Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.zij op of omstreeks 2 september 2022 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van die [slachtoffer] haar betaalpas, door zich voor te doen als een medewerker van de Rabobank;
2.zij op of omstreeks 2 september 2022 te Amsterdam een geldbedrag van ongeveer € 1895, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de betaalpas van die [slachtoffer] een contant geldbedrag op te nemen bij een Geldmaat en/of betalingen te verrichten in de [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] .
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof anders dan de politierechter tot een vrijspraak komt.
Vrijspraak
De advocaat-generaal en de verdediging hebben tot gehele vrijspraak van het tenlastegelegde geconcludeerd. Het hof volgt die conclusie en overweegt daartoe het volgende.
De verdenking van de verdachte is gebaseerd op beeldmateriaal en herkenningen door verbalisanten van de verdachte als de persoon die bij een pinautomaat geld opneemt met de bankpas van slachtoffer [slachtoffer] . Drie verbalisanten hebben de verdachte op de beelden herkend en hebben van hun herkenningen proces-verbaal opgemaakt. Deze herkenningen voldoen aan de daaraan te stellen eisen en zijn daarom in beginsel bruikbaar voor het bewijs. Naderhand is evenwel gebleken dat de verdachte een eeneiige tweelingzus heeft, wat een van de verbalisanten ertoe heeft gebracht de herkenning in te trekken. Op 22 april 2024 heeft de politie de verdachte en haar tweelingzus bezocht en geconstateerd dat de verdachte een moedervlek in haar nek heeft en haar tweelingzus niet. De vrouw op de beelden zou volgens de politie, na nadere bestudering, ook een moedervlek in haar nek hebben en dus de verdachte zijn. Het hof heeft naar aanleiding van deze bevindingen het (video)beeldmateriaal opgevraagd en bekeken, ook ter terechtzitting. Het hof kan, evenals de advocaat-generaal en de verdediging, geen moedervlek in de nek van de persoon die geld opneemt waarnemen. Nu andere in het dossier genoemde uiterlijke verschillen tussen de beide zussen onvoldoende onderscheidend zijn en bovendien hun vader ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft verklaard dat de vrouw op de beelden niet de verdachte is, acht het hof de tenlastegelegde feiten niet overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij G. [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.395,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdachte wordt in hoger beroep vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij G. [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij G. [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. W.J. Blokland en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 oktober 2025.
De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.