GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.269/01
zaaknummer rechtbank: C/15/361718 / JU RK 25-176
beschikking van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. N. Schiettekatte te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );
- [de vader] (hierna: de vader).
- de meeleefouders van [minderjarige] .
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- stichting Esdégé-Reigersdaal, gevestigd te Heerhugowaard (hierna: Esdégé-Reigersdaal);
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] . [minderjarige] is 9 jaar oud, maar functioneert vanwege aangeboren afwijkingen als een jonger kind.
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 3 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 8 april 2026. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij het perspectiefbesluit van de GI onderschrijft. Dat perspectiefbesluit houdt kort gezegd in dat het niet de verwachting is dat [minderjarige] weer bij een van de ouders gaat wonen en dat de GI daar ook niet meer naar toewerkt.
De moeder is het daar niet mee eens. De moeder vindt dat de rechtbank het perspectiefbesluit niet had mogen toetsen en vindt het perspectiefbesluit daarnaast onterecht. De moeder wil dat in de toekomst wel wordt toegewerkt naar een plaatsing van [minderjarige] bij haar en wil in elk geval meer en langere periodes voor [minderjarige] zorgen. De GI en de vader zijn het wel eens met de bestreden beschikking.
Het hof is het net als de rechtbank eens met het perspectiefbesluit en de bestreden beschikking en legt hierna uit waarom.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 30 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 10 juli 2025 met bijlage, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 september 2025 met bijlagen.
De zitting heeft op 16 oktober 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. F. Pool, die de zaak waarnam voor mr. Schiettekatte,
- de GI, vertegenwoordigd door de jeugdbeschermer,
- de vader,
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber, en
- Esdégé-Reigersdaal, vertegenwoordigd door een gedragswetenschapper.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016.
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 5 maart 2020 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
De kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kinderrechter) heeft [minderjarige] op 8 april 2020 onder toezicht gesteld. Die ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd, de laatste keer tot 8 april 2026.
De kinderrechter heeft op 8 april 2020 ook een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin tot 1 juli 2020. De kinderrechter heeft op 24 juni 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd, maar in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is daarna telkens verlengd.
[minderjarige] verbleef vanaf 27 april 2020 op een leefgroep van “ [X] ”. Sinds 1 september 2021 verblijft [minderjarige] bij het huidige meeleefgezin.
[minderjarige] verblijft in even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder. [minderjarige] verblijft in de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met een jaar verlengd tot 8 april 2026. De rechtbank heeft in dezelfde beschikking ook de ondertoezichtstelling verlengd tot 8 april 2026. Tegen dat deel van de beschikking is geen hoger beroep ingesteld en dat is dus niet aan het oordeel van het hof onderworpen.
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), het verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 8 april 2026, af te wijzen dan wel toe te wijzen voor een kortere duur.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen.
De standpunten
De moeder is het vooral oneens met het oordeel van de rechtbank dat deze het perspectiefbesluit onderschrijft. Zij wijst er echter ook op dat zij grieft tegen de verlenging van de uithuisplaatsing zodat zij belang heeft bij het hoger beroep en daarin ontvankelijk is. De rechtbank had het perspectiefbesluit niet mogen beoordelen als op zichzelf staand besluit, omdat het bepalen van het perspectief volgens de moeder geen rechtsfeit is en geen rechtsgevolg kent. Als het hof toch oordeelt dat het perspectiefbesluit getoetst kan worden, dan vindt de moeder het perspectiefbesluit onterecht. Op grond van het EHRM is het uitgangspunt dat alles op alles moet worden gezet om ervoor te zorgen dat kinderen opgroeien bij hun ouders. De moeder kon al redelijk bij [minderjarige] aansluiten toen dat in 2022 werd onderzocht en heeft sindsdien positieve stappen gezet. Zij kan, als het minder goed gaat met [minderjarige] , haar weg naar de hulpverlening vinden. Er moet volgens de moeder naar thuisplaatsing worden gewerkt en in elk geval naar een grotere rol voor haar in het leven van [minderjarige] .
