ECLI:NL:GHAMS:2025:3680

ECLI:NL:GHAMS:2025:3680

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 13-11-2025
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 24/3083 tot en met 24/3086
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2024:7331

Samenvatting

Navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2017; sprake van een bron van inkomen?; handel in qat en hawala-diensten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/3083 tot en met 24/3086

13 november 2025

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering)

tegen de uitspraak van 6 maart 2024 in de zaak met kenmerken HAA 23/66 tot en met HAA 23/69 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.689. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 1.265.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 23.968. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 208.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.692. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 986.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 25.174. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 148.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.099. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 905.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 33.469. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 149.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.992. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 333.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 26.947. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 60.

De tegen de bovenstaande navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2022 ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 maart 2024 het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Beslissing

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 3.000; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 328,13.”

Belanghebbende heeft op 15 april 2024 hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“Feiten

1. Eiser was volgens de basisregistratie persoonsgegeven (BRP) in de onderhavige jaren woonachtig in [Z] (tot 11 juni 2014) en in [Y] . Eiser had in de onderhavige jaren een fiscaal partner en heeft zes kinderen. Eiser en zijn fiscaal partner genoten over de onderhavige jaren uitkeringen van een gemeente.

2. Eiser is voor alle onderhavige jaren niet uitgenodigd tot het doen van aangifte.

Aanslag 2016

3. Eiser heeft op 11 maart 2017 een aangifte IB/PVV 2016 ingediend en daarbij een verzamelinkomen van € 9.630 aangegeven, bestaande uit een uitkering van de gemeente [W] .

4. Eiser heeft op 17 maart 2019 een aangifte IB/PVV 2017 ingediend en daarbij een verzamelinkomen van € 9.045 aangegeven, bestaande uit een bijstandsuitkering verminderd met aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten.

5. Verweerder heeft op 6 mei 2017 een definitieve aanslag IB/PVV 2016 en op

14 mei 2019 een definitieve aanslag IB/PVV 2017 overeenkomstig de aangiften opgelegd.

Strafonderzoek

6. Eiser was onderwerp van een onderzoek door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). Proces-verbalen van dit onderzoek behoren tot de gedingstukken. Onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek was een doorzoeking van het huis van eiser op 14 februari 2018 en het tappen van telefoongesprekken tussen 16 november 2017 en 13 december 2017 en van 19 januari 2018 tot en met 15 februari 2018. Tijdens de doorzoeking is 1,81 kilogram qat aangetroffen.

7. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal met dagtekening 26 juni 2014 van een aangifte van een aangever ( [A] ) tegen eiser wegens verduistering. In de aangifte stelt [A] dat eiser handelt in qat. [A] heeft op 20 februari 2018 in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een getuigenverklaring afgelegd. In deze verklaring staat dat [A] ten tijde van het doen van de aangifte reeds twee jaar klant was van eiser.

8. Tot de gedingstukken behoort een vonnis van rechtbank Rotterdam van 1 juni 2021, waarin eiser veroordeeld is voor het handelen in qat over de periode van 1 juli 2017 tot en met 13 februari 2018 en voor het uitvoeren van geldtransfers zonder vergunning over de periode van 1 oktober 2015 tot en met 14 februari 2018. Eiser is niet tegen dit vonnis in beroep gegaan. De officier van justitie heeft wel hoger beroep ingesteld, waarna eiser door gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor terrorismefinanciering wegens het (direct of indirect) doen van diverse geldbetalingen aan [B] in [land] , onder andere in verband met de invoer van machines.

Navorderingsaanslagen en bezwaarfase

9. Verweerder heeft met dagtekening 23 april 2019 een voornemen tot het opleggen van navorderingsaanslagen voor de belastingjaren 2014 tot en met 2017 naar eiser verstuurd. Eiser heeft bij brieven van 6 mei en 17 mei 2019 gereageerd en aangegeven het niet eens te zijn met het voornemen.

10. Verweerder heeft met dagtekening 12 juni 2019 navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 tot en met 2017 opgelegd. Eiser is tegen deze navorderingsaanslagen in bezwaar gegaan.

11. Eiser heeft op 16 september 2019 (nogmaals) een aangiftebiljet ingediend voor de IB/PVV 2015 en daarbij een verzamelinkomen van € 9.581 aangegeven.

12. Eiser heeft op 11 november 2019 (nogmaals) een aangiftebiljet ingediend voor de IB/PVV 2014 en daarbij een verzamelinkomen van € 11.721 aangegeven.

13. Verweerder heeft op 30 juli 2019 bezwaarformulieren tegen de navorderingsaanslagen Zvw 2014 en 2017 ontvangen.

14. Verweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2022 uitspraken op bezwaar gedaan voor de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 tot en met 2017. De navorderingsaanslagen zijn op 18 oktober 2022, per e-mailbericht aan de gemachtigde van eiser verstuurd.”

Nu partijen ter zitting van het Hof hebben bevestigd dat de hiervoor beschreven feiten juist zijn, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier het volgende aan toe.

In het proces-verbaal met dagtekening 26 juni 2014 van de aangifte van [A] tegen belanghebbende wegens verduistering (hierna: [A] ; zie onderdeel 7 van de uitspraak van de rechtbank) staat onder andere het volgende vermeld:

“Hierbij wil ik aangifte doen van verduistering van mijn paspoort en bankpas.

Afgelopen donderdag 19 juni 2014, tussen 16:00 - 17:00 uur bevond ik mij op de [adres] te [Z] . Aldaar woont [belanghebbende] (…). Hij is een dealer van Qat, hij heeft geen ander werk. Die Qat komt vanuit Engeland omdat het daar niet verboden is. Ik ben verslaafd aan Qat en [belanghebbende] is degene bij wie ik dit altijd kocht. Normaal gesproken betaal ik voor ongeveer 400 gram Qat 5 euro. Ik gebruikte dit 2 dagen per week ongeveer. Ik had enkele keren de Qat meegekregen zonder te betalen, dat geld zou ik later betalen. Ik heb hem toen mijn paspoort gegeven als onderpand/ borgsom, zodat [belanghebbende] er zeker van was dat ik het geld zou betalen.

