ECLI:NL:GHAMS:2025:3539

ECLI:NL:GHAMS:2025:3539, Gerechtshof Amsterdam, 16-12-2025, 200.356.664

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 200.356.664
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Loonvordering in kort geding wordt afgewezen omdat werknemer de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team I (handel)

zaaknummer : 200.356.664/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11696539 \ VV EXPL 25-65

arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [plaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

h.o.d.n. Tandartspraktijk [plaats 2] ,

gevestigd te Nieuw-Vennep,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.H.G. Evers te Leusden.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

In deze zaak ligt de vraag voor of [appellant] de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Het hof is van oordeel dat dit het geval is, zodat de vordering van [appellant] tot betaling van loon terecht is afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 24 juni 2025 in hoger beroep gekomen van het kort geding vonnis van 28 mei 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben de volgende stukken ingediend:

- de appeldagvaarding houdende grieven, met producties;

- memorie van antwoord met productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

[appellant] is op 17 juni 2024 in dienst getreden bij (de tandartspraktijk van) [geïntimeerde] in de rol van tandartsassistent. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep af op 31 december 2024. Nadat partijen in december 2024 een discussie hebben gehad over de duur van de verlenging ( [geïntimeerde] wilde verlengen met zes maanden en [appellant] met een jaar) hebben partijen de arbeidsovereenkomst voortgezet voor de duur van zes maanden, derhalve tot en met 30 juni 2025 met een loonsverhoging van 3 procent, die vanaf januari 2025 ook betaald is.

[appellant] heeft op 27 januari 2025 mondeling aan [geïntimeerde] medegedeeld dat zij haar arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. Op 28 januari 2025 om 04:07 uur heeft zij per e-mail het volgende aan [geïntimeerde] bericht:

Geachte [geïntimeerde] ,

Ik wil u en uw team bedanken voor de kans om met u samen te werken in de afgelopen

periode. De ervaring om met u en uw waardevolle team te werken was zeer leerzaam en

waardevol voor mij

Echter, vanwege het niet volledig overeenkomen van de werkomstandigheden met mijn

persoonlijke verwachtingen en situatie, heb ik besloten om mijn samenwerking met u per

1/02/2025 te beëindigen . Ik wens u en uw team veel succes in de toekomst.

Met vriendelijke groet, [appellant]

Op 28 januari 2025 om 06:41:38 uur meldde [appellant] in de WhatsApp groep van de tandartspraktijk:

Goedemorgen Helaas heb ik hoofdpijn en voel ik me niet goed Ik heb erge hoofdpijn en ik heb ook niet geslapen

kan ik niet komen

Om 12:50:56 meldde [geïntimeerde] in deze WhatsApp groep:

“ (…) als ik ook om 04:00 uur s’ochtends nog wakker was en een ontslag mail verstuurde, had ik ook hoofdpijn gehad [hof: met daarachter drie smileys] We zien je morgen verscheinen.”

Daarop reageerde [appellant] om 12:51:45 met: “Ja [hof: met daarachter een smiley]”

Op 28 januari 2025 heeft [geïntimeerde] schriftelijk op de opzegging gereageerd en daarbij gewezen op de geldende opzegtermijn:

Beste mevrouw [appellant] ,

Wij hebben uw mail met uw ontslag in goede orde ontvangen en gaan akkoord met uw

ontslag.

Echter heeft u zich aan de wettelijke opzegtermijn van I maand te houden en zal uw laatste

werkdag 28 februari 2025 zijn.

Wij gaan ervan uit dat zich aan deze wettelijke verplichting zult houden en ook volledig

zult inzetten voor de praktijk tot en met 28 februari 2025.

Met vriendelijke groet, Tandarts [geïntimeerde]

De dag erna, op 29 januari 2025, is [appellant] op het werk verschenen. Tijdens de

lunchpauze hebben verschillende collega's met [appellant] gesproken en geprobeerd om [appellant] over te halen om te blijven werken. Aan het eind van de dag heeft [appellant] haar kleren afgegeven bij de hoofdassistente met de mededeling dat zij niet meer zou komen werken en [geïntimeerde] uit een vergadering gehaald om afscheid te nemen.

Ruim een uur nadat ze was vertrokken op 29 januari 2025, heeft [appellant] zich ziek gemeld, verzocht om het salaris over de maand januari te voldoen en verzocht om een consult met de bedrijfsarts.

In een e-mail van [geïntimeerde] van 10 februari 2025 aan de advocaat van [appellant] staat onder meer: “Ik kreeg op maandag 03-02-2025 een e-mail van u met het verzoek of ik maandsalaris januari van uw cliënte zou nog willen overmaken terwijl dit op 31-01-205 op haar bankrekening overgemaakt was. Het is erg vreemd dat zij zich in haar beurt niet wil houden aan wettelijke verplichting van één maand opzegtermijn (…)”.

Op 18 februari 2025 om 17:43 heeft [geïntimeerde] het volgende geschreven aan de advocaat van [appellant] :

“(…) Helaas heb ik tot op heden geen reactie ontvangen op mijn e-mail van 10 februari 2025. Het uitblijven van enige reactie verandert overigens niets aan de opzegging van uw cliënte. Haar dienstverband zal per 28 februari 2025 eindigen. (…) Nu enige reactie uitblijft en het einde van haar dienstverband nadert, stel ik uw cliënte vrij van werkzaamheden met doorbetaling van haar salaris tot en met 28 februari 2025 (…)”

Hierop heeft de advocaat van [appellant] op dezelfde dag om 17:45 het volgende geantwoord:

“(…) Op uw voorstel om de arbeidsovereenkomst te beëindigen heb ik niet gereageerd omdat cliënte daar niet in geïnteresseerd is. (…) Verder is de arbeidsovereenkomst voorgezet stilzwijgend onder de zelfde voorwaarden en voor dezelfde periode. (…)”

4. Procedure bij de voorzieningenrechter

Samengevat heeft [appellant] bij de voorzieningenrechter betaling van het loon over de maanden maart tot en met juni 2025 gevorderd plus wettelijke verhoging en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Over de opzegging van 28 januari 2025 stelde zij onder meer:

Op 27 januari 2025 heeft de werknemer mondeling te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2025 te willen beëindigen. Dit heeft de werknemer op 28 januari 2025 schriftelijk bevestigd. De werkgever heeft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per deze datum niet geaccepteerd en een beroep gedaan op de opzegtermijn.” en “Volgens de werknemer is deze verlengde arbeidsovereenkomst tot op heden niet rechtsgeldig beëindigd.”.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. Daartoe oordeelde de voorzieningenrechter samengevat dat alle mededelingen en handelingen van [appellant] erop waren gericht de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Omdat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd en niet vaststaat dat [appellant] de opzegging heeft ingetrokken en ook niet dat [geïntimeerde] met een eventuele intrekking van de opzegging heeft ingestemd, is niet aannemelijk dat de vorderingen van [appellant] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, aldus de voorzieningenrechter.

5. Vordering in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van haar vorderingen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, een en ander bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet door opzegging is geëindigd. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beoordeling

[appellant] heeft drie grieven aangevoerd en betoogt daarin samengevat het volgende. [geïntimeerde] heeft haar in december 2024 mondeling een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar aangeboden. De arbeidsovereenkomst is vanaf 1 januari 2025 voor de duur van zes maanden verlengd.

[appellant] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd na bedreiging en intimidatie door de werkgever en bij de beoordeling van de vraag of de arbeidsovereenkomst is opgezegd moet rekening worden gehouden met haar hevige gemoedstoestand. Dit blijkt volgens [appellant] uit haar Whatsappbericht van 28 februari 2025 (productie 3 in hoger beroep) waarin zij zich ziek meldt en de reactie daarop van haar werkgever dat hij haar de dag erna op het werk verwacht. Hieruit blijkt volgens [appellant] dat het niet de afspraak was dat [appellant] niet meer na 28 februari 2025 zou werken bij de werkgever. Verder wijst [appellant] erop dat de werkgever hoogopgeleid en deskundiger is dan zij en had moeten verifiëren of zij daadwerkelijk de intentie had om op te zeggen nadat de werkgever een beroep had gedaan op de opzegtermijn, ook omdat [appellant] eerder juist langer wilde verlengen dan een half jaar, zich direct na de opzegging heeft ziekgemeld en vanwege het risico geen uitkering te ontvangen.

Verder kan volgens [appellant] geen sprake zijn van een rechtsgeldige opzegging omdat [appellant] bij de opzegging de wettelijke opzegtermijn van een maand niet in acht heeft genomen, de werkgever op de opzegtermijn een beroep heeft gedaan en het loon over februari 2025 heeft betaald en de voorzieningenrechter niet kon vaststellen wanneer de arbeidsovereenkomst is beëindigd.

Tot slot grieft [appellant] tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [appellant] de opzegging heeft willen inzetten als drukmiddel om toch een jaarcontract te kunnen sluiten en dat zij zich, omdat dat niet bleek te helpen, na haar opzegging heeft ziekgemeld en aanspraak heeft gemaakt op loon, waarmee op onjuiste wijze gebruik wordt gemaakt van de bescherming die de wet biedt. [geïntimeerde] heeft de grieven bestreden.

Het hof is van oordeel dat [appellant] ook in hoger beroep voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. [appellant] heeft aangevoerd ernstige financiële problemen te ervaren indien het loon niet spoedig wordt uitbetaald. Verder heeft zij onderbouwd psychische klachten te hebben die zijn verergerd door het niet ontvangen van het salaris na de ziekmelding. [geïntimeerde] heeft het spoedeisend belang overigens ook niet betwist.

De vraag die inhoudelijk voorligt in hoger beroep, is of [appellant] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Het hof stelt daarbij voorop dat de opzegging van een arbeidsovereenkomst door een werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden kan op de werkgever een onderzoeksplicht rusten om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten. Daarbij is de context waarin de verklaring is afgelegd van groot belang. Een relevante omstandigheid kan zijn dat de werknemer na een verklaring die redelijkerwijs als opzegging mag worden geduid, niet meer op het werk verschijnt en ook overigens niet laat blijken dat hij op die opzegging wenst terug te komen.

Allereerst is van belang dat de tekst van het mailbericht van [appellant] van 28 januari 2025 op zichzelf voldoende duidelijk is. De kennelijke strekking van de woorden ‘heb ik besloten om mijn samenwerking met u per 1/02/2025 te beëindigen’ en ‘Ik wens u en uw team veel succes in de toekomst.’ is gericht op de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door deze op te zeggen. De aan [geïntimeerde] gerichte verklaring is helder en heeft hem bereikt. Door [appellant] is nadien (laat staan: kort nadien) aanvankelijk niet gesteld dat haar wil niet met haar verklaring overeenstemde. Het beroep op een wilsgebrek wordt voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 22 mei 2025 gedaan. Het hof zal allereerst onderzoeken of [geïntimeerde] op de met de verklaring geuite wil heeft mogen vertrouwen.

Voor zover [appellant] zich erop beroept dat haar werkgever er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij daadwerkelijke wilde opzeggen, blijkt dat onvoldoende uit de vaststaande feiten en omstandigheden. Vast staat dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met een jaar wilde verlengen en dat [geïntimeerde] maar met een half jaar wilde verlengen, hetgeen is gebeurd. [appellant] heeft op 27 januari 2025 mondeling gemeld te willen opzeggen en vervolgens op 28 januari 2025 per e-mail haar arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 februari 2025, waarna [geïntimeerde] haar heeft gewezen op de opzegtermijn van een maand. Op de zitting in eerste aanleg heeft [appellant] desgevraagd toegelicht dat zij heeft opgezegd omdat ze een jaarcontract wilde, dat haar dat eerder mondeling ook was toegezegd (hetgeen [geïntimeerde] op dezelfde mondelinge behandeling heeft betwist) en ze het niet eens was met de zes maanden verlenging en drie procent loonsverhoging. Collega’s hebben haar de dag erna nog geprobeerd over te halen om te blijven, maar [appellant] heeft haar werkkleren afgegeven bij de hoofdassistente met de mededeling dat ze niet meer zou komen werken en afscheid genomen van [geïntimeerde] (zie onderdeel 3.6 van het vonnis in eerste aanleg, waartegen geen grief is gericht). Direct daarop heeft [appellant] zich ziek gemeld.

Uit deze feiten en opstandigheden heeft [geïntimeerde] mogen opmaken dat [appellant] uit onvrede haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Alles duidt erop dat zij meteen wilde stoppen met werken en niet nog een maand wilde komen. [geïntimeerde] heeft ook de ziekmelding in dit licht mogen begrijpen.

Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] op enig moment kort na haar vertrek bij [geïntimeerde] is teruggekomen op haar opzegging. Vaststaat dat [appellant] in elk geval vlak na haar opzegging werd bijgestaan door een advocaat. Deze advocaat heeft op 3 februari 2025 gemeld dat [appellant] haar loon over januari uitbetaald wil hebben, maar niet dat [appellant] niet had willen opzeggen zo volgt uit de email van [geïntimeerde] van 10 februari 2025 (bij de feiten onder 3.7.). Ook in een later schrijven van 18 februari 2025 (bij de feiten onder 3.8) verwijst de advocaat van [appellant] naar haar opzegging zonder daarbij over een wilsgebrek een opmerking te maken. Omdat [appellant] in elk geval vlak na haar opzegging werd bijgestaan door een advocaat, gaat het hof voorbij aan het argument dat [geïntimeerde] als werkgever deskundiger is en had moeten verifiëren of [appellant] daadwerkelijk de intentie had om op te zeggen nadat [geïntimeerde] een beroep had gedaan op de opzegtermijn. [geïntimeerde] mocht erop vertrouwen dat de belangen van [appellant] voldoende werden behartigd door haar advocaat. Dat [appellant] ten tijde van de opzegging niet in beeld had dat zij niet in aanmerking kwam voor een WW-uitkering leidt in dit licht evenmin tot een ander oordeel.

Dat sprake was van dreigen en intimidatie voert [appellant] pas voor het eerst aan in de loop van deze procedure (op 22 mei 2025), heeft [geïntimeerde] voldoende betwist en blijkt nergens uit. De advocaat van [appellant] heeft hier eerder ook met geen woord over gerept, niet op 3 februari 2025 (vlak na de opzegging), niet in de latere correspondentie en ook niet in de dagvaarding in eerste aanleg. Ook de bedrijfsarts maak hier geen melding van in zijn terugkoppeling. Uit de correspondentie waarop [appellant] zich beroept (de communicatie in de WhatsApp groep van de tandartspraktijk van 28 januari 2025 (zie bij de feiten onder 3.3.) blijkt hoogstens irritatie van de werkgever omdat [appellant] zich direct ziek meldt nadat ze heeft opgezegd.

Kort en goed had - indien zij niet de wil had om op te zeggen - van [appellant] mogen worden verwacht dat zij op enig moment vlak na de opzegging (of in de periode daaropvolgend tot en met het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg,) zou hebben gemeld dat zij de wil om op te zeggen niet heeft gehad, maar dat zij wilde blijven werken, zeker nu zij in elk geval al vlak na de opzegging werd bijgestaan door een advocaat. Nu dat niet is gebeurd, zij enkel aanspraak heeft gemaakt op salarisbetaling en alle uitingen van [appellant] erop waren gericht dat zij per direct wilde stoppen met werken, heeft [geïntimeerde] de uit haar verklaring blijkende wil om op te zeggen niet in twijfel hoeven trekken. Gelet daarop rustte op [geïntimeerde] , anders dan [appellant] betoogt, evenmin een (bijzondere) onderzoeksplicht of zij daadwerkelijk wilde opzeggen.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant] dat haar opzegging niet rechtsgeldig is omdat de werkgever daarmee niet (onvoorwaardelijk) heeft ingestemd of omdat ze de wettelijke opzegtermijn niet in acht heeft genomen. Dit standpunt heeft [appellant] aanvankelijk en bij herhaling ingenomen, maar het berust op een onjuiste wetsuitleg. Opzegging betreft een eenzijdige rechtshandeling en het gevolg van het niet in acht nemen van de opzegtermijn is niet dat de opzegging niet rechtsgeldig is, maar dat de werknemer aan de werkgever een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is.

Anders dan [appellant] stelt, dateert het Whatsappbericht van de werkgever dat hij haar de dag erna op het werk verwacht niet van 28 februari 2025, maar van 28 januari 2025. Hieruit kan dus niet de conclusie worden getrokken dat na de opzegging (nieuwe) afspraken zijn gemaakt voor de periode na 28 februari 2025. Uit het feit dat de werkgever haar aan de opzegtermijn van een maand wilde houden en loon over de maand februari heeft betaald, blijkt dit onvoldoende. [geïntimeerde] heeft in zijn e-mail van 18 februari 2025 (zie bij de feiten onder 3.8.) bij zijn toezegging om het salaris tot en met 28 februari 2025 door te betalen ondubbelzinnig vermeld dat het dienstverband per die datum zou eindigen, zodat [appellant] uit de salarisbetaling over februari 2025 niet kon afleiden dat het dienstverband nadien zou voortduren. Wat er ook van de verschuldigdheid van loon over februari 2025 zij, het doet niet af aan de rechtsgevolgen van de eerdere, rechtsgeldige opzegging. [appellant] heeft niet gesteld dat die opzegging is ingetrokken, noch dat partijen nadien zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst na 1 maart 2025 zou worden voortgezet. Andere stellingen die ertoe leiden dat loon is verschuldigd voor de periode na 28 februari 2025 heeft [appellant] niet ingenomen in hoger beroep. Het is, ook in kort geding in hoger beroep, aan [appellant] om voldoende aannemelijk te maken dat de arbeidsovereenkomst vanaf 1 maart 2025 heeft voortgeduurd. Daarin is zij niet geslaagd.

Tot slot acht het hof de overweging van de voorzieningenrechter, dat [appellant] de opzegging heeft willen inzetten als drukmiddel om toch een jaarcontract te kunnen sluiten en met de ziekmelding op onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van de bescherming die de wet biedt, niet relevant voor voorgaand oordeel. De tegen deze overweging gerichte grief kan daarom niet tot een andere uitkomst leiden.

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

De slotsom is dat de grieven niet slagen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt vast:

- griffierecht € 362,-

- salaris advocaat € 1.214,- (tarief II, 1 punt)

Totaal € 1.576,-

7. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.576,-;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. H.T. van der Meer, mr. R.L. de Graaff en mr. A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.L. de Graaff
  • mr. A.L. Bervoets

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2025-1647
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?