De GI vindt dat [minderjarige] niet bij de ouders kan opgroeien. [minderjarige] heeft in zijn ontwikkeling meer nodig dan de moeder hem kan bieden. [minderjarige] heeft periodes dat het beter en slechter met hem gaat, en de moeder heeft zelf ook betere en slechtere periodes. Als het met [minderjarige] en de moeder goed gaat, dan verloopt de zorg goed, maar dat is niet altijd zo. Volgens de GI moet er als ‘plan B’ worden gezocht naar een woonvoorziening waar [minderjarige] kan gaan wonen, omdat de zorg ook voor de meeleefouders mogelijk op langere termijn te zwaar zal zijn.
De vader heeft verteld dat hij niet meer voor [minderjarige] kan zorgen dan hij nu doet. Hij is het met de GI eens dat het in de toekomst in [minderjarige] ’ belang kan zijn dat hij ergens woont waar continu toezicht en begeleiding is.
Advies van de raad
De raad heeft geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen, omdat dat op dit moment een passende maatregel is. De raad gaat onderzoek doen naar de vraag of het gezag over [minderjarige] moet worden beëindigd. Daarbij zal de situatie op dit moment en, voor zover mogelijk, de toekomst van [minderjarige] worden onderzocht.
Beoordeling door het hof
Het hof oordeelt dat de rechtbank het perspectiefbesluit kon beoordelen. De Hoge Raad heeft over het perspectiefbesluit overwogen dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin zo’n besluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Een rechter zal een perspectiefbesluit in een voorkomend geval moeten beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dit geval hangt het perspectiefbesluit samen met de verlenging van de uithuisplaatsing: volgens de GI moet de uithuisplaatsing verlengd worden (mede) omdat [minderjarige] in de toekomst niet meer bij de ouders zal kunnen wonen. In zaken waarin zo’n besluit is genomen, is de hulpverlening die de GI inzet niet meer gericht op toewerken naar thuisplaatsing bij de ouder(s). De toetsing van het perspectiefbesluit kan in dergelijke zaken rechtsbescherming bieden aan ouders: het is een mogelijkheid om de koers van de GI bij te sturen als de rechter oordeelt dat het perspectiefbesluit onterecht is. Het hof zal daarom, net als de rechtbank, beoordelen of het perspectiefbesluit terecht is genomen.
[minderjarige] is een jongen met een bijzondere zorgbehoefte. Hij heeft een zeldzame aandoening, het Kabuki syndroom, een vorm van autisme en dyspraxie. Hij heeft daardoor een forse ontwikkelingsachterstand. Hij kan minder goed praten – en op sommige momenten helemaal niet – zodat het moeilijker is om [minderjarige] te ‘lezen’ en te zien wat hij nodig heeft. [minderjarige] heeft voortdurend één-op-één toezicht en begeleiding nodig. [minderjarige] heeft ook vaker dan andere kinderen gezondheidsproblemen, zoals oorontstekingen en spijsverteringsproblemen.
In 2022 heeft de deskundige drs. G.M.M. de Boer , orthopedagoog, onderzoek gedaan naar [minderjarige] en de ouders. De moeder had in de twee jaar tussen de start van de uithuisplaatsing en dat onderzoek twee tot vier uur per week omgang met [minderjarige] gehad. De Boer heeft vastgesteld dat de moeder voldoende vaardigheden had voor het opvoeden van een gemiddeld kind. De moeder kon al redelijk bij de behoeften van [minderjarige] aansluiten, maar herkende sommige signalen nog onvoldoende. Omdat de moeder de twee jaar daarvoor steeds maar korte tijd voor [minderjarige] zorgde, was nog onbekend of zij haar pedagogische houding vol kon houden, ook omdat zij persoonlijke problematiek had die haar onverwacht kon overvragen. Zij zou nog van hulpverlening en scholing kunnen profiteren. Een indicatie voor eventuele thuisplaatsing zou volgens De Boer zijn wanneer bij uitbreiding van de zorgtijd en zorgtaken de moeder voldoende stabiel functioneert.
