GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/3188 t/m 24/3195
26 juni 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. K.H. Zonneveld)
tegen de uitspraak van 26 maart 2024 in de zaak met kenmerken HAA 23/3074, HAA 23/3075, HAA 23/3076, HAA 23/3077, HAA 23/3078, HAA 23/3079, HAA 23/3080 en HAA 30/3081 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft op 6 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 35.340 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is een vergrijpboete opgelegd ter hoogte van € 1.439 en is belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft op 6 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2017 navorderingsaanslagen IB/PVV en bijdrage Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 36.068 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is een vergrijpboete opgelegd ter hoogte van € 517 en is belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft op 3 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2018 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 36.498 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft op 3 februari 2021 belanghebbende voor het jaar 2019 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 37.286 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft bij brief van 11 december 2021, door de inspecteur ontvangen op 16 december 2021, bezwaar gemaakt tegen bovengenoemde (navorderings)aanslagen.
De inspecteur heeft bij brieven van 9 augustus 2022 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, dit aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en heeft het verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen wederom bezwaar gemaakt.
De inspecteur heeft bij brief van 20 maart 2023 het bezwaar voorts ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de opgelegde boetes 2016 en 2017;
- vermindert de boete 2016 tot € 719,50;
- vermindert de boete 2017 tot € 258,50;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674; en
- gelast verweerder het griffierecht te vergoeden tot een bedrag van € 50.”
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft geen van beide partijen kenbaar gemaakt een zitting te wensen. Het onderzoek is op 6 juni 2025 gesloten.
2. Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Op 22 maart 2020 heeft brand gewoed in de toenmalige woning van eiseres aan de [straat 1] te [gemeente 1] . Ter plaatse heeft de politie contant geld op straat en bij een zoeking in de woning aangetroffen ( [valuta] ) tot het equivalent van € 131.005. Naar aanleiding hiervan is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar witwassen, waarbij eiseres en haar zoon als verdachten zijn aangemerkt. De officier van justitie heeft op verzoek op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gegevens uit dit onderzoek aan verweerder verstrekt.
2. Verweerder heeft eiseres naar aanleiding van het aangetroffen contante geld bij brieven van 8 en 29 september 2020 op grond van artikel 47 van de Awr vragen gesteld. Met dagtekening 11 november 2020 heeft verweerder eiseres ter zake een informatiebeschikking met betrekking tot voor de jaren 2016 tot en met 2019 op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV toegezonden. Eiseres heeft geen vragen beantwoord en geen bezwaar tegen de informatiebeschikking gemaakt.
3. Met betrekking tot het inkomen van eiseres in het betreffende tijdvak heeft verweerder in een onderzoeksrapport van 18 januari 2021 het volgende opgenomen:
“(…)
Mevrouw [eiseres] verklaart erfenissen te hebben ontvangen van haar moeder, vader en twee broers. Alle erflaters waren bij overlijden woonachting in [land 1] . Mevrouw [eiseres] is over de ontvangen erfenissen uit [land 1] in Nederland geen erfbelasting verschuldigd. Mevrouw [eiseres] dient (buitenlands) vermogen in Nederland aan te geven in box 3. Mevrouw [eiseres] heeft niet verzocht om uitreiking van aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en heeft dit (buitenlands) vermogen dan ook niet in een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangegeven.
Mevrouw [eiseres] heeft tot op heden niet aannemelijk gemaakt welke bedragen door haar vanuit erfenissen ontvangen zijn. Zolang deze bedragen niet aannemelijk zijn gemaakt ga ik er vanuit dat het aangetroffen geld niet uit erfenis afkomstig is.
Tijdens het verhoor op 22 maart 2020 verklaart mevrouw [eiseres] dat het geld van haar is. Dit wordt op 22 maart 2020 tevens bevestigd door haar ex-echtgenoot en tweemaal door haar dochter. Ook de zoon van mevrouw [eiseres] heeft verklaard dat het geld van zijn moeder was, al zat hij op het moment van de verklaring mogelijk in een psychose.
Tijdens het verhoor in juni 2020 heeft mevrouw [eiseres] plots een ander verhaal en verklaart zij dat het geld van haar zoon zou zijn en dat zijn niet wist dat er zoveel geld in haar woning aanwezig was. De verklaring van juni 2020 vinden wij niet geloofwaardig, mede omdat zij op 22 maart 2020 zelf heeft verklaard dat het geld van haar was en zij tevens haar dochter opdracht had gegeven geld uit de woning veilig te stellen.
Ook de verklaring dat het geld uit erfenis afkomstig zou zijn vinden wij niet aannemelijk. De dochter heeft op 22 maart 2020 verklaard dat moeder het geld telkenmale tot het maximaal vrijgestelde bedrag op haar vlucht vanuit [land 1] meegebracht zou hebben naar Nederland. Opvallend hierbij is dat mevrouw [eiseres] in elk geval vanaf 18-06-2019 niet op een vlucht heeft gezeten van [land 1] naar Nederland. Daarnaast heeft de ex echtgenoot van mevrouw [eiseres] verklaard dat het geld pas in de laatste week voor 22 maart 2020 naar Nederland is gekomen. Indien het geld daadwerkelijk pas één week voor 22 maart 2020 naar Nederland is gekomen en het merendeel van het aangetroffen geld in de munteenheid [valuta] is zou mevrouw [eiseres] moeten kunnen aantonen door wie het geld is meegenomen vanuit [land 1] (vliegticket) en dat dit geld in [land 1] in de valuta [valuta] is opgenomen dan wel naar de valuta [valuta] is gewisseld.
