Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 22 april 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een hersenschudding en/of bloeduitstorting(en) in het aangezicht en/of bloeduitstorting(en) in het oog, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, te slaan en/of te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam;
subsidiairhij op of omstreeks 22 april 2024 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of tegen lichaam en/of met kracht vastgehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiairhij op of omstreeks 22 april 2024 te [plaats 1] , openlijk, te weten, op de [plaats 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het meerdere malen, althans eenmaal, te slaan en/of te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Vrijspraak medeplegen van zware mishandeling
Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat het door de verdachte toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Het in ogenschouw nemen van het geheel van het letsel en de duur van het herstel, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Daarom zal het hof de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijspreken.
Bewijsoverweging met betrekking tot het medeplegen van poging tot zware mishandeling
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet, omdat het ontstaan van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet kan worden vastgesteld. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake is van medeplegen.
Het hof overweegt als volgt.
Opzet op zwaar lichamelijk letsel
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte en de medeverdachte met de vuist (met kracht) de aangever meerdere malen tegen het hoofd en/of het lichaam hebben geslagen en/of geschopt. Naar algemene ervaringsregels levert het meermalen met de vuisten hard tegen iemands hoofd/lichaam slaan en het schoppen tegen iemands hoofd/lichaam de aanmerkelijke kans op dat zwaar lichamelijk letsel wordt veroorzaakt, zoals botbreuken, interne bloedingen en ernstige schade aan bijvoorbeeld de hersenen, de ogen en het gebit.
De gedragingen van de verdachte en de medeverdachten zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van zodanig letsel dat de verdachten de aanmerkelijke kans daarop ook bewust hebben aanvaard. Het hof oordeelt dan ook dat zij in voorwaardelijke zin opzet hebben gehad op het toebrengen van dat letsel.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier, waaronder het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven, kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte zodanige nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen. Daarbij betrekt het hof dat de
aangever op één moment door de medeverdachte werd vastgehouden, waarna de verdachte hem mishandelde en dat de aangever op een ander moment door zowel de verdachte als de medeverdachte werd vastgehouden en mishandeld.
De verweren van de raadsman worden derhalve verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 april 2024 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meerdere malen met kracht te slaan en te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of tegen lichaam en vast te houden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in geval van een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, in combinatie met een taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een taxichauffeur. Naar aanleiding van een ruzie over een ritprijs hebben hij en de medeverdachte de aangever flink mishandeld, waardoor deze onder meer een blauw oog en een gebroken neus heeft opgelopen. Door zo te handelen hebben de verdachte en de medeverdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Het toegebrachte geweld heeft niet alleen pijn en letsel veroorzaakt, maar heeft ook langdurig gevoelens van angst en onveiligheid bij de aangever teweeggebracht. Het feit heeft zich bovendien op de openbare weg afgespeeld, in de aanwezigheid van omstanders, waardoor gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot kunnen worden. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin wordt ten aanzien van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel waarbij is geschopt of getrapt tegen het hoofd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden genoemd. Omdat sprake is van een poging, is er aanleiding om die duur met een derde te verminderen. Dat sprake is geweest van medeplegen betrekt het hof in strafverzwarende zin. Een gevangenisstraf van zes maanden is daarom in beginsel een passende straf.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij gaat beginnen met een werkopleiding via de gemeente, is verhuisd naar een sociale huurwoning en al enige tijd is gestopt met het gebruik van alcohol. Nu zijn leven is gestabiliseerd, is het contact met zijn kinderen ook hersteld. Verder heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en zijn spijt betuigd. Daarnaast let het hof op het feit dat de verdachte niet opnieuw in aanraking met politie of justitie in contact is gekomen. Het hof acht het niet in het belang van de verdachte noch de samenleving dat de positieve ontwikkelingen die de verdachte doormaakt, worden doorkruist door een terugkeer van de verdachte naar de gevangenis. Om die reden zal het hof in plaats van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren opleggen, met aftrek van het voorarrest.
Tot slot heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard geen vechtersbaas te zijn, hetgeen het hof juist zorgen baart, nu hij desondanks dit gegeven wel in staat is geweest om fors geweld op een ander uit te oefenen. Om de ernst van het feit te benadrukken en de verdachte te weerhouden in de toekomst weer in de fout te gaan, zal het hof daarom ook een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden opleggen met een proeftijd van twee jaren.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.885,00, bestaande uit € 385,00 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep wat betreft de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdachte heeft zich bereid verklaard de schadevergoeding te betalen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de gevorderde materiële schade heeft geleden. Deze posten zijn door de verdediging niet inhoudelijk betwist en komen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.
Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderbouwing van de vordering voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding zal het hof gelet op het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geheel toewijzen.
Resumerend is de verdachte (hoofdelijk met de medeverdachte) tot een bedrag van € 1.885,00 tot vergoeding van schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is opgetreden.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.885,00 (duizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.885,00 (duizend achthonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 22 april 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. A.W.T. Klappe en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 oktober 2025.
De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.