[appellant] ,
gevestigd te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. A. de Wijs te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
gevestigd te [plaats] ,
advocaat: mr. M.H.J. van Rest te Amsterdam,
[geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats] ,
advocaat: mr. M.H.J. van Rest te Amsterdam,
[geïntimeerde 3] ,
gevestigd te [plaats] ,
advocaat: mr. M.N. van Dam te Amsterdam,
geïntimeerden.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk als geïntimeerden aangeduid en afzonderlijk worden zij [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.C. Bosch - voorzitter
mr. J.W.M. Tromp - raadsheer
mr. L. Alwin - raadsheer
T.P.A. van der Zande - griffier
Verschenen zijn:
aan de zijde van appellante:
- mr. De Wijs voornoemd, en mrs. P.J.S. de Jong-van den Bogaard en A.A.H.J. Huizing,
advocaten te Amsterdam,
aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] :
- mr. Van Rest voornoemd, en mr. K.F. Liew, advocaat te Amsterdam,
aan de zijde van [geïntimeerde 3] :
- mr. Van Dam voornoemd, en mrs. I.H. Top en P. Boonstra, advocaten te Amsterdam.
Het geding in hoger beroep
Bij vonnis van 27 oktober 2025 (hierna: het bestreden vonnis), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en geïntimeerden als gedaagden, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.
[appellant] is bij appeldagvaarding van 17 november 2025 in hoger beroep gekomen tegen het bestreden vonnis. De appeldagvaarding, met producties, bevat de grieven tegen het bestreden vonnis. Daarna zijn de volgende processtukken ingediend:
Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025 hebben de advocaten het woord gevoerd, allen aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd aan het hof. Zij hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord. Het door geïntimeerden opgeworpen bezwaar tegen eiswijziging en producties van [appellant] is afgewezen.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergeven.
Beoordeling
Het hof gaat uit van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten en neemt deze over, met uitzondering van de laatste zin van het 3e punt van r.o. 2.10.
1. Geïntimeerden betwisten dat (spoedeisend) belang bestaat bij de door [appellant] gevraagde voorzieningen. Het hof onderschrijft dit. [appellant] streeft een openbare veiling of een afwikkeling in faillissement na. Onvoldoende aannemelijk is dat de aandelen in [bedrijf] een zodanige opbrengst kunnen genereren dat de vordering van [appellant] daar geheel of gedeeltelijk uit kan worden voldaan, gelet op hetgeen over en weer is gesteld en verklaard ter zitting in hoger beroep. Daarbij acht het hof in bijzonder van belang dat BDO de onderneming van [bedrijf] heeft gewaardeerd op een negatieve waarde van circa anderhalf miljoen dollar. Zelfs als deze waardering niet als juist zou kunnen worden aanvaard, zijn er onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd door [appellant] dat de waarde van de aandelen de omvang van de schulden van [bedrijf] in die mate overstijgt dat [appellant] op enige uitkering kan rekenen. [appellant] heeft voorts toegelicht dat zij transparantie nastreeft en “aan tafel wil” bij de gesprekken over de voorgenomen aandelentransactie. Dat op zichzelf is onvoldoende.
2. Bij deze uitkomst heeft [appellant] geen belang bij de door haar ingestelde vorderingen in het incident op grond van artikel 195 Rv.
3. Aparte bespreking van de grieven is niet nodig. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. De gewijzigde vorderingen in de hoofdzaak en de vorderingen in het incident worden afgewezen.
4. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Van misbruik van recht is geen sprake, zodat geen grond is voor de door [geïntimeerde 3] gevraagde veroordeling in de werkelijke proceskosten. Het hof begroot de kosten zoals hierna vermeld onder de beslissing.
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
wijst af het meer of anders gevorderde in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident, aan de zijde van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] begroot op € 827,- aan verschotten en € 2.428,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident, aan de zijde van [geïntimeerde 3] begroot op € 827,- aan verschotten en € 2.428,- aan salaris advocaat, alsmede tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform artikel 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.
------------------------------
voorzitter