Ik stel me op het standpunt dat de gelden afkomstig zijn uit een niet nader bekende bron en onderdeel uitmaken van resultaat uit overige werkzaamheden.
(…).”
In dit onderzoekrapport is tevens het opleggen van boetes op grond van artikel 67e van de Awr aangekondigd.
Aan de hand van onder meer de hierboven weergegeven passage uit het controlerapport heeft verweerder het uitgangspunt geformuleerd dat eiseres een bedrag van € 28.784 kan hebben gespaard en dat de overige € 102.220 als resultaat uit overige werkzaamheden aan eiseres moet worden toegerekend. Verweerder heeft voornoemd resultaat toegeschreven aan het tijdvak 24 maart 2015 tot 20 maart 2020 en hij heeft daarop de volgende correcties resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) bepaald:
2015: 9/12 x (€ 102.220/5) = € 15.333
2016: 12/12 x (€ 102.220/5) = € 20.444
2017: 12/12 x (€ 102.220/5) = € 20.444
2018: 12/12 x (€ 102.220/5) = € 20.444
2019: 12/12 x (€ 102.220/5) = € 20.444
2020: 3/12 x (€102.220/5) = € 5.111
Het vermogen van eiseres en het daarop gebaseerde inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder voor de jaren 2015 tot en met 2019 als volgt bepaald:
Met dagtekening 6 februari 2021 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2015 navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 30.031 en een bijdrage-inkomen van € 15.333. In samenhang met de navorderingsaanslag IB is eiseres tevens een boete opgelegd ter hoogte van € 1.043. Voorts is eiseres in verband met beide navorderingsaanslagen belastingrente in rekening gebracht.
Met dagtekening 6 februari 2021 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2016 navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 35.340 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. In samenhang met de navorderingsaanslag IB/PVV is eiseres tevens een boete opgelegd ter hoogte van € 1.439. Voorts is eiseres in verband met beide navorderingsaanslagen aan belastingrente in rekening gebracht.
Met dagtekening 6 februari 2021 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2017 navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van
€ 36.068 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. In samenhang met de navorderingsaanslag IB/PVV is eiseres tevens een boete opgelegd ter hoogte van € 517. Voorts is eiseres in verband met beide navorderingsaanslagen belastingrente in rekening gebracht.
Met dagtekening 3 februari 2021 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2018 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 36.498 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is eiseres in verband met beide aanslagen belastingrente in rekening gebracht.
Met dagtekening 3 februari 2021 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2019 aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd, berekend naar een verzamelinkomen van € 37.286 en een bijdrage-inkomen van € 20.444. Tevens is eiseres in verband met beide aanslagen belastingrente in rekening gebracht.
6. Eiseres heeft bij brief van 11 december 2021, door verweerder ontvangen op 16 december 2021 bezwaar gemaakt tegen bovengenoemde (navorderings-)aanslagen.
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat deze eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn zijn ontvangen. Verweerder heeft de bezwaarschriften tevens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Dit verzoek heeft geleid tot vernietiging van de navorderingsaanslagen 2015 en de daarmee samenhangende boete- en rentebeschikkingen in oktober 2022. De (navorderings-) aanslagen, boete- en rentebeschikkingen voor de jaren 2016 tot en met 2019 zijn door verweerder gehandhaafd.
7. Eiseres is op 26 mei 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden wegens het witwassen van een bedrag van € 131.055. Daarbij heeft verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen plaatsgevonden tot bedragen van € 46.765 en van £ 10.”
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt daar het volgende aan toe.
In het proces-verbaal met nr. [# 1] betreffende het verhoor van belanghebbende als getuige is onder meer het volgende opgenomen:
“Op zondag 22 maart 2020 om 10:50 uur verhoorden wij op de locatie Henri Dunantstraat 1, 5223 GZ ’s-Hertogenbosch de getuige:
Achternaam: [X]
Voornamen: [X]
(…)
De getuige verklaarde:
“Wij zijn hier bij u in het ziekenhuis om van u een verklaring op te nemen. U geeft aan geen aangifte tegen uw zoon te willen doen. We nemen daarom een getuigenverklaring van u op. (…)
V: En wat was er met dat geld?
A: Dat geld is van mij. Gespaard, ik heb helemaal niks, geen koelkast, geen tv. Mijn bedoeling was een klein huisje kopen. De rest is van erfenis.
(…)
V: Over het geld hebben we begrepen dat het uw spaargeld was, 20.000 euro waarmee u een klein huisje wilde kopen. U had om die reden helemaal geen spullen. De rest van het geld, zegt u, komt van een erfenis.
A: Ja. (…)”
In het proces-verbaal met nr. [# 2] betreffende het verhoor van belanghebbende als verdachte is onder meer het volgende opgenomen:
“Op 12 juni 2020 om 11.00 uur verhoorde ik op het bureau van politie te Utrecht , Kaap Hoorndreef 2, de verdachte:
Voornamen: [X]
Naam: [X]
(…)
De verdachte verklaarde: (…)
V: Er is een groot contact geldbedrag aangetroffen, zowel in uw woning als daar buiten. Weet u om hoeveel geld het gaat?
A: Dat weet ik niet.
V: Waar komt dit geld vandaan?
