GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 24/3553
23 september 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 3 oktober 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/324 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende, betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) en een daarbij gegeven beschikking belastingrente, ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft het hoger beroep ingesteld door een beroepschrift in te dienen. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarna een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Met dagtekening 2 december 2019 heeft belanghebbende aangifte bpm gedaan met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion Highline met een voertuigidentificatienummer dat eindigt op [#] (hierna: de auto).
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
25-08-2017
CO2-uitstoot
170
Historische bruto bpm
€ 14.415
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 52.684
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 4.500
Verschuldigde bpm
€ 1.231
Bij de aangifte bpm is een aan belanghebbende gerichte factuur van € 18.000 voor de koop van de auto van [bedrijf 1] gevoegd. Daarin is vermeld dat het een schadeauto betreft en dat voor de btw de margeregeling van toepassing is.
Bij de aangifte bpm is ook een taxatierapport gevoegd van [naam] van [bedrijf 2] van 25 november 2019. Daarin is vermeld dat de auto op 15 november 2019 tussen 13:00 en 14:00 uur te [plaats] is geïnspecteerd, dat de afgelezen kilometerstand 4.414 is, dat de technische staat slecht is, dat het onderstel, de carrosserie en het interieur zijn beschadigd en dat de versnellingsbak en de banden goed zijn. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto is volgens het rapport € 29.118 en die in beschadigde staat € 4.500, met de kanttekening dat de handelswaarde minus de getaxeerde schade, die gelet op de merk, type en leeftijd van de auto voor honderd percent waardeverminderend werkt, nihil is.
Bij het taxatierapport hoort een opstelling waarin de reparatiekosten van de auto zijn gecalculeerd op € 35.845,81 inclusief btw. Als te vervangen onderdelen zijn onder meer vermeld de koelmiddelcondensor, de kabelset in de motorruimte, het rechter voorportier, de rechter buitenspiegel, de vloer- en dakbekleding, het rechter voorspatbord, de wielkastranden voor, de motorkap, de voorruit, de koplampen, de mistlampen voor, de scharnierassen voor, alle wielnaven, alle remschijven, alle remblokken, alle lichtmetalen velgen, het oliefilterhuis, alle kleppeneenheden klepbesturing, de koppakking, de cilinderkop, de waterkoeler, de dynamo, de startmotor, alle bougies, alle bobines, de mechatronic (besturingseenheid voor de automatische versnellingsbak) en de inlaatluchtkoeler. Ook zijn diverse spuitwerkzaamheden opgevoerd. Bij het taxatierapport zijn enige foto’s gevoegd.
Taxateur [naam] heeft aan belanghebbende een ongedateerde schriftelijke verklaring gegeven met betrekking tot zijn taxatie, luidende – voor zover van belang – als volgt:
“Op 26-11-2019 heb ik de tiguan met chasisnummer (…) [#] (…) getaxeerd. (…) De schade leek in eerste instantie mee te vallen. Er was alleen te zien schade aan voorscherm rechts, schade aan raamstijl rechts, schade aan motorkap, schade aan deur rechts, schade aan voorbumper, 26 storingen zichtbaar in dashboard display, accu en kapotte startmotor. Ik hoorde (…) dat de auto meer schade had (…). Ik ben toen nogmaals terug gegaan (…) en daar constateerde ik ernstige mate van waterschade. (…)”
Belanghebbende heeft de auto op 25 november 2019 ter keuring aangeboden bij de RDW. De RDW heeft de auto goedgekeurd.
Op 4 december 2019 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om de auto te laten schouwen bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) te [gemeente] op 6 december 2019. Die datum is op verzoek van belanghebbende verzet naar 12 december 2019, op welke datum de auto ook daadwerkelijk is geschouwd.
In het door DRZ van de schouw opgemaakte rapport is vermeld dat de afgelezen kilometerstand 4.511 is, dat geen van de in het taxatierapport vermelde schadeposities is aangetroffen en dat de auto volledig was hersteld. Op basis van de koerslijst van [bedrijf 3] concludeert DRZ in het rapport tot een handelsinkoopwaarde van de auto van € 26.703. De historische nieuwprijs van de auto is volgens DRZ € 50.111. Bij het rapport van DRZ zijn 79 foto’s van de auto gevoegd.