Sinds het onderzoek van De Boer heeft de moeder hard gewerkt om nog beter voor [minderjarige] te kunnen zorgen. De moeder heeft de adviezen opgevolgd en heeft grote stappen gemaakt. Haar zorgtijd voor [minderjarige] is sinds 2022 fors uitgebreid: de moeder zorgt inmiddels om de week een lang weekend voor [minderjarige] , naast haar rol bij de wekelijkse zwemlessen. In een stabiele situatie kan zij die zorg goed dragen. Zij hanteert vaste routines en kan bewust reflecteren op situaties en verbeterpunten herkennen. Inmiddels is echter ook gebleken dat de zorg voor [minderjarige] naar verwachting in de toekomst zeker niet minder zwaar zal worden. De meeleefmoeder is een zorgprofessional die inmiddels al vier jaar grotendeels voor [minderjarige] zorgt en hem goed aanvoelt, en zelfs voor haar is de zorg erg pittig. In het overleg over een ‘plan B’ voor de zorg voor [minderjarige] in de toekomst, is besproken dat de zorg voor [minderjarige] bijna niet te doen is voor één enkele volwassene. Het hof komt daarom tot de conclusie dat de moeder de volledige doordeweekse zorg van [minderjarige] ook in de toekomst niet zal kunnen dragen. Bovendien ziet het hof ook in de meest recente evaluaties van Esdégé-Reigersdaal nog aandachtspunten. Als er externe stress is of de gezondheid van [minderjarige] verslechtert, zorgt dat voor bezorgdheid bij de moeder en onzekerheid over haar eigen handelen. Hoewel dat heel invoelbaar is en voor veel ouders geldt, is [minderjarige] vanwege zijn eigen problematiek veel gevoeliger voor onrust bij zijn verzorgers dan andere kinderen. Hij heeft dan behoefte aan een verzorger die hem duidelijkheid en nabijheid kan bieden. Dat lukt de moeder nog steeds minder goed dan een van de meeleefouders, die een professionele zorgachtergrond heeft. Bovendien zijn de meeleefouders met zijn tweeën. Ook om die reden onderschrijft het hof het perspectiefbesluit van de GI: [minderjarige] kan ook in de toekomst niet volledig bij de ouders gaan wonen.
Op basis van artikel 8 EVRM bestaat een positieve verplichting voor (de organen van) de staat om te werken aan hereniging van ouders en kinderen. In dit geval heeft de GI de afgelopen drie jaar ingezet op uitbreiding van de zorg door de moeder en is de moeder bij die uitbreiding vrij intensief begeleid door Esdégé-Reigersdaal. De staat heeft daarmee voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is het echter in het belang van [minderjarige] om op te groeien bij de meeleefouders of in een andere professionele zorgsetting. De inbreuk op het gezinsleven van de moeder is daarom gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de gezondheid van [minderjarige] en zijn belang bij een opvoedsituatie waarin hij zich zo optimaal mogelijk kan ontwikkelen.
Het hof benadrukt dat de situatie van [minderjarige] en zijn ouders afwijkt van de meeste gevallen waarin is besloten dat het perspectief niet bij de ouders ligt. Beide ouders hebben ondanks de uithuisplaatsing een groot aandeel in de zorg voor [minderjarige] . Dat is voor zowel [minderjarige] als de ouders heel waardevol. De ouders zijn geen ‘ouders op afstand’, maar zijn juist nauw bij [minderjarige] betrokken gebleven. Ondanks dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de ouders ligt, heeft de GI benadrukt dat zij nog steeds in overweging nemen of rondom vakanties of feestdagen de zorg van de moeder kan worden uitgebreid. Het perspectiefbesluit zoals het hof het ziet betekent dus niet dat de moeder een kleinere rol in het leven van [minderjarige] krijgt.
De moeder heeft op de zitting in hoger beroep geopperd dat de uithuisplaatsing in het vrijwillig kader kan worden voortgezet. Omdat de moeder het er niet mee eens is dat [minderjarige] ook op lange termijn niet bij haar zal opgroeien, ziet het hof geen mogelijkheid om de plaatsing bij de meeleefouders in een vrijwillig kader voort te zetten. Ook juridisch is dat in beginsel niet mogelijk. Als er een ondertoezichtstelling is, schrijft artikel 1:265a BW voor dat plaatsing van een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend geschiedt met een machtiging uithuisplaatsing. Voor de uithuisplaatsing blijft dus een machtiging noodzakelijk en er is onvoldoende aanleiding om de duur van de machtiging te bekorten. Het hof zal de bestreden beschikking daarom in stand laten.
6. De beslissing
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker als griffier en is op 2 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.