A: jaren geleden, in 2002 of 2003, heb ik van mijn moeder een contant geldbedrag van ongeveer 10 a 15 duizend euro ontvangen. Ik heb dat toen in [land 1] valuta ontvangen. Ik heb dit bedrag toen meteen aan mijn zoon gegeven, zodat hij iets voor zichzelf kon opbouwen in [land 1] . Dit geld is nooit in Nederland geweest en ik heb daar ook nooit zelf de beschikking over gehad, omdat ik het meteen heb weggegeven aan mijn zoon. Het was ook met de bedoeling dat hij mij zou kunnen helpen als dat nodig was. (…)
V: We hebben nu een bedrag van 10 a 15 duizend euro verklaard, maar we hebben een bedrag van ongeveer 140.000 euro aangetroffen. In een eerder door u afgelegde verklaring heeft u aangegeven dat u ook zelf een bedrag hebt gespaard?
A: dat is niet waar. Ik ben toen in het ziekenhuis gehoord en was toen onder invloed van morfine, omdat ik net van de operatie terug was. Ik kan mij niet herinneren dat ik op de vraag of ik zelf ook had gespaard bevestigend had geantwoord. (…)
V: Van wie is al dat geld dat is aangetroffen?
A: Dat geld is allemaal van mijn zoon. Ik heb hem alleen die 10 a 15 duizend euro in [land 1] valuta gegeven. Mijn zoon heeft in [land 1] gewerkt, maar hoe hij uiteindelijk aan zoveel geld is gekomen dat weet ik niet. Ik heb er daar nooit met mijn zoon over gesproken. In [land 1] gaat alles wel contant en niets via een bank. (…)
V: Hoe lang is uw zoon in [land 1] geweest, voordat hij weer bij u kwam in maart 2020?
A: Volgens mij was hij toen 4 maanden in [land 1] geweest. Hij was op zondag 8 maart 2020 terug gekomen uit [land 1] .
V: Buiten [valuta] ’s en [land 1] [valuta] hebben we ook [valuta] aangetroffen. Waar kwamen die vandaan?
A: Dat zult u echt aan mijn zoon moeten vragen, want daar weet ik echt helemaal niets van.
V: Van wie was al het geld dat wij in en buiten de woning hebben aangetroffen.
A: In een bruin tasje dat in de keuken lag, zaten 2 bankbiljetten van 50 (100 euro in totaal), en dat geld was van mij voor het doen van boodschappen. De rest van het geld zou van mijn zoon kunnen zijn, omdat ik weet dat hij geld heeft in [land 1] . Ik wist niet dat er geld in mijn woning lag en waar het vandaan is gekomen. (…)”
In het proces-verbaal met nr. [# 3] betreffende de aanhouding van de dochter van belanghebbende, [naam 1] , is onder meer het volgende opgenomen:
“Bevindingen
Op zondag 22 maart 2020, omstreeks 08:35 uur, waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance in de gemeente [gemeente 1] . Op genoemd tijdstip kregen wij van het Operationeel Centrum het verzoek te rijden naar de [straat 1] te [gemeente 1] . Aldaar was in pand 282, gelegen op de tweede verdieping, afgelopen nacht brand geweest waarbij een groot geldbedrag op de openbare weg terecht was gekomen. (…)
Door het Operationeel Centrum werd ons nu verzocht naar die woning te gaan op verzoek van de particulier beveiliger. Hij zou beneden bij het pand staan en gezien hebben dat een vrouw via de galerij de woning had betreden. De beveiliger zou de vrouw hebben aangesproken maar ze zou niet naar hem luisteren en toch gewoon de woning in zijn gegaan. Zij zou gekomen zijn in een personenauto welke bestuurd werd door een man. (…)
Op zondag 22 maart 2020, omstreeks 08:40 uur kwamen wij ter plaatse bij genoemd flatgebouw. (…)
Ik, verbalisant [naam 2] , bleef beneden bij de bestuurder van de genoemde auto. Deze
man deelde mij mede dat hij de vader was van de vrouw welke naar genoemde woning was gelopen. Hij vertelde mij dat hij de ex-man was van de bewoonster van die woning.
Op dat moment zag ik, verbalisant [naam 2] een vrouw in onze richting komen lopen. Deze vrouw kwam vanuit ingang 1 van het flatgebouw. Zij sprak mij, Verbalisant [naam 2] , aan en zei dat zij de dochter was van de bewoonster van genoemde woning. Zij vertelde mij dat zij zojuist bij haar moeder in het ziekenhuis was geweest en dat haar moeder haar had gevraagd om wat kleding uit de woning te gaan halen. Zij is toen met haar vader, die ook in het ziekenhuis was, naar de woning gereden. Bij de woning was zij uitgestapt en is via de centrale ingang 2 naar de woning gelopen. Zij vertelde mij dat zij op de galerij, voor genoemde woning, een koffer en twee tassen zag liggen. Zij deelde mij mede dat zij die twee tassen herkende als de tassen van haar moeder. Zij deelde mij mede dat zij de twee tassen oppakte en met die tassen de woning inliep. (…)
Ik, verbalisant [naam 2] , ben samen met deze vrouw naar het trappenhuis van ingang twee van de flat gelopen, alwaar op de begane grond haar vader op ons wachtte. Terwijl wij daar met zijn drieën stonden gingen vader en dochter in gesprek in een mij onbekende taal. Ik zag dat de vrouw met beide handen constant haar buik vasthield. Ik, verbalisant [naam 2] vroeg de vrouw of zij iets vasthield wat onder haar jas zat. Ik zag dat de vrouw daarop haar beide handen onder haar jas deed en daarvandaan twee pakken met een aanzienlijk aantal bankbiljetten haalde en deze aan mij overhandigde. Ik zag dat het voornamelijk biljetten van 50 euro waren. De vrouw deelde mij ongevraagd mee dat dit geld van haar moeder was. Zij deelde mij mee dat zij dit geld gevonden had in een koffer welke op de galerij voor de woning lag. Zij deelde mij mede dat haar moeder gevraagd had dit geld te gaan ophalen. Zij deelde mij mede dat dit geld eigendom is van haar moeder en dat die op de hoogte was dat zij dit geld op ging halen. (…)
De twee pakken met bankbiljetten hebben wij inbeslaggenomen. (…) Na telling bleek het om een geldbedrag van 26.100,= euro te gaan (….
