afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002109-22 (ontneming) (gemachtigde raadsvrouw)
datum uitspraak: 18 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2022 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-995018-21 tegen de betrokkene
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].
Procesgang
Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 2.630,54.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2022 vrijgesproken van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de ontnemingsvordering.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 18 juli 2022 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 december 2025 vrijgesproken van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van de ontnemingsvordering.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6, 20, 21, 27 november en 4 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Vonnis waartegen beroep
De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof zal het vonnis daarom bevestigen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waartegen beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. L.M.G. de Weerd en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 december 2025.
=========================================================================
[proces-verbaal uitspraak]