Ik wilde afgelopen donderdag mijn paspoort en bankpas gaan terug halen en [belanghebbende] mijn restgeld betalen. [Belanghebbende] vroeg toen ineens veel meer geld per 400 gram, hij zei dat het 17 euro voor dezelfde hoeveelheid kostte. Dit betekende dat ik in plaats van 100 euro, nu 300 euro moest betalen. Ik zei dat ik dat veel te veel vond en dit niet wilde betalen.”

Tot de gedingstukken behoren de processen-verbaal uit een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd door de FIOD en waarvan belanghebbende het onderwerp van onderzoek was (zie onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank). De volgende passages hieruit zijn van belang.

Blijkens een proces-verbaal met betrekking tot de doorzoeking van het huis van belanghebbende (zie onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank) is naast de aldaar aangetroffen qat onder andere de administratie met betrekking tot qat aangetroffen. Deze bestaat uit Exceloverzichten, handgeschreven documenten en een oranje schriftje met handgeschreven aantekeningen. In een proces-verbaal met dagtekening 14 februari 2018 van een verhoor van belanghebbende als verdachte staat onder andere het volgende vermeld:

Vraag verbalisanten:

Zoals aan u voorgehouden wordt u verdacht van terrorismefinanciering, qat-handel en

bijstandsfraude. Wat is uw reactie op deze verdenking?

Antwoord gehoorde:

lk kauw Qat, maar ik handel er niet in. lk ben persoonlijk tegen alles wat met terrorisme te maken heeft. Om die reden ben ik ook naar dit land gekomen, voor de veiligheid. lk heb geen contacten met een terroristische organisatie. lk ben getrouwd, zes kinderen, mijn vrouw en ik hebben een bijstandsuitkering. Het geld waar wij recht op hebben ontvangen wij van de gemeente. Het geld dat wij ontvangen krijgen wij binnen op onze bankrekening.

(…)

Vraag verbalisanten:

Waar bestaat het gezinsinkomen uit?

Antwoord gehoorde:

We krijgen een gezinsuitkering van de gemeente op de bankrekening. Ook krijgen we toeslagen van de Belastingdienst. We krijgen van de gemeente 1220 euro op de rekening, daarnaast zorg- en huurtoeslag. De huurtoeslag is 310 euro per maand en de zorgtoeslag is 170 euro per maand. Daarnaast krijgen we een kindgebonden budget van 260 euro per maand.

Vraag verbalisanten:

Waar geeft u het gezinsinkomen aan uit?

Antwoord gehoorde:

722 euro besteden we aan huur, 63 euro aan elektriciteit en gas, 153 aan zorgverzekering voor mijn vrouw, 118 voor mijn eigen zorgverzekering 30 euro voor internet, en aan woonverzekering 12 euro per maand. Het eigen risico van de zorgverzekering wordt automatisch via de sociale dienst van de bijstandsuitkering overgemaakt naar Zilveren kruis.

(…)

Opmerking verbalisanten:

Uit de opgenomen tapgesprekken is naar voren gekomen dat u naast de handel en verhuur van

machines ook geld verdient met de handel in qat/garaba.

In een telefoongesprek dat u op 20 januari 2018 (sessie 35) heeft gevoerd, geeft u aan dat u 1.000 euro netto winst gaat maken op een partij Garaba(Qat).

In een telefoongesprek dat u heeft gevoerd op 12 februari 2018 (sessie 2936), geeft u aan dat u in een magazijn in Amsterdam nog 100 zakjes qat heeft liggen.

Vraag verbalisanten:

Vorenstaande telefoongesprekken maken duidelijk dat u in qat handelt. Hoe lang handelt u al in qat?

Antwoord gehoorde:

Komt mij niet bekend voor. lk kauw qat, maar ik handel niet in qat.

Vraag verbalisanten:

Op 23 juni 2014 is er aangifte tegen u gedaan door [A] , In deze aangifte staat dat [X] dealer is van qat en woonachtig is op het adres [adres] te [Z] wat is daarop uw reactie?

Antwoord gehoorde:

lk handel niet in qat. Iemand heeft qat naar ons gebracht, wij wilden samen gaan kauwen. Wij kregen toen ruzie. Iemand uit Engeland heeft qat naar ons gebracht, daar was qat toen legaal. Ik woonde toen inderdaad op de [adres] te [Z] . (…)”

Het strafrechtelijk onderzoek bevat een naar het Nederlands vertaalde weergave van een getapt telefoongesprek van de echtgenote van belanghebbende, [C] . In het gesprek dat plaatsvond op 14 februari 2018 kort na de doorzoeking van de woning van belanghebbende waarbij 1,81 kg qat in beslag werd genomen (zie onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank), zegt de echtgenote onder andere het volgende over belanghebbende:

“hij verkocht een beetje qat en hij is verklikt”

"ze hebben niet veel qat gevonden, klein beetje wat hij kan zeggen dat hij aan het gebruiken

is..."

"er wordt wat blaadjes gekauwd dat had hij moeten zeggen, want de blaadjes liggen wel in huis hij heeft het gisterenavond gebracht, niet veel maar 2 kg, [X] was die gisteravond in een zakje aan het doen en Alah weet dat ik ook mee aan het vullen was van die zakjes ben naar de buurvrouw geweest om te helpen. 2 kg had hij moeten zeggen ik at het, 1 kg per x ik en mijn vrouw kauwen qat als hij dat gezegd had dan is het goed zo kun je ook ontkomen.”

In het proces-verbaal met dagtekening 20 februari 2018 van de getuigenverklaring van [A] (zie onderdeel 7 van de uitspraak van de rechtbank) staat onder andere het volgende vermeld:

Vraag verbalisanten:

Hoe bent u in contact gekomen met deze man [Hof: belanghebbende]?

Antwoord gehoorde:

“Ik was verslaafd aan qat. [Belanghebbende] verkocht qat, dus ik was zijn klant. Drie

jaar geleden ben ik gestopt met qat[.]”