In het proces-verbaal met nr. [# 4] betreffende het verhoor van de dochter van belanghebbende, [naam 1] , als verdachte is onder meer het volgende opgenomen:
“Op zondag 22 maart 2020 om 13.35 uur verhoorden wij in politiebureau de verdachte:
Voornamen: [naam 1]
Naam: [naam 1]
(…)
De verdachte verklaarde: (…)
V: Je wordt verdacht van witwassen omdat je met een groot geld bedrag rond liep.
A: Ja het lag bij mijn moeder op de galerij en iedereen kon er bij. (…)
A: (…) Op de galerij zag ik het geld al liggen. Het lag bij haar voordeur op de galerij, in het zicht. Daar lag een koffer die open was en dat geld zag je liggen. (…)
V: Had je al het geld meegenomen?
A: Ja wat daar lag wel. Ik kan niet wachten tot de buurjongens het meenemen. Het is van mijn moeder.
V: Weet je hoeveel geld je mee hebt genomen?
A: Ja ongeveer 26 duizend euro. Dat is samen met de agenten geteld.
A: (…) De reden dat ik het geld heb meegenomen omdat het geld van mijn moeder was. (…) Mijn moeder heeft een erfenis gehad van haar moeder en vader een kleiner deel van haar 2 broers. Die woonden in [land 1] . Transacties tussen [land 1] en Europa zijn niet ideaal. Dus heeft ze iedere keer wat meegenomen en zo bewaard. Dat is natuurlijk lastig te achterhalen dat weet ik. Mijn oma is ergens in 2003 overleden. Mijn opa ook rond die tijd. Maar wel iets later. (…)
V: Wat voor werk deed je broer?
A: Voor zover ik weet heeft hij geen werk. (…)
V: Was het geld van je moeder of ook van je vader?
A: Nee echt van mijn moeder. (…)
V: Wil je nog iets aanvullen?
A: Ja mijn opa was boer in [land 1] en mijn oma kwam uit een goede familie. Het geld is in [land 1] aan haar gegeven. Transacties via [land 1] naar Europa kan niet. Dus iedere keer als ze vanuit [land 1] terug vloog nam ze wat mee. Ze nam iedere keer het maximale toegestane geldbedrag mee. Daar zit namelijk een limiet aan.
V: Hoe vaak is je moeder naar [land 1] geweest om dat geld op te halen?
A: Dat weet ik niet, wel geregeld. (…)”
In het proces-verbaal met nr. [# 5] betreffende het verhoor van de dochter van belanghebbende, [naam 1] , als verdachte is onder meer het volgende opgenomen:
“Op zondag 22 maart 2020 om 16.45 uur verhoorden wij in [gemeente 1] de verdachte:
Voornamen: [naam 1]
Naam: [naam 1]
(…)
De verdachte verklaarde: (…)
V: Vanaf wanneer wist je van die erfenis die je moeder had gekregen?
A: Ja vanaf overlijden van oma. Maar ik wist niet waar het geld was en dat het zo’n groot bedrag was.
V: Van wie was het geld?
A: Dat weet in niet precies maar van oma en opa.
V: Van wie was het geld dat aangetroffen werd in de woning?
A: Dat is van mijn moeder. (…)”
In het proces-verbaal met nr. [# 6] betreffende het verhoor van de ex-man van belanghebbende, [naam 3] [naam 1] , als verdachte is onder meer het volgende opgenomen:
“Op zondag 22 maart om 15.00 uur verhoorden wij in [gemeente 1] de verdachte:
Voornamen: [naam 3]
Naam: [naam 1]
(…)
De verdachte verklaarde: (…)
A: Mijn dochter is dus via de centrale hal naar binnen gegaan en via de zijkant naar buiten. Ik mocht haar daar niet ophalen van de beveiliging. Mijn dochter kwam toen weer naar de auto gelopen. Op dat moment stond er ook politie. Die vroegen haar of ze binnen was geweest en wat ze daar gedaan had.
V: Wat zei uw dochter?
A: Ik ging gewoon even kijken en spullen van mijn moeder pakken. De politie vroeg of ze iets bij zich had. Ze zei in eerste instantie van niet. Maar daarna gaf ze toe wel iets bij zich te hebben.
V: Op welk moment werd het voor u duidelijk dat uw dochter een geldbedrag bij zich had?
A: Toen ze dat aan de politie had gegeven. Nee, ik denk voordat de politie het vroeg. Ze zei dat tegen mij.
V: Sprak u met haar in een andere taal op dat moment?
A: Ja. Ze zei tegen mij ik heb dat geld van mama bij. Toen zei ik dat ze dat gewoon moest geven omdat ze toch gingen fouilleren. Toen heeft mijn dochter dat aan de politie gegeven. (…)
V: Wist u van het geldbedrag van uw vrouw?
A: Ik hoorde vanochtend van mijn ex vrouw dat het bijna 2 ton was. Ze zei mijn zoon heeft alles in brand gestoken. Ze zei dat het een erfenis was van haar moeder, vader en broers. Haar twee jongste broers zijn overleden. Ik vroeg haar wanneer het geld bij haar was binnen gekomen. De laatste week zei ze. Onze zoon had het meegenomen uit [land 1] . Ik vroeg me af hoe hij dat had gedaan. Eerder wist ik niets van het geld af. (…)
V: Heeft uw vrouw verteld hoe uw zoon [naam 4] het geld had meegenomen?
