beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.359.854/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/443594 / KL RK 24-161
beslissing van [geïntimeerde] - en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 december 2025
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
gemachtigde: A.P. Salm,
tegen
[geïntimeerde] ,
notaris te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. W. Knoester, advocaat te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] heeft op 30 september 2025 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 26 september 2025.
Op 3 oktober 2025 is aan de gemachtigde van [appellant] een nota verzonden met de mededeling (i) dat voor de behandeling van het beroepschrift griffierecht is verschuldigd, (ii) dat het bedrag van € 50,- aan griffierecht uiterlijk 28 dagen na dagtekening van de nota moet worden betaald en (iii) dat als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, het beroepschrift in beginsel niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
Op 3 november 2025 is aan de gemachtigde van [appellant] een herinneringsbrief gezonden, waarbij een termijn van veertien dagen is gegeven om het verschuldigde bedrag alsnog over te maken op het bankrekeningnummer dat in die brief is genoemd. In die brief is gewezen op het risico van niet-ontvankelijkverklaring indien het genoemde bedrag niet binnen de gestelde termijn is overgemaakt.
Op 20 november 2025 heeft de gemachtigde van [appellant] het griffierecht voldaan.
Bij per e-mail verzonden brief van 21 november 2025 heeft het hof de gemachtigde van [appellant] in de gelegenheid gesteld om zich binnen een termijn van vier weken schriftelijk uit te laten over de reden voor het niet (tijdig) voldoen van het verschuldigde griffierecht.
Naar aanleiding van de onder 1.5. genoemde brief heeft de gemachtigde van [appellant] op 21 november 2025 per e-mail een schriftelijke reactie bij het hof ingediend.
2. Beoordeling
Op grond van artikel 99 leden 2 en 3 in verbinding met artikel 107 lid 3 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) is de indiener van het beroepschrift griffierecht verschuldigd. Indien het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, wordt het hoger beroep op grond van artikel 99 lid 9 in verbinding met artikel 107 lid 3 Wna nietontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de zaak niet (inhoudelijk) door het hof wordt behandeld.
Het hof stelt vast dat het door [appellant] verschuldigde griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijnen is bijgeschreven op het daartoe bekend gemaakte bankrekeningnummer.
De gemachtigde van [appellant] heeft aangevoerd dat de reden voor de te late betaling van het griffierecht ligt in het feit dat hij dit geheel vrijwillig doet voor zijn zwager ( [appellant] ) en dat zijn eigen bedrijf op dit moment zijn tijd opslokt. De gemachtigde van [appellant] is namelijk bezig zijn bedrijf te verkopen en zit hiervoor regelmatig in het buitenland.
Het hof is van oordeel dat het feit dat de gemachtigde van [appellant] zijn werkzaamheden vrijwillig verricht en momenteel weinig tijd heeft, hem niet ontheft van de verplichting het griffierecht tijdig te voldoen. [appellant] , althans zijn gemachtigde wordt geacht te weten dat voor het hoger beroep griffierecht verschuldigd is en de gemachtigde dient ervoor te zorgen dat het griffierecht tijdig wordt voldaan. De door de gemachtigde van [appellant] aangevoerde omstandigheden maken de niet tijdige betaling van het griffierecht niet verschoonbaar. Het hoger beroep van [appellant] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en J.H. Lieber en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 door de rolraadsheer.