(…)

Ik was 2 jaar klant van hem [Hof: belanghebbende]. Er was een kleine ruzie. Hij kreeg geld van mij en als onderpand nam hij mijn paspoort en bankpas. lk had € 300 qat gekocht van hem en wilde dit later betalen. Toen wilde ineens extra geld, dat vond ik ten onrechte. Hij wilde volgens mij € 280 extra hebben ineens. Hij zei dat ik mijn paspoort en bankpas niet kreeg als ik dat niet zou betalen. Dat was de reden dat ik aangifte deed.

(…)

lk kocht al 2 jaar vanaf de aangiftedatum qat bij hem.

(…)

lk betaalde contant voor de qat, aan het einde van de maand. Hij schreef in een kleine

boekje hoeveel stuks iemand meegenomen had. Dit was de gebruikelijke manier, de

meeste mensen betaalden achteraf.”

Tot de stukken van het geding behoort voorts een proces-verbaal met dagtekening 20 februari 2018 van een getuigenverklaring van [D] . Hierin staat onder andere het volgende vermeld:

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u over uzelf vertellen?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben een beetje gespannen. lk weet niet waarom u bij mij bent gekomen.

lk woon sinds oktober 2008 in Nederland. lk ben vanwege de oorlog in [land] naar Nederland gekomen. lk wilde in een veilige land wonen, ik wil mijn kinderen een veilige toekomst geven.

lk heb geen werk, ik ben huismoeder, ik verzorg mijn kinderen en ga naar school.

Mijn familie woont in [land] , niet in Nederland."

Mededeling verbalisanten

Wij tonen u een foto. [Hof: van belanghebbende]

Vraag verbalisanten

Herkent u de man op deze foto?

Antwoord gehoorde

"Ja ik herken hem. Dit is een man die regelmatig contact heeft met mijn man, hij komt soms wel in mijn wijk. lk groet hem dan ook wel. Hij woonde eerst in [Z] , nu woont hij in [Y] . lk weet niet hoe hij echt heet, maar hij is kaal, dus wij noemen hem [X] , dat staat voor 'de kale'."

Vraag verbalisanten:

Hoe bent u in contact gekomen met deze man?

Antwoord gehoorde

"Ik weet niet wanneer ik hem voor het eerst heb gezien, maar er is een ontmoetingshuis

die hier in de buurt staat. Hij belt ons soms om te vragen hoe het met ons gaat.

(…)

Mededeling verbalisanten:

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [belanghebbende] vermoedelijk qat verkoopt of verkocht heeft.

Uit een opgenomen telefoongesprekgesprek van 24 januari 2018 komt naar voren dat u 574 plus 2 Garabe (qat) moest betalen aan [belanghebbende].

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u over de garabe of qat vertellen?

Antwoord gehoorde:

"Ik kauw zelf geen qat. Mijn man kauwt ook geen qat.

[Belanghebbende] krijgt geld van mij dat wel. Maar die qat is niet voor mij, niet voor eigen gebruik. Als we visite hebben, dan willen die mensen misschien qat hebben. 1k ben een beetje

voorzichtig in wat ik moet zeggen, dus ik wil hier liever niets over zeggen."

Mededeling verbalisanten:

In het hiervoor genoemde telefoongesprek, dat door onze tolken is vertaald, zegt [belanghebbende] dat hij 574 plus 2 Garabe (qat) is 594 van u krijgt.

Vraag verbalisanten

Bood [belanghebbende] ook Hawala diensten aan?

Antwoord gehoorde

"Ja hij biedt hawala diensten aan. Wij nemen sinds 2017 deze dienst af. (…) Bij [belanghebbende] betaal ik 5 % per opdracht. Dus bijvoorbeeld als ik € 200 wil overmaken, dan ben ik € 10 verschuldigd aan hem.”

Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal met dagtekening 29 maart 2018 van een getuigenverklaring van [E] . Hierin staat onder andere het volgende vermeld:

Vraag verbalisanten

Hoe lang werkt u samen met [belanghebbende] ter zake van de hawala activiteiten?

Antwoord gehoorde

"1k denk dat ik dit al 2,5 jaar doe voor hem. lk wilde geld naar mijn moeder sturen en zo

kwam ik bij hem terecht. Op dat moment liepen de hawala activiteiten dus al. lk denk dat er

iets meer dan een half jaar tussen zat dat ik hem voor het eerst benaderde voor de hawala

overboeking en dat ik de administratie deed.

De bedragen fluctueerden over de afgelopen jaren niet veel."”

Tot de stukken van het geding behoort voorts een proces-verbaal met dagtekening 29 november 2018 van een getuigenverklaring van [F] (hierna: [F] ). Hierin staat onder andere het volgende vermeld:

Mededeling verbalisanten

Wij tonen u een foto. [Hof: van belanghebbende]

Vraag verbalisanten

Herkent u de man op deze foto?

Antwoord gehoorde

"Dat is [X] [Hof: belanghebbende]. Hij woonde daar in [Z] , en [land] mensen kennen elkaar. Het is een hechte gemeenschap. We doen veel dingen samen. De [land] gemeenschap is niet een hele grote club. In [Z] kennen ze elkaar allemaal. Het is niet zo dat we de [land] in Amsterdam West ook kennen. Zo ken ik bijvoorbeeld hier in Haarlem ook geen [land] .

[X] krijgt een uitkering denk ik. lk weet niet waar hij werkt. lk zie hem niet dagelijks. Hij woont nu in [Y] , ik zie hem 1 a 2 keer in de maand. Toen hij in [Z] woonde zag ik hem 1 a 2 keer per week. lk weet verder dat [X] een vrouw heeft, maar ik weet niet hoeveel kinderen hij heeft.

We bellen met elkaar dat is wel makkelijk. lk weet niet hoe vaak ik hem bel.

We zijn kennissen, geen vrienden. lk heb geen vrienden, alleen familie en kennissen.”

(…)

Mededeling verbalisanten:

Op 5 februari 2018 belde [belanghebbende]. Met een persoon die hij aansprak met [F] op het telefoonnummer (…). Bij het raadplegen van de telecomprovider komt naar voren dat dit telefoonnummer geregistreerd staat op (…).