A: Nee.
V: Weet u hoe hij is teruggekomen?
A: Nee. Ik heb wel tegen mijn ex-vrouw gezegd is dit geld officieel? Staat dit op papier? Maar hier heeft ze geen antwoord op gegeven. (…)
V: Wanneer is de familie van uw ex-vrouw overleden?
A: Haar moeder, ik heb geen idee maar wel een aantal jaren geleden. (...)”
In het proces-verbaal van bevindingen met nr. [# 7] is betreffende vliegbewegingen van belanghebbende het volgende opgenomen:
“Ik, verbalisant, [naam 5] , buitengewoon opsporingsambtenaar (…) standplaats Oost Brabant werkzaam bij de Eenheid Oost-Brabant, verklaar het volgende:
Door Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL) werd, naar aanleiding van een vordering 126nd Wetboek van Strafvordering, gemeld dat er in hun database geen gegevens aangetroffen zijn op de personalia:
[X] , [X] , 21-03-1955.
In deze schriftelijke melding las ik dat dit zou kunnen betekenen dat zij met luchtvaartmaatschappijen die (nog) niet waren aangesloten bij hen of via buitenlandse luchthavens heeft gevlogen.
NB. De bevraging van voornoemd subject loopt terug tot en met 18-06-2019. Pi-NL kan niet verder terugkijken. (...)”
In het proces-verbaal van bevindingen met nr. [# 8] is betreffende vliegbewegingen van de zoon van belanghebbende, [naam 4] [naam 1] , het volgende opgenomen:
“Ik, verbalisant, [naam 5] , buitengewoon opsporingsambtenaar (…) standplaats Oost Brabant werkzaam bij de Eenheid Oost-Brabant, verklaar het volgende:
Door Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL) werd, naar aanleiding van een vordering 126nd Wetboek van Strafvordering, gemeld dat er in hun database geen gegevens aangetroffen zijn op de personalia:
[naam 1] , [naam 4] , 11-11-1976.
In deze schriftelijke melding las ik dat dit zou kunnen betekenen dat hij met luchtvaartmaatschappijen die (nog) niet waren aangesloten bij hen of via buitenlandse luchthavens heeft gevlogen.
NB. De bevraging van voornoemd subject loopt terug tot en met 18-06-2019. Pi-NL kan niet verder terugkijken. (...)”
In het proces-verbaal van bevindingen met nr. [# 9] is inzake money transfers waarbij belanghebbende betrokken is geweest het volgende opgenomen:
“Met een vordering 126n, lid 1 Wetboek van Strafvordering werd bij [bank 1] te [Z] gevorderd de historische gegevens te verstrekken met betrekking tot money transfers waarbij verdachte [X] , geboren 21 maart 1955, betrokkenheid heeft gehad in de periode van 1 maart 2015 tot en met 21 maart 2020.
In de door de [bank 1] verstrekte gegevens zag ik dat geen money transfers transacties op naam van [X] zijn gevonden.
Opgemerkt werd dat de volledigheid van de verstrekte informatie niet gegarandeerd kan worden, omdat de kwaliteit van de gerapporteerde geldtransferdata niet optimaal is. Dit speelt met name bij de data tot en met 2014. (…)”
In het proces-verbaal van bevindingen, met nr. [# 10] is inzake money transfers waarbij de zoon van belanghebbende, [naam 4] [naam 1] , betrokken is geweest het volgende opgenomen:
“Met een vordering 126n, lid 1 Wetboek van Strafvordering werd bij [bank 1] te [Z] gevorderd de historische gegevens te verstrekken met betrekking tot money transfers waarbij verdachte [X] , geboren 21 maart 1955, betrokkenheid heeft gehad in de periode van 1 maart 2015 tot en met 21 maart 2020.
In de verstrekte gegevens zag ik dat verdachte [naam 1] betrokkenheid heeft gehad bij de onderstaande transacties:
1. Melder: [bank 2] ( [bank 2] )
Opdrachtgever: [naam 4] [naam 1] , 11-11-1976
ID-nummer: [# 11]
Adres: [straat 1] [gemeente 2]
Transactiedatum: 22-10-2019
Transactienummer: [# 12]
Ontvanger: [bedrijf]
Bedrag: € 45,00
2. Melder: [bank 2] ( [bank 2] )
Opdrachtgever: [naam 4] [naam 1] , 11-11-1976
ID-nummer: [# 13]
Adres: [straat 1] [gemeente 2]
Transactiedatum: 24-10-2017
Transactienummer: [# 14]
Ontvanger: [bedrijf]
Bedrag: € 378,00
3. Melder: [bank 3] (via [bank 2] )
Opdrachtgever: [naam 1] , 23-10-1982
ID-nummer: [# 15]
Adres: [straat 2] [gemeente 3]
Transactiedatum: 16-05-2017
Transactienummer: [# 16]
Ontvanger: [naam 4] [naam 1]
Land ontvanger: [land 2]
Bedrag: € 1.256,00
Opgemerkt werd dat de volledigheid van de verstrekte informatie niet gegarandeerd kan worden, omdat de kwaliteit van de gerapporteerde geldtransferdata niet optimaal is. Dit speelt met name bij de data tot en met 2014. (…)”
Belanghebbende is op 9 oktober 2024 in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen (ECLI:NL:GHSHE:2024:3171). Daarbij heeft verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen plaatsgevonden tot bedragen van € 46.765 en van £ 10. In deze uitspraak is onder meer het volgende opgenomen:
“Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 22 maart 2020 te [gemeente 1] een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld bestaande uit een geldbedrag van € 131.055,00 of daaromtrent en een geldbedrag van 13.105,00 [land 2] en/of [land 2] (omgerekend € 14.212,39 of daaromtrent) voorhanden heeft gehad terwijl zij, verdachte, wist dat voormeld voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. (…)
Feiten en omstandigheden
Het hof leidt uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 22 maart 2020 in de vroege nachtelijke uren werd naar aanleiding van diverse meldingen een groot contant geldbedrag aangetroffen rondom de woning van de verdachte. De politie zag dat de zoon van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1], veel contant geld vanaf de galerij bij die woning naar beneden strooide. Verspreid rond de woning van de verdachte is een bedrag van in totaal € 90.870,00 en een bedrag van 13.095,00 aan [land 2] en/of [land 2] aangetroffen. In de woning van de verdachte werd daarnaast € 14.085,65 en 10 [land 2] [valuta] aangetroffen. De dochter van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2], blijkt in de ochtend daarop, na een bezoek aan de woning van de verdachte een bedrag van € 26.100,00 onder zich te hebben. Zij verklaarde dat zij dit bedrag bij de woning van de verdachte in een koffer heeft aangetroffen en heeft meegenomen. Het geldbedrag was van haar moeder, [verdachte].
