Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
- uit de bewijsoverweging op pagina 4 van het vonnis schrapt de zinsnede “Evenmin is door verdachte onderbouwd waarom de bedragen niet via bancaire transacties konden worden overgemaakt maar fysiek moesten worden vervoerd met alle bijkomende kosten en risico’s van dien”;
- naar aanleiding van het verhoor van [getuige] op 30 juli 2024 bij de raadsheercommissaris niet tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. De verklaring van [getuige] heeft er niet toe geleid dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld concreet en verifieerbaar is geworden. Dat de bedragen die de verdachte heeft aangegeven bij de Douane en door de Douane bij hem zijn aangetroffen, afkomstig zouden zijn uit betalingen voor het gebruik van versleutelde berichtendienstverlening, versterkt slechts het vermoeden van de criminele herkomst van deze bedragen, nu het van algemene bekendheid is dat vooral in het criminele circuit van dergelijke dienstverlening gebruik wordt gemaakt en overigens in bonafide gevallen doorgaans niet in contanten wordt betaald voor telecomdiensten. De verklaring van [getuige] bevat geen objectieve of controleerbare gegevens op basis waarvan het openbaar ministerie gehouden was nader onderzoek te verrichten;
- de strafmotivering van de rechtbank vervangt door de onderstaande.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van voorarrest. Volgens de advocaat-generaal doen de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude geen recht aan de ernst van het ten laste gelegde feit. De door het openbaar ministerie ontwikkelde ‘Richtlijn voor Strafvordering Witwassen’ zijn volgens hem voor deze situatie beter geschikt voor de bepaling van de hoogte van de straf.
De raadsman heeft het hof verzocht om – indien het tot een bewezenverklaring komt – rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de zware detentieomstandigheden tijdens de coronapandemie en de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft het hof ook verzocht acht te slaan op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De raadsman heeft verzocht ten hoogste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van grote contante geldbedragen. Witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer. Het is daarmee een bedreiging voor de samenleving. Witwassen bevordert bovendien het plegen van delicten, omdat door het wegsluizen van crimineel geld en/of het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden de opsporing van de onderliggende misdrijven wordt bemoeilijkt. Zonder witwassen zou het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zijn. Het kan niet anders dan dat de verdachte zich bij dit alles heeft laten drijven door het financiële voordeel dat hij hiermee wilde behalen.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een benadelingsbedrag tussen de € 250.000,- en € 500.000,- geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden. De LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude geven het hof (uiteraard) de vrijheid om strafverhogende of strafverminderende omstandigheden bij een straftoemeting te betrekken. Het standpunt van de advocaat-generaal dat de LOVS-oriëntatiepunten inzake fraude geen geschikt handvat bieden voor de straftoemeting bij een bewezenverklaard feit als het onderhavige, volgt het hof niet.
Het hof neemt in dit geval de volgende strafverhogende omstandigheden in aanmerking. De verdachte heeft van het witwassen een gewoonte gemaakt en heeft gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking met anderen. Verder heeft het handelen van de verdachte een professioneel en internationaal karakter gehad. Daarom ziet het hof redenen voor een hogere gevangenisstraf dan het hiervoor vermelde uitgangspunt van 12 tot 18 maanden.
Gelet op het voorgaande acht het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om een andere of lagere straf op te leggen.
Redelijke termijn
Het hof houdt bij het opleggen van de straf rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 9 februari 2021 en het hof doet uitspraak op 30 oktober 2025. De redelijke termijn is tijdens de procedure bij het hof overschreden met ruim twee jaren en acht maanden. Deze overschrijding wordt gecompenseerd doordat het hof twee maanden in mindering zal brengen op de op te leggen gevangenisstraf.
Dat betekent dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.P.M. van Rijn en mr. W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 oktober 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[......]