In dit gesprek zei [belanghebbende]:

“ [G] krijgt van mij 7.200 nog. lk heb een machine gekocht.

Mijn deel is 3000 ook een andere machine die ik heb gekocht. Hij krijgt dus 7.200 van mij. Ik heb mijn oom gebeld en 9.000 van hem ontvangen. 6.000 heb ik aan (…) uit [plaatsnaam] gegeven naar [land 2] voor haar verzonden. lk krijg het hier dan..."

[G] van [H] verklaarde op 14 februari 2018 aan de FIOD dat [belanghebbende] op 8 februari 7.000 heeft betaald aan hem.

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ik ken de naam [G] . Dat is iemand die landbouw machines verkocht. lk ken hem van

[belanghebbende]. lk ben als tolk opgetreden voor [belanghebbende] met [G] . [Belanghebbende] wou de machines kopen en exporteren. lk herinner me geen bedragen. lk weet niet wat [belanghebbende] exact in [land] doet. lk ben een paar keer met [belanghebbende] naar [G] geweest. lk denk wel dat er al machines zijn geëxporteerd naar [land] . lk weet niet hoeveel machines [belanghebbende] in [land] heeft.

(…)

Ik wil graag het volgende nog zeggen over [belanghebbende]. Deze meneer heb ik leren kennen in 2016. Wij kauwden qat samen. In 2017 zag ik dat hij zeer actief was in de landbouwmachines. (…)

Mededeling verbalisanten

Op 14 februari 2018 werd een SMS gestuurd van telefoonnummer […] naar

[belanghebbende]. Hierin staat:

"Sturen op 1200 [I] in Londen haar nummer is […]"

Vraag verbalisanten

Waarom vraagt u [belanghebbende] 1.200 te sturen naar [I] in Londen?

Antwoord gehoorde

"Dit is hawala. Dat is geld voor mijn zus in Londen. Mijn zus had geld geleend van iemand, 900 Britse ponden. lk vroeg [X] om 1.200 Amerikaanse Dollar te sturen naar Londen. Dit is niet uitgevoerd uiteindelijk, omdat hij is opgepakt door u.

Hawala werkt zo, je geeft opdracht om geld te versturen en dan betaal je dat achteraf eventueel in termijnen terug. Dat is ook de reden dat ik dit via [X] doe.

(…)

lk heb eerder, 2 of 3 keer, geld via [X] verzonden. De andere keren dat het wel

doorging gaat het als volgt, ik bel of SMS met het verzoek geld over te maken. lk betaal

dan nooit meteen, dat gaat later. Als je nu niet geld hebt, doe je het via [X] . Hij voert

de opdracht uit en maakt contact met de mensen daar. De mensen daar die bellen de

ontvangende partij op. lk krijg bericht van de familie als ze het geld daar hebben

opgehaald. U vraagt of ik met iemand anders dan [X] contact heb in dit hele traject,

nee dat heb ik niet.

U vraagt hoe [X] geld in [land] krijgt, als hij hier geld voor hawala ontvangt. Hij

koopt hier machines en die machines gaan dan naar [land] toe."”

Tot de stukken van het geding behoren voorts afschriften van alle transacties die hebben plaatsgevonden van de bankrekening van belanghebbende met nummer [nummer] . Hierop zijn onder andere zichtbaar ontvangsten van Belastingdienst (toeslagen) en van de dienst werk en inkomen Amsterdam en uitgaven aan Woningstichting eigen haard (met omschrijving ‘incasso huur’), aan OHRA Zorgverzekeringen, aan N.V. Univé Zorg (met omschrijving ‘zorgverzekeraar’), aan NUON en aan KPN B.V.

In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank staat onder andere het volgende vermeld:

“Eiser verduidelijkt zijn standpunt inzake de hawala en geeft aan dat niet is deelgenomen aan

het economisch verkeer omdat de overboekingen voor familie zijn gedaan. Volgens eiser is

sprake van een grote familie die voor elkaar zorgt.

(…)

Eiser geeft aan dat [A] een vriend is en verduidelijkt dat hij qat in bezit had voor

eigen gebruik en voor vrienden en familie maar dat geen sprake is van handel.

(…)

Eiser benadrukt dat hij wel qat heeft geconsumeerd maar nooit erin heeft gehandeld.”

Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende onder andere het volgende verklaard:

“U houdt mij voor dat belanghebbende weliswaar erkent dat hij vanaf 2012 en dus ook in de jaren waarop de aanslagen zien qat heeft verkocht. Dat klopt, maar belanghebbende stelt nu juist dat hij dit voor rekening van [A] deed en niet voor eigen rekening. [A] gaf hem als wederprestatie slechts wat qat voor eigen gebruik.”

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2017 terecht zijn opgelegd en niet te hoog zijn. Tevens verzoekt belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn zaak.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:

Beoordeling van het geschil

Vooraf

19. Verweerder stelt zich in de beroepsfase, in tegenstelling tot de bezwaarfase, op het standpunt dat geen omkering en verzwaring van de bewijslast moet plaatsvinden omdat eiser voor de onderhavige jaren niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Gelet hierop is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat sprake is van een bron van inkomen en de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

20. Nu eiser strafrechtelijk is veroordeeld ziet rechtbank aanleiding om te overwegen dat het aan de belastingrechter is om een eigen oordeel te vellen over de voorliggende feiten en dat de belastingrechter daarbij niet gebonden is aan het oordeel van de strafrechter (vgl. Hoge Raad 10 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2713, BNB 1999/209 en Hoge Raad

16 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1946, BNB 1996/286).

Bron van inkomen

21. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie een activiteit als bron van inkomen voor de inkomstenbelasting aan te merken is als de belanghebbende met de betreffende activiteiten (i) deelneemt aan het economisch verkeer, (ii) het oogmerk heeft voordeel te behalenen en (iii) redelijkerwijs voordeel kan verwachten vgl. Hoge Raad,

14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770 en Hoge Raad, 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763).

22. Allereerst zal de rechtbank zich uitlaten over de stelling van verweerder dat eiser heeft gehandeld in qat en dat dit een bron van inkomen vormt voor hem.

23. Verweerder heeft de volgende bedragen aan inkomsten uit de handel in qat in aanmerking genomen: € 23.968 (2014), € 23.968 (2015), € 28.777 (2016) en € 19.159 (2017). Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet (zelf) handelde in qat maar dat hij als tussenpersoon handelde voor [A] en ook de administratie voor hem bijhield. Eiser stelt dat hij geld kreeg van [A] om qat in te kopen, vervolgens de qat verkocht en de opbrengsten aan [A] gaf. Eiser kreeg in ruil hiervoor qat voor eigen gebruik.

24. De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat eiser werkzaamheden heeft verricht in het kader van qat-handel die voor hem kwalificeren als bron van inkomen. De rechtbank acht de door eiser gegeven verklaringen niet geloofwaardig. Eiser stelt namens [A] te hebben gehandeld en alle opbrengsten van de handel aan hem te hebben afgestaan. Eiser heeft zijn standpunt echter niet onderbouwd en het dossier biedt geen aanknopingspunten om te concluderen dat de opbrengsten van de handel zijn afgedragen aan [A] . Het dossier bevat daarentegen wel aanwijzingen dat [A] niet als opdrachtgever optrad maar een klant was van eiser. De rechtbank hecht waarde aan de aangifte die door [A] reeds op 26 juni 2014 is ingediend tegen eiser en zijn getuigenverklaring in het strafrechtelijk onderzoek. Ook maken de overige bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek, zoals de tapgesprekken, getuigenverklaringen en de aangetroffen (uitgebreide) administratie en grote hoeveelheid qat, naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser zich bezig hield met de handel in qat. Eisers stelling dat sprake was van hobbymatig gebruik van qat en dat hij daarom qat in huis had, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet aannemelijk. Daarnaast kan de blote stelling van eiser dat sprake was van leningen, naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden.

25. De rechtbank overweegt dat de strafrechtelijke veroordeling slechts ziet op de periode juli 2017 tot februari 2018 terwijl in de onderhavige zaken belastingjaren 2014 tot en met 2017 voorliggen. De rechtbank acht echter aannemelijk dat eiser in alle onderhavige jaren zich heeft beziggehouden met de handel in qat. Het dossier bevat met de bevindingen uit het strafonderzoek, waaronder de tapgesprekken en de gevonden administratie, voldoende aanwijzingen dat in 2016 en 2017 door eiser is gehandeld in qat. De rechtbank acht het op grond van de aangifte en getuigenverklaring van [A] aannemelijk dat eiser in 2014 en de twee jaar daarvoor eveneens handelde in qat. Gelet op dit patroon van handelen in qat acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat eiser in 2015 is gestopt met de handel in qat en is naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende aannemelijk dat eiser ook in 2015 heeft gehandeld.

26. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de handel in qat heeft deelgenomen aan het economisch verkeer. Eiser ontkent bovendien niet dat hij gehandeld heeft. Het oogmerk om voordeel te behalen blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de tapgesprekken. Met de handel in drugs valt, zoals algemeen bekend is, veel geld te verdienen, zodoende was met de handel ook redelijkerwijs voordeel te verwachten.

Hawala-diensten

27. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met verlenen van financiële diensten, bestaande uit het voorzien in ondergronds bankieren, inkomsten heeft genoten in de belastingjaren 2015, 2016 en 2017. Verweerder heeft voor 2015 € 1.206 aan inkomsten in aanmerking genomen en voor 2016 € 4.692 en voor 2017 € 7.788. Volgens verweerder rekende eiser een commissie van ongeveer 5% per euro, dit is gebaseerd op een getuigenverklaring.

28. Eiser stelt dat de diensten zijn verricht voor familie en dat daarom geen sprake is van deelname aan het economisch verkeer. De commissie die werd gerekend diende ter afdekking van het door hem gelopen risico.

29. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat eiser in de jaren 2015, 2016 en 2017 inkomsten heeft genoten uit ondergrondsbankieren. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op de tijdens de huiszoeking aangetroffen (uitvoerige) administratie, de tapgesprekken en getuigenverklaringen. De rechtbank hecht er daarbij grote waarde aan dat hetgeen tijdens de tapgesprekken is besproken (deels) zijn weerslag vindt in de bij eiser aangetroffen administratie en dat de vrouw van eiser in een getapt telefoongesprek na de huiszoeking zegt dat “alle papieren van de Hawala” zijn meegenomen. De rechtbank acht de verklaring van eiser dat hij slechts betalingen deed voor, en aan, familie niet geloofwaardig gelet op de grote hoeveelheid transacties en het grote aantal verschillende namen dat in de administratie voorkomt. Tevens kan de rechtbank het rekenen van een commissie niet met het standpunt van eiser rijmen. Eiser heeft ter zitting, desgevraagd, niet kunnen toelichten ter afdekking van welk risico de commissie gerekend werd.

30. Met het verrichten van geldtransacties voor derden wordt deelgenomen aan het economisch verkeer en aangezien een commissie is gerekend is tevens voordeel beoogd. Met het verrichten van betalingen tegen een commissie valt ook redelijkerwijs voordeel te verwachten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom aan alle vereisten voor een bron van inkomen voldaan.

Hoogte van het inkomen

31. Verweerder heeft op basis van de administratie van eiser het resultaat uit de qat-handel over 2017 en de maanden juli 2016 tot en met december 2016 vastgesteld. De gegevens uit de administratie heeft verweerder vervolgens gebruikt om door middel van extrapolatie te komen tot een inkomen over 2014, 2015 en het eerste halfjaar van 2016. Verweerder heeft daarbij inkoopkosten in aftrek gebracht. De inkomsten uit hawala-diensten heeft verweerder op basis van de aangetroffen administratie vastgesteld op € 1.206 in 2015, € 4.692 in 2016 en € 7.788 in 2017. In beroep stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser in 2016 en 2017 ook inkomsten heeft genoten uit het kopen van (landbouw)machines in Nederland, het exporteren van de machines naar [land] en ze aldaar te verhuren. De inkomsten uit deze werkzaamheden schat verweerder op € 54.490 voor de jaren 2016 en 2017 tezamen. Deze inkomsten heeft verweerder niet in aanmerking genomen bij het opleggen van de navorderingsaanslagen. Zo nodig beroept verweerder zich op interne compensatie.

32. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen niet te hoog zijn vastgesteld en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank acht de schatting van de inkomsten uit de qat-handel op basis van extrapolatie aannemelijk, evenals de schatting van de inkomsten uit de hawala-diensten op basis van de aangetroffen administratie. Het weegt voor de rechtbank zwaar dat de schattingen gebaseerd zijn op de door eiser bijgehouden administratie. De rechtbank merkt op dat tot de gedingstukken facturen behoren voor de aankoop van (landbouw)machines voor een bedrag van in totaal € 119.100 en dat deze facturen met cashbetalingen zijn voldaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser deze contante bedragen voorhanden had wegens zijn handel in qat en door hem verrichtte hawala-diensten. Eisers stelling dat hij deze bedragen heeft ontvangen van een derde, heeft eiser niet onderbouwd. Bovendien acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser uit de exploitatie van de machines inkomen heeft genoten in 2016 en 2017, dit oordeel vindt ondersteuning in de inhoud van de tapgesprekken en getuigenverklaringen. De rechtbank merkt eveneens op dat in eisers bankafschrijvingen nauwelijks girale betalingen te vinden zijn voor boodschappen en andere vaste lasten voor eiser en zijn kinderen. Desgevraagd kon eiser ter zitting niet verduidelijken met welke middelen hij deze uitgaven deed. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld.

33. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding van immateriële schade

34. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep.

35. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.

36. De berechting van deze zaken is aangevangen met de ontvangst van het eerst ontvangen bezwaarschrift door verweerder op 26 juni 2019 (vgl. Hoge Raad

13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3289 en Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154) en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op

6 maart 2024. De redelijke termijn is overschreden met afgerond 33 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 3.000. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar is gehanteerd.

37. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase, aangezien de rechtbank binnen anderhalf jaar na ontvangst van het beroepschrift uitspraak doet.

38. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.000.

Proceskosten

39. Eiser komt in aanmerking voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 328,13 (1 punt voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 875, en een wegingsfactor van 0,25, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, en een wegingsfactor 1,5 vanwege vier samenhangende zaken).

Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.1).

40. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2, zal de vergoeding van dit bedrag volledig moeten plaatsvinden door verweerder.

41. Er bestaat geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Op het verzoek tot vergoeding van immateriële schade is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Awb van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd (vgl. CRvB 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102 en Hof Amsterdam 12 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3068).”

5. Beoordeling van het geschil

Standpunten partijen

Evenals in eerste aanleg verklaart belanghebbende in hoger beroep dat hij niet (voor eigen rekening) handelde in qat maar qat verkocht voor rekening van en als vriendendienst voor [A] en ook de administratie voor [A] bijhield. Daarnaast verklaart hij dat hij geld van [A] kreeg om qat in te kopen, vervolgens de qat verkocht en de opbrengsten aan [A] gaf. [A] gaf belanghebbende als wederprestatie qat voor eigen consumptie. Voorts wijst belanghebbende erop dat de stukken die de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, slechts zien op de periode van juli 2017 tot februari 2018, dit terwijl in de onderhavige zaken de belastingjaren 2014 tot en met 2017 voorliggen. Belanghebbende acht het niet aannemelijk dat hij in die belastingjaren zich heeft beziggehouden met de handel in qat. De rechtbank heeft ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat op grond van de bevindingen uit het strafonderzoek aannemelijk is dat belanghebbende heeft gehandeld in qat, in het bijzonder in de belastingjaren waarnaar is geëxtrapoleerd. Belanghebbende concludeert dat geen sprake is van een bron van inkomen daar hij namens [A] handelde en er voor hem geen subjectief oogmerk was om voordeel te behalen.

Met betrekking tot de hawala-activiteiten betwist belanghebbende eveneens dat dit een bron van inkomen was. Hij stelt dat hij in 2016 en 2017 alleen voor familie geld heeft verstuurd, zodat hij niet deelnam aan het economisch verkeer. Voorts stelt belanghebbende dat hij een vergoeding (commissie) rekende voor [A] en dat dit diende ter afdekking van risico en kosten van [A] .

Belanghebbende is van mening dat de rechtbank de schatting van de inkomsten uit de qat-handel en de hawala-diensten ten onrechte aannemelijk heeft geacht. Hij verzet zich tegen de hierbij toegepaste extrapolatie en in aanmerking genomen administratie. De administratie betreft slechts aantekeningen. Belanghebbende beschikte voorts niet over contanten afkomstig uit handel; hij verleende voor [A] enkel vriendendiensten. Tot slot stelt belanghebbende dat de verklaring voor geen girale betalingen aan eten en drinken voor zijn gezin (echtgenote en zes kinderen) is gelegen in het feit dat zijn familie c.q. de gemeenschap zorgde voor eten en drinken.

De inspecteur heeft het vorenstaande gemotiveerd betwist en is van mening dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

Beoordeling Hof

Het Hof acht hetgeen de rechtbank in onderdelen 21, 24 tot en met 26, 29, 30 en 32 van haar uitspraak heeft overwogen over de qat-handel, de hawala-activiteiten en de hoogte van het inkomen juist. Het Hof neemt deze onderdelen over, maakt ze tot de zijne en voegt hier het volgende aan toe.

Handel in qat

Het Hof acht, gelijk de rechtbank, de verklaringen van belanghebbende inzake de qat-handel, te weten dat hij namens [A] heeft gehandeld en alle opbrengsten uit die handel aan [A] heeft afgestaan, ongeloofwaardig (zie hieromtrent onderdeel 24 van de uitspraak van de rechtbank). De rechtbank overweegt hiertoe dat belanghebbende deze verklaringen niet heeft onderbouwd en het dossier daartoe geen aanknopingspunten bevat. In hoger beroep is de stand van zaken niet anders. Belanghebbende heeft zijn stellingen in dezen enkel herhaald en ook nu niet onderbouwd. Het Hof ziet derhalve geen aanleiding om van het oordeel van de rechtbank af te wijken. Een oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt, in ruim voldoende mate is gemotiveerd. Voorts acht het Hof, gelijk de rechtbank, aannemelijk dat belanghebbende zich de gehele periode van 2014 tot en met 2017 heeft beziggehouden met de handel in qat (zie hieromtrent onderdeel 25 van de uitspraak van de rechtbank)t. In onderdeel 24 van de rechtbankuitspraak wordt immers verwezen naar de daaraan ten grondslag liggende documentatie uit het strafrechtelijk onderzoek jegens belanghebbende. Dit betreft de aangifte van [A] (zie 2.3), verklaringen van [A] (zie 2.7) en anderen (zie bijv. 2.8), de informatie uit de tapgesprekken (zie bijv. 2.6), de bij belanghebbende aangetroffen administratie (zie 2.5) en de grote hoeveelheid qat die bij belanghebbende is aangetroffen (zie onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank). Daar voegt het Hof nog aan toe dat de verklaringen van belanghebbende tegenstrijdigheden vertonen. Waar hij soms categorisch ontkent in qat te handelen en verklaart dat hij slechts qat voorhanden heeft voor eigen gebruik (zie 2.5 en 2.12), verklaart hij vervolgens dat hij weldegelijk qat verkoopt (zie 2.13; zij het niet voor eigen rekening), wat een verklaring zou kunnen zijn voor de passages uit de tapgesprekken, de aanwezigheid van de inbeslaggenomen grote voorraad qat en de bij belanghebbende aangetroffen administratie. Ook betoogt hij echter dat hij enkel en alleen voor rekening en risico van [A] handelt, zonder daarvan overigens een begin van bewijs te leveren. Deze wisselende en tegenstrijdige verklaringen doen naar het oordeel van het Hof verder af aan belanghebbendes geloofwaardigheid.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende met handel in qat heeft deelgenomen aan het economisch verkeer en dat hij hierbij het subjectief oogmerk heeft gehad om voordeel te behalen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt dit uit de inhoud van de tapgesprekken (zie onderdeel 26 van de uitspraak van de rechtbank), doch ook uit de aard en inhoud van de administratie en de hoogte van de inkomsten die daaruit volgen. Hierbij neemt het Hof mede in ogenschouw de sterk wisselende en tegenstrijdige verklaringen van belanghebbende, waaruit voor een belangrijk deel weldegelijk het oogmerk van het drijven van een handel en het behalen van een voordeel volgt.

Ter bepaling van zijn schattingen van het door belanghebbende met de qat-handel behaalde resultaten heeft de inspecteur enerzijds gerefereerd aan de bij belanghebbende aangetroffen administratie. Hieruit heeft hij opbrengsten en uitgaven van de handel in qat en de opbrengsten van de hawala-activiteiten gehaald. Het resultaat uit de qat-handel heeft hij berekend als het verschil tussen dit totale bedrag en het resultaat uit de hawala-activiteiten. Dit leidt hem tot een resultaat uit de qat-handel van € 28.777 voor 2016 en van € 19.159 voor 2017.

Anderzijds heeft de inspecteur het resultaat uit de qat-handel afgeleid uit de omzetten. De omzetten voor het tweede halfjaar van 2016 (de inspecteur heeft dit geëxtrapoleerd naar het eerste halfjaar) en voor 2017 heeft hij eveneens afgeleid uit de administratie van belanghebbende. Deze bedragen heeft hij vermenigvuldigd met een uit de dossierstukken afgeleide winstmarge van 0,483. De aldus berekende resultaten zijn voor 2016 nagenoeg gelijk en voor 2017 aanmerkelijk hoger dan die welke hij op basis van de opbrengsten- en uitgavengegevens heeft berekend. Vanwege de betere betrouwbaarheid van de opbrengsten- en uitgavengegevens is de inspecteur uitgegaan van de resultaten die daaruit volgen.

Ten slotte heeft de inspecteur de door hem gevonden omzetten en daaruit afgeleide totale massa qat (ongeveer 95 kg tot 130 kg per jaar) vergeleken met de inkopen die volgen uit de getapte telefoongesprekken voor kortere periodes in 2017 en 2018. Uit deze getapte gesprekken volgen overigens significant grotere omzetten. De inspecteur is niet van deze hogere omzetten uitgegaan, maar van de lagere resultaten die hij heeft bepaald aan de hand van de opbrengsten en uitgaven uit de administratie van belanghebbende.

De door de inspecteur afgeleide resultaten heeft hij geëxtrapoleerd naar 2014 en 2015 door het gemiddelde resultaat van de resultaten van 2016 en 2017 te nemen ofwel € 23.968. De noodzaak tot extrapolatie van de resultaten uit de qat-handel wordt opgeroepen door het ontbreken van een administratie voor een gedeelte van de onderhavige periode (2014 tot en met 2017). Met de bij belanghebbende aangetroffen gegevens valt slechts vanaf 1 juli 2016 een cijfermatig enigszins compleet beeld te vormen. Uit de verklaringen van [A] volgt echter dat belanghebbende reeds vanaf 2012, en dus ook in 2014 en 2015, in qat handelde (zie 2.7). Deze verklaringen stroken voorts geheel met het beeld dat uit de administratie van belanghebbende volgt ten aanzien van de hoogte van de resultaten van de wel bekende tijdvakken. De tijdvakken waarvoor wel gegevens zijn aangetroffen geven steeds een betrekkelijk constant beeld. Er zijn verder ook geen aanwijzingen gevonden waaruit kan worden opgemaakt dat dit constante beeld voor de rest van de onderhavige periode niet zou gelden. En dat is door belanghebbende overigens ook niet gesteld. Daarbij acht het Hof de administratie, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt, voldoende specifiek van aard om zich daarop te baseren. Bovendien wijst het Hof op de contante voldoening door belanghebbende van de koopprijzen van in totaal € 119.100 van (landbouw)machines (zie onderdeel 32 van de rechtbankuitspraak). Enkel een forse contante inkomstenstroom uit de qat-handel en hawala-diensten (zie hierna) zou – nu een andere verklaring ontbreekt – de herkomst van dit bedrag kunnen verklaren. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende in de gehele periode van 2014 tot en met 2017 qat heeft verhandeld. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de bankafschriften van belanghebbende voor de jaren 2014 tot en met 2017 (zie 2.11) steeds hetzelfde beeld vertonen, namelijk er zijn nauwelijks betalingen voor boodschappen voor belanghebbende en zijn gezin. De blote stelling van belanghebbende dat zijn familie uit de gemeenschap zijn gezin en hem al die tijd zou hebben onderhouden, acht het Hof bij gebrek aan enig bewijs geenszins geloofwaardig. Daarbij merkt het Hof op dat het gaat om een groot gezin bestaande uit acht gezinsleden. Het Hof overweegt tot slot dat de inspecteur het te extrapoleren resultaat uit de qat-handel steeds aan de voorzichtige kant heeft bepaald (zie 5.5.2 en 5.5.3).

Hawala-activiteiten

Uit hetgeen [D] (zie 2.8) en [F] (zie 2.10) hebben verklaard volgt dat ook ten behoeve van hen hawala-diensten door belanghebbende zijn verricht. Zij zijn beiden geen familie van belanghebbende. Dit biedt steun aan het door het Hof gevolgde oordeel van de rechtbank, dat de verklaring van belanghebbende dat hij slechts betalingen deed voor en aan familie, niet geloofwaardig is. De stelling van belanghebbende dat hij een vergoeding rekende voor [A] en dat dit diende als marge ter afdekking van risico en kosten van [A] , acht het Hof ook niet aannemelijk. Nog los van de vraag wat belanghebbende hiermee nu bedoelt te betogen (welke afspraak er tussen hem en [A] bestond), is deze stelling geenszins onderbouwd. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat sprake is van een bron van inkomen (zie onderdeel 30 van de uitspraak van de rechtbank). Wat in hoger beroep hiertegen is ingebracht, verandert dit niet.

De inkomsten uit de hawala-activiteiten heeft de inspecteur eveneens bepaald op basis van de gegevens uit de administratie van belanghebbende (zie 2.5). De Exceloverzichten betreffen zes periodes van steeds ongeveer een maand; één in 2015, één vermoedelijk in 2016 en de overige vier in 2017. De inspecteur heeft de relatie tussen deze documenten onderzocht en geconstateerd dat de daarin gevonden bedragen voor de verschillende periodes (geheel of nagenoeg geheel) met elkaar overeenstemmen. Voor 2015 heeft hij de inkomsten uit van ongeveer een maand in 2015 geëxtrapoleerd naar de periode van 1 april 2015 tot 31 december 2015 (€ 1.206). Voor 2017 heeft hij het gemiddelde bepaald van de inkomsten uit de vier periodes van dat jaar en dat geëxtrapoleerd naar het gehele jaar (€ 7.788). Voor 2016 heeft de inspecteur enerzijds de inkomstengegevens die vermoedelijk op dat jaar zien geëxtrapoleerd naar het gehele jaar. Dit leidt tot inkomsten van € 5.580. Anderzijds heeft hij het gemiddelde genomen van de periode in 2015 en van de periodes in 2017 en dat geëxtrapoleerd naar het jaar 2016 (€ 4.692). Hij is vervolgens van dit laatste, lagere bedrag uitgegaan.

Gelet op de verklaring van [E] dat de bedragen voor de hawala-activiteiten gedurende de afgelopen jaren niet veel fluctueerden (zie 2.9) acht het Hof de door de inspecteur toegepaste extrapolatie van de inkomsten daarvan gerechtvaardigd. Hoewel de omvang van hawala-handel geringer is dan die van de qat-handel neemt het Hof, net als bij de schatting inzake de qat-handel, in aanmerking de contante voldoening door belanghebbende van de koopprijzen van in totaal € 119.100 van (landbouw)machines (zie onderdeel 32 van de rechtbankuitspraak). Enkel een forse contante inkomstenstroom uit de qat-handel en hawala-diensten zou – bij afwezigheid van een alternatieve verklaring daarvoor door belanghebbende – de herkomst van dit bedrag kunnen verklaren. Voorts neemt het Hof ook hier in aanmerking hetgeen hij ten aanzien van de bankafschriften en uitgaven voor boodschappen heeft overwogen in 5.5.4.

Overig

Het Hof voegt hieraan het volgende toe. De inspecteur heeft bij het bepalen van het inkomen geen rekening gehouden met de aftrekuitsluiting voor kosten (bijv. de inkoopkosten van qat) die verband houden met de misdrijven waarvoor belanghebbende onherroepelijk veroordeeld is (zie onderdeel 8 van de uitspraak van de rechtbank, zie ook artikel 3.14, lid 1, onderdeel e, in samenhang met artikel 3.95, lid 1, Wet IB 2001). Ook heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen geen rekening gehouden met inkomen dat belanghebbende genereerde met de (landbouw)machines. De inspecteur becijfert het resultaat voor 2016 en 2017 op € 54.490 (het Hof begrijpt: € 3.150 in 2016 en € 51.340 in 2017). De inspecteur betoogt op grond van het voorgaande dat de navorderingsaanslagen 2016 en 2017 eerder (veel) te laag dan te hoog zijn vastgesteld. Voor zover nodig beroept hij zich voor deze aanslagen op interne compensatie.

Gelet op het voorgaande acht het Hof aannemelijk dat de navorderingsaanslagen en de navorderingsaanslagen Zvw terecht en niet te hoog zijn opgelegd.

Het verzoek van belanghebbende tot schadevergoeding dient te worden afgewezen. Het hogerberoepschrift is door het Hof ontvangen op 15 april 2024. Het Hof doet thans uitspraak.

De redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep is niet overschreden. Voor de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep is door de rechtbank reeds een schadevergoeding aan belanghebbende toegekend.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

6. Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en

- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, C.J. Hummel en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 13 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026012804
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?