Het geld dat in en om de woning van de verdachte en bij haar dochter is aangetroffen, is afkomstig uit de woning van de verdachte, waar toen tevens haar zoon verbleef. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen verder vast dat de verdachte wist van de aanwezigheid van het geld en dat zij daarover de beschikkingsmacht had. De verdachte en haar zoon hebben het geld voorhanden gehad. (…)
Beoordeling
Het hof overweegt dat er sprake is van een vermoeden van witwassen, nu er grote bedragen aan contant geld van verschillende coupures (waaronder coupures van € 500,00) en verschillende valuta’s zijn aangetroffen in en om de woning van de verdachte, waar tevens haar zoon verbleef. Het betreft een sociale huurwoning en de verdachte had in de jaren 2015 tot 2020 uitsluitend een bijstandsuitkering, in de loop van die jaren variërend van € 912,00 tot net geen € 1000,00 en daarnaast huur- en zorgtoeslag. Van haar zoon zijn geen legale inkomsten en bezittingen bekend. Van de verdachte mag dan ook worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de bedragen waarvoor het witwasvermoeden bestaat.
De verdachte heeft in haar eerste verklaring op 22 maart 2020 als getuige verklaard dat het geld van haar was, dat ze € 20.000,00 had gespaard en dat het overige geld van een erfenis afkomstig was. Toen de verdachte op 12 juni 2020 als verdachte werd gehoord, heeft zij verklaard dat al het geld van haar zoon is. Zij verklaarde dat zij in 2002 of 2003 in [land 1] van haar moeder een contant geldbedrag van ongeveer € 10.000,00 tot € 15.000,00 in [land 1] valuta heeft ontvangen. Dit geld heeft zij direct aan haar zoon gegeven en dat geld is nooit in Nederland geweest.
Het hof stelt vast dat de verdachte op essentiële onderdelen wisselend heeft verklaard over de herkomst van het geld, namelijk over van wie het geld was en wat de herkomst daarvan is. Daarnaast heeft de verdachte geen voldoende concrete informatie over de door haar aangevoerde erfenis gegeven, zoals het exacte bedrag daarvan, eventuele mede-erfgenamen, de datum van ontvangst en de namen van de overledene(n).
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven over de herkomst van de gelden, die voldoende tegenwicht biedt aan het vermoeden van witwassen. Dat betekent dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Het hof overweegt voorts dat, gelet op de wijze waarop de geldbedragen in de woning van de verdachte binnen zijn gekomen – door de zoon van de verdachte in delen op verschillende tijdstippen vanuit [land 1] naar Nederland gebracht – het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat het geld in haar woning uit enig misdrijf afkomstig was.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte niet heeft geweten dat er een aanzienlijk geldbedrag in haar woning aanwezig was, passeert het hof gelet op de verklaring van de verdachte die zij als getuige heeft afgelegd, inhoudende dat het geld in haar woning spaargeld (€ 20.000,00) betrof om een huis te kopen en de rest afkomstig was van een erfenis. Voor wat betreft de € 20.000,00 is het voor het hof evident dat met een geldbedrag van slechts € 20.000,00 aan spaargeld geen woning gekocht kan worden. Inzake de eventuele erfenis is verder geen concrete en min of meer verifieerbare informatie door verdachte verstrekt. Tevens komt naar het oordeel van het hof in dit kader betekenis toe aan de omstandigheid dat haar dochter na een bezoek die dag in de vroege ochtend aan haar moeder, kennelijk direct naar de woning van haar moeder is gegaan en in korte tijd nog een bedrag van € 26.100,00 heeft gevonden en heeft meegenomen uit die woning, en dat die dochter heeft verklaard dat dat geld van haar moeder, de verdachte, is.
