeten afwachten alvorens hij tot een ontslag op staande voet over ging. Volgens [appellant] had een uitblijvende verloning hem er naar alle waarschijnlijkheid toe bewogen om contact op te nemen met de Staat. Bij een loonsanctie wegens het niet voldoen aan reintegratieinspanningen geldt in beginsel dat het effect van deze sanctie moet worden afgewacht alvorens de werkgever tot ontslag op staande voet kan overgaan. [appellant] heeft in dit verband verwezen naar artikel 7:629 BW en gesteld dat dit artikel in zijn situatie overeenkomstig zou moeten worden beoordeeld. Het hof oordeelt daaromtrent dat [appellant] niet arbeidsongeschikt was en daarom niet artikel 7:629 BW, maar artikel 7:628 BW zijn rechtspositie bepaalt. Omdat het niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van [appellant] behoort te komen heeft hij gelet op artikel 7:628 lid 1 BW geen recht op loon. Artikel 7:629 BW regelt de situatie van loondoorbetaling bij ziekte en daar is bij [appellant] geen sprake van.
Met subgrief 2.5 heeft [appellant] gesteld dat hij op 13 september 2024 alleen is gewaarschuwd dat de arbeidsovereenkomst beëindigd zou kunnen worden vanwege werkweigering, maar niet voor het feit dat de arbeidsovereenkomst zou kunnen worden beëindigd middels een ontslag op staande voet vanwege het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen van de Staat. Het hof volgt [appellant] daarin niet. [appellant] wist door de brief van 13 september 2024 dat de Staat hem een laatste kans bood om op 18 september 2024 op gesprek te komen, waarbij de Staat heeft meegedeeld dat als [appellant] niet zou verschijnen, hij er rekening mee moest houden dat zijn arbeidsovereenkomst wegens werkweigering zou worden beëindigd. In die omstandigheden mocht de Staat kiezen voor een ontslag op staande voet.
Met subgrief 2.6 heeft [appellant] aangevoerd dat de Staat onvoldoende stil heeft gestaan bij de gevolgen van het ontslag. [appellant] had geen recht op een uitkering en geen inkomsten uit arbeid vanwege zijn arbeidsongeschiktheid. Dit heeft ertoe geleid dat hij zijn woning heeft moeten verkopen. Bovendien heeft het ontslag op staande voet tot een verergering van zijn mentale klachten geleid, aldus [appellant] . Het hof oordeelt dat de Staat de persoonlijke omstandigheden van [appellant] voldoende heeft meegewogen bij het ontslag op staande voet. In de ontslagbrief van 19 september 2024 is daarover opgenomen:
‘(…) De mij bekende persoonlijke omstandigheden, zoals de gevolgen die het ontslag voor u zal hebben, heb ik afgewogen tegen de aard en ernst van de dringende reden(en). Daarbij heb ik onder meer rekening gehouden met het feit dat u zeer waarschijnlijk geen recht hebt op een WW-uitkering, uw jonge leeftijd, de beperkte duur van het dienstverband, uw opleidingsniveau, uw kansen op de arbeidsmarkt, dat uw gedraging(en) flagrant in strijd zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Die afweging leidt tot de slotsom dat ik een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd acht. (…)’
Bovendien heeft de Staat onweersproken gesteld dat het huis van [appellant] al voor de ontslagdatum van 19 september 2024 te koop stond, zodat een verband tussen het ontslag op staande voet en de verkoop van het huis ontbreekt.
Grief 2 en de subgrieven 2.1 tot en met 2.6 slagen niet.
Transitievergoeding
Met grief 3 betwist [appellant] dat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en stelt derhalve recht te hebben op een transitievergoeding. De gedragingen zijn het gevolg van zijn ziekte en kunnen hem niet worden verweten, aldus [appellant] .
Het hof volgt [appellant] niet in zijn stellingen. Het eindigen van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van nalaten van [appellant] dat als ernstig verwijtbaar moet worden gekwalificeerd, waardoor geen transitievergoeding is verschuldigd. [appellant] heeft ook in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd waaruit gebleken is dat zijn gedrag te wijten is aan zijn medische toestand, zodat het hof daar geen rekening mee houdt. Grief 3 slaagt niet.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep heeft geen succes en de bestreden beschikkingen worden bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.428,00 (€ 1.214,00 x 2 punten)
Totaal € 2.428,00
6. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikkingen;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 2.428,00;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. van der Burg, mr. R.L. de Graaff en mr. S. Tamboer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.