Met dagtekening 29 mei 2020 heeft de inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving gestuurd van zijn voornemen om een naheffingsaanslag bpm op te leggen overeenkomstig de bevindingen van DRZ. Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 2 juni 2020 gereageerd op die kennisgeving onder verwijzing naar diverse bij een eerder e-mailbericht van hem gevoegde facturen. Die reactie heeft de inspecteur geen reden gegeven om af te wijken van zijn voornemen; op 17 september 2020 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van € 5.951, te vermeerderen met € 39 aan belastingrente.
Bij zijn bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag heeft belanghebbende gevoegd een expertiserapport van [bedrijf 4] . naar aanleiding van een inspectie van de auto op 17 juli 2020. Het betreft een expertise die is uitgevoerd in opdracht van een bedrijf dat de auto had gekocht van belanghebbende. In het rapport is vermeld dat het aannemelijk is dat de auto in het water heeft gelegen, gezien aangetroffen roest/oxidatievorming en kleiresten in het in- en exterieur. En verder dat is getracht de daardoor ontstane schade te herstellen, maar dat het herstel onvolledig/onjuist is gedaan. Het voertuig is volgens [bedrijf 4] . € 13.750 inclusief btw waard.
De inspecteur heeft DRZ om een oordeel gevraagd over door belanghebbende in zijn bezwaarschrift aangekaarte waterschade aan de auto. Daarop heeft DRZ – voor zover van belang – als volgt gereageerd:
“Waterschade is op zich lastig te controleren watersporen zijn wel waar te nemen. (…) In de aangifte wordt een cilinderkop, de kleppeneenheid klepbesturing van alle cilinders, koppakking, bougies, bobines, startmotor en dynamo, mechatronic en andere motordelen en delen van de aandrijving opgegeven. Als deze delen dusdanig defect/beschadigd zijn dat deze vervangen dienen te worden is een toename van 97 kilometer niet mogelijk of onverantwoord. Het voertuig zou door deze toename extra schade kunnen oplopen of deze afstand niet af kunnen leggen. Er zijn meer onderdelen opgegeven die opvallen zoals het oliefilterhuis, 4X lichtmetalen velg, 4X wiellager, set remschijven voor en achter met remblokken. Deze delen kunnen tegen water en de wiellagers zijn volledig stof en waterdicht. Het voertuig is zelfstandig rijdend naar binnen gereden. De startmotor werkte naar behoren anders wil het voertuig niet starten. Waterschade is een ruim begrip, op de foto’s van DRZ is geen “extra” waterschade te zien dan de normale watersporen bij een gebruikt voertuig. (…) Tevens had de waterschade ook invloed moeten hebben op het elektronische systeem en hadden er ook een foutmelding/storingslamp moeten branden. Er is in de aangifte ook geen diagnoserapport, uitdraai storingsgeheugen opgenomen. Alle moderne voertuigen genereren een foutcode/storingscode als er iets defect is of mankeert aan een elektronisch component waaronder de automatische transmissie, verlichting of motormanagementsysteem. Tijdens de controle van DRZ is er geen vermelding van brandende storingslampjes of foutmeldingen op het display van het voertuig door de taxateur van DRZ.”
Naar aanleiding van het horen door de inspecteur heeft belanghebbende nog nadere stukken aan de inspecteur gezonden, waaronder diverse foto’s en verklaringen van bedrijven die belanghebbende met betrekking tot de auto heeft ingeschakeld.
In zijn uitspraak op bezwaar overweegt de inspecteur onder meer dat de facturen die belanghebbende heeft overgelegd niet herleidbaar zijn tot de in het taxatierapport bij de aangifte bpm vermelde schades. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag desondanks tot € 5.350 verminderd, omdat op aan de koerslijst van [bedrijf 3] ontleende waarde van de auto niet de in die koerslijst mogelijke bijstellingen voor markt- en dealersituatie zijn toegepast op de voor belanghebbende meest gunstige wijze.
3. Geschil in hoger beroep
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
4. Beoordeling van het geschil
De kern van het betoog van belanghebbende in hoger beroep is dat de auto waterschade heeft gehad en dat de inspecteur daarmee rekening had moeten houden bij het vaststellen van de naheffingsaanslag. De schade zou blijken uit diverse bewijsmiddelen die belanghebbende heeft verstrekt en daaraan is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan, aldus belanghebbende.
De inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de waarde van de auto niet kan worden ontleend aan het bij de aangifte bpm gevoegde taxatierapport, omdat niet aan de wettelijke eisen daarvoor is voldaan. Subsidiair heeft de inspecteur betoogd dat aan het bij de aangifte bpm gevoegde taxatierapport slechts een geringe bewijskracht toekomt.
Het Hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 10 van de Wet bpm 1992 is de verschuldigde bpm bij de registratie van een gebruikt motorrijtuig de bruto bpm verminderd met de inmiddels opgetreden afschrijving daarvan. In dat kader wordt de huidige waarde van het motorrijtuig ontleend aan een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen in Nederland (hierna: de koerslijstmethode) dan wel aan een (individueel) taxatierapport (hierna: de taxatiemethode). Als een motorrijtuig als zodanig voorkomt in een koerslijst als hiervoor bedoeld, is gebruik van de taxatiemethode alleen toegestaan als het motorrijtuig ten tijde van de registratie meer dan normale gebruiksschade heeft. Daarbij gelden wel nog nadere voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de in het taxatierapport vermelde gegevens – met inbegrip van de daarin beschreven schade – stroken met de staat waarin het motorrijtuig verkeert ten tijde van het doen van de aangifte voor de bpm (vergelijk Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, rechtsoverweging 3.3.1).
Met het taxatierapport dat bij de aangifte bpm voor de auto is gevoegd, is niet voldaan aan de in 4.3 genoemde nadere voorwaarde om de taxatiemethode te mogen toepassen. Zelfs als de auto ten tijde van het doen van de aangifte bpm nog (restanten van) waterschade had, moet immers worden geconcludeerd dat de gegevens in het taxatierapport niet stroken met de staat van de auto op het moment waarop de aangifte werd gedaan. Voor dat oordeel is in aanmerking genomen dat (i) DRZ in zijn rapport van de schouw van de auto stelt niet meer dan normale gebruiksschade te hebben waargenomen, (ii) de foto’s bij dat rapport die stelling ondersteunen, (iii) het onaannemelijk is dat de beweerdelijke schade volgens de latere verklaring van taxateur [naam] (zie 2.4.3) vervanging noodzaakte van alle in diens taxatierapport vermelde onderdelen (vergelijk de in 2.10 geciteerde verklaring van DRZ), (iv) de foto’s bij dat taxatierapport die beweerdelijke schade niet ondersteunen, (v) de door belanghebbende verstrekte facturen niet of matig zijn te relateren aan die beweerdelijke schade, en (vi) belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat tussen de keuring bij de RDW en de registratie van de auto met het uitvoeren van reparaties is begonnen.
Hetgeen in 4.4 is overwogen brengt mee dat het taxatierapport bij de aangifte bpm niet kan dienen om de waarde van de auto ten tijde van het doen van de aangifte dan wel de registratie aan te ontlenen. Daarbij kan belanghebbende de inspecteur niet tegenwerpen dat hij mocht vertrouwen op de deugdelijkheid van dat taxatierapport. In het wettelijk systeem wordt dan teruggevallen op de koerslijstmethode (zie 4.3), en bij toepassing van die methode zijn nog aanwezige schade en een schadeverleden in beginsel geen omstandigheden die aanvullend, naast de koerslijstwaarde, in aanmerking komen (vergelijk Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, rechtsoverweging 3.3.2). Aan een nadere beoordeling van de foto’s en verklaringen die belanghebbende heeft overgelegd, wordt daarom niet toegekomen.
Bij deze stand van het geding is niet in geschil dat de inspecteur niet van een te hoge koerslijstwaarde is uitgegaan. Evenmin is de gehanteerde historische nieuwprijs van de auto in geschil of anderszins de berekening van de naheffingsaanslag. De naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente, als verminderd in bezwaar, kunnen daarom in stand blijven.
Een en ander leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.
5. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 23 september 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.