Het hof volgt de raadsvrouw voorts niet in haar verzoek om het bedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad te matigen. Anders dan de raadsvrouw meent, is ook voor het bedrag van € 28.784,21 – dat kennelijk is afgeleid uit een proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 289-291) met betrekking tot verrichte betalingen en opnames van contanten vanaf verdachtes bankrekening – door de verdachte geen concrete en min of meer verifieerbare verklaring gegeven. In de verklaring die de verdachte als getuige heeft afgelegd, verklaarde zij dat het aangetroffen geld (tot een gedeelte van € 20.000,00) haar spaargeld betrof, maar die verklaring weerspreekt zij in haar als verdachte afgelegde verklaring, waarin zij aangeeft dat al het aangetroffen geld van haar zoon is. De verdachte heeft aldus ook inconsistent verklaard over dit geldbedrag.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is, gelijk in beroep, in geschil of de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2019 terecht heeft afgewezen. Ook ligt voor of de vergrijpboeten 2016 en 2017 terecht zijn opgelegd en passend en geboden zijn.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:
“11. Eiseres heeft niet weersproken dat zij de vragen van verweerder niet heeft beantwoord en dat zij geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen de informatiebeschikking, die daarmee onherroepelijk is komen vast te staan voordat de onderhavige (navorderings-) aanslagen zijn opgelegd. Ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de Awr verklaart de rechtbank het beroep daarom ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank ziet geen aanleiding omkering van de bewijslast in de onderhavige zaken achterwege te laten (vgl. Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130 en gerechtshof [gemeente 1] 23 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:933). Voor zover het beroep gericht is tegen een vergrijpboete vindt artikel 27e van de Awr op grond van het derde lid van dit artikel geen toepassing.
12. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd het van haar te verlangen bewijs te leveren. Een enkele betwisting van de door verweerder uit het beschikbare bewijsmateriaal getrokken conclusies en het zonder feitelijke onderbouwing herhalen van het betoog dat de aangetroffen gelden aan haar zoon moeten worden toegerekend zijn daarvoor niet toereikend.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn berekening aan de hand van gegevens uit het strafdossier een redelijke schatting gemaakt van het door eiseres in de jaren 2016 tot en met 2019 genoten inkomen. Verweerder heeft dan ook niet willekeurig gehandeld door de (navorderings-)aanslagen op deze berekeningen te baseren.
14. Verweerder heeft de vergrijpboetes op grond van artikel 67e van de Awr opgelegd. Uit het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:2352 volgt dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan, dat de bewijslast op verweerder rust en dat eiseres in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit niet mee dat op verweerder tevens de last rust de juistheid van de boetegrondslag aan te tonen. Uit het onderzoeksrapport van 18 januari 2021 leidt de rechtbank af dat verweerder aan de boetes ten grondslag legt dat het aan grove schuld van eiseres is te wijten dat te weinig belasting is geheven. In dit verband wordt in het rapport verwezen naar de omvang van de in de woning aangetroffen bedragen, het niet verstrekken van informatie waarom is verzocht en de (later gewijzigde) verklaring van eiseres tijdens het verhoor door de politie dat het geld van haar is, en de verklaring van haar zoon dat eiseres het aangetroffen geld heeft verdiend met de handel in drugs en meisjes. Eiseres heeft hier slechts tegenin gebracht dat verweerder geen bewijs heeft geleverd dat de inkomsten daadwerkelijk zijn verdiend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de voor de aanwezigheid van grove schuld dat te weinig belasting is geheven vereiste feiten en omstandigheden daarmee buiten redelijke twijfel komen vast te staan.
15. In beginsel acht de rechtbank een boetes van 25% zoals opgelegd passend en geboden. Sinds het moment van aankondiging van de boetes (18 januari 2021) is meer dan drie jaar verlopen, wat als uitgangspunt dient te leiden tot een matiging van de boetes met 15% (vgl. gerechtshof [Z] 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298). Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op leeftijd is, alleen AOW geniet en niet over vermogen beschikt. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en alle overige omstandigheden van het geval acht de rechtbank boetes € 719,50 (2016) en € 258,50 passend en geboden.
16. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Voor vergoeding van de kosten in bezwaar is geen aanleiding omdat voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar niet om vergoeding van kosten is verzocht (zie artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank stelt de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.674 (2 punten voor beroep; tarief per punt € 837, wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het griffierecht te vergoeden.”
5. Beoordeling van het geschil
De rechtbank heeft met juistheid onder r.o. 11 beslist dat de informatiebeschikking met dagtekening 11 november 2020 onherroepelijk vast is komen te staan voordat de in geschil zijnde (navorderings-) aanslagen zijn opgelegd. Voor zover belanghebbende in (hoger) beroep hiertegen heeft geageerd, begrijpt het Hof haar standpunt aldus, dat zij niet (tijdig) van deze beschikking kennis heeft kunnen nemen en derhalve ook niet (tijdig) rechtsmiddelen hiertegen heeft kunnen aanwenden, dit ten gevolge van de brand in haar woning op 22 maart 2020 en de daaruit voortvloeiende persoonlijke omstandigheden.
Dit betoog kan haar niet baten. Het Hof gaat uit van de correcte bekendmaking van de informatiebeschikking aan het adres van belanghebbende, te weten de [straat 1] te [gemeente 1] , alwaar belanghebbende tot 28 april 2021 in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven. In het licht van de afwezigheid van een adreswijziging in BRP was het aan belanghebbende om ervoor zorg te dragen dat de post, ontvangen op het voormelde adres, haar wel tijdig kon bereiken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het inschakelen van familie en/of vrienden, die de post regelmatig hadden kunnen ophalen. Dergelijke maatregelen heeft belanghebbende achterwege gelaten en dit komt voor haar rekening. Het Hof acht voorts niet aannemelijk dat de psychische gesteldheid waarin belanghebbende verkeerde dermate slecht was dat zij niet hiertoe in staat kon worden geacht.
Nu de informatiebeschikking onherroepelijk vast staat, is de bewijsrechtelijke sanctie van ‘de omkering en verzwaring’ van de bewijslast van toepassing (zie artikel 27e, lid 1, AWR). Derhalve dient als uitgangspunt te worden genomen dat het beroep van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Het is derhalve aan belanghebbend om te doen blijken – dat wil zeggen: op overtuigende wijze aantonen – dat de door de inspecteur toegepaste correcties onjuist zijn.
De inspecteur heeft, met al hetgeen hij daartoe in (hoger) beroep heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat het geldbedrag, dat op zondag 22 maart 2022 is aangetroffen in en rondom de woning [straat 1] te [gemeente 1] , van belanghebbende is. Hiertoe acht het Hof van doorslaggevend belang (i) de onder 2.5.1 en 2.5.2 geciteerde, in de tijd consistente verklaringen van de dochter van belanghebbende, steeds inhoudende dat het aangetroffen geldbedrag in en rondom de woning aan haar moeder toebehoorde, en (ii) de gelijkluidende verklaring van de ex-man van belanghebbende (2.6). Belanghebbende heeft daartegenover een alternatief scenario geschetst, te weten dat het geld deels afkomstig is uit een erfenis van haar ouders en broers woonachtig in [land 1] , dat zij die erfenis heeft geschonken aan haar zoon, haar zoon hiermee in [land 1] meer geld heeft verdiend en dit extra verdiende geld door de zoon vanuit [land 1] naar Nederland is gebracht. Dit alternatieve scenario is geenszins onderbouwd. De wel beschikbare gegevens inzake vliegbewegingen en money transfers van belanghebbende en haar zoon, zoals door de inspecteur in het geding gebracht (2.7.1 t/m 2.8.2), wijzen veeleer op het tegendeel, namelijk dat er voor zondag 22 maart 2020 geen transport van geld vanuit [land 1] naar Nederland heeft plaatsgevonden door de zoon van belanghebbende. Bovendien heeft belanghebbende tijdens het politieonderzoek sterk tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de herkomst en eigendom van het geld, hetgeen afdoet aan de geloofwaardigheid van die verklaringen (2.3.1 en 2.3.2). Gelet op wat hiervoor is overwogen, rest als meest waarschijnlijk scenario dat het geld aangetroffen in en rondom de woning aan belanghebbende toebehoorde, en dat zij dit geld – bij gebreke van enig ander aannemelijk scenario - in de loop van de jaren heeft genoten als resultaat uit overige werkzaamheden.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende een resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald van € 102.220 (bestaande uit aangetroffen en afgestort geld € 131.005 -/- spaargeld € 28.784). Gelet op de hoogte van dit resultaat is hij er voorts vanuit gegaan dat belanghebbende dit gedurende langere periode (in dit geval van 24 maart 2015 tot en met 20 maart 2022) heeft behaald. Hij heeft dit resultaat als volgt toegerekend aan de jaren: 2015 € 15.333, 2016-2019 € 20.444 en 2020 € 5.111. Het Hof acht deze wijze van toerekening redelijk en niet willekeurig, dit ook gelet op het feit dat belanghebbende tegen zowel de hoogte van het resultaat als de verdeling over de jaren niets heeft aangevoerd in beroep of hoger beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is belanghebbende met al hetgeen zij hiertoe heeft aangevoerd niet erin geslaagd om overtuigend aan te tonen dat de door de inspecteur toegepaste correcties onjuist zijn, in die zin dat de geldbedragen niet aan haar toebehoorden dat geen sprake is van een zgn. bron van inkomen en dat de verdeling van het door de inspecteur berekende resultaat over de jaren heen op een andere wijze dient te geschieden.
Het Hof is verder van oordeel dat de inspecteur door zijn correcties te baseren op het geld dat in beslag is genomen door de politie op 22 maart 2020 minus een bedrag aan potentieel door belanghebbende gespaard geld ad € 28.784, de onderhavige (navorderings)aanslagen heeft doen berusten op een redelijke schatting. Er is geen sprake van willekeur. Het Hof acht de uiteindelijke vaststelling van het resultaat uit overige werkzaamheden op € 102.220 en de verdeling daarvan over de jaren (zie hiervoor onder 5.3.2) redelijk. Het Hof ziet voorts geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de inspecteur iets over het hoofd heeft gezien bij deze vaststelling.
De inspecteur heeft de vergrijpboeten voor 2016 en 2017 opgelegd op grond van artikel 67e AWR; het is zijns inziens aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven in die twee jaren. Op grond van de arresten van de HR van 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 en 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26 kan de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (ook: overtuigend aantonen). Naar het oordeel van het Hof is de inspecteur niet in deze bewijslast geslaagd. De feiten en omstandigheden rechtvaardigen weliswaar het oordeel dat het scenario dat het geld aan belanghebbende toebehoorde en dat zij dit geld in de loop van de jaren heeft genoten als resultaat uit overige werkzaamheden het meest waarschijnlijke scenario is, maar rechtvaardigen niet het oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat dit het enig mogelijke scenario is. De inspecteur is er dan ook niet in geslaagd de grove schuld van belanghebbende overtuigend aan te tonen. Het hoger beroep slaagt in zoverre en de vergrijpboeten 2016 en 2017 moeten worden vernietigd.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
6. Kosten
Het Hof ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten van belanghebbende. Het Hof stelt de tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het hoger beroep vast op: 2 punten (te weten: het hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x € 907 x 1 (wegingsfactor) = € 1.814.
7. Beslissing
Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, F.J.P.M. Haas en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 26 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is bij verhindering van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, mr. F.J.P.M. Haas.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: