GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 25/767 en 25/768
13 november 2025
uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z], belanghebbende,
gemachtigde: drs. J.A. Bajema
tegen de uitspraak van 4 februari 2025 in de zaken met kenmerken ALK 23/5057 en ALK 23/5068 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft op 14 december 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 69,20 (€ 2,70 parkeerbelasting en € 66,50 naheffingskosten).
De heffingsambtenaar heeft op 7 maart 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 76,00 (€ 3,10 parkeerbelasting en € 72,90 naheffingskosten).
De heffingsambtenaar heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 20 juni 2023 de bezwaren tegen de bovenstaande naheffingsaanslagen niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de bovenstaande uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. In haar uitspraak van 4 februari 2025 heeft de rechtbank het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- verklaart de bezwaren ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
Belanghebbende heeft op 17 maart 2025 hoger beroep ingesteld en het hoger beroep gemotiveerd bij brief van 30 mei 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 26 september 2025 een nader stuk ingediend.
Van de zijde van belanghebbende is op 6 oktober 2025 een pleitnota ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.
2. Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“Naheffingsaanslag 1
1. Eisers auto met het kenteken [kenteken] stond op 25 november 2022 om 09:37 uur
stil op een parkeerplaats aan de [straatnaam] in Hoorn. Die locatie is aangewezen als
een plaats waar op genoemde datum en tijd parkeerbelasting is verschuldigd. Door middel
van een controle met een scanauto op bovengenoemde datum en bovengenoemd tijdstip is
geconstateerd dat de auto geparkeerd stond en dat voor de auto geen parkeerbelasting was
betaald. Naar aanleiding daarvan is de naheffingsaanslag opgelegd.
(…)
Naheffingsaanslag 2
4. Eisers auto met het kenteken [kenteken] stond op 13 januari 2023 om 11:17 uur stil
op een parkeerplaats aan [straatnaam 2] in Hoorn. Die locatie is aangewezen als een plaats
waar op genoemde datum en tijd parkeerbelasting is verschuldigd. Door middel van een
controle met een scanauto op bovengenoemde datum en bovengenoemd tijdstip is
geconstateerd dat de auto geparkeerd stond en dat voor de auto geen parkeerbelasting was
betaald. Naar aanleiding daarvan is de naheffingsaanslag opgelegd.”
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid bezwaren
8. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de
termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt in een geval
als het onderhavige aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het afschrift van
de voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is voor de dag
van de bekenmaking (artikel 22j, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen).
9. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat besluiten die zijn gericht tot
een of meer belanghebbenden, bekend worden gemaakt door toezending of uitreiking. Met
die toezending wordt bedoeld het fysiek per post versturen. In aanvulling hierop is in artikel
2:14, eerste lid, van de Awb bepaald dat besluiten ook elektronisch mogen worden
verstuurd. Voorwaarde is dat de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs die weg
voldoende bereikbaar is.
10. Verweerder stelt dat eiser zich bij MijnOverheid heeft aangemeld voor digitale
toezending van berichten door verweerder en dat de naheffingsaanslagen daarom digitaal
aan eiser zijn toegezonden. Eisers gemachtigde heeft dat ter zitting betwist. Verweerder
heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de naheffingsaanslagen digitaal aan eiser zijn
toegezonden een schermprint van zijn verzendadministratie overgelegd, waaruit volgens
verweerder blijkt dat alle berichten uit de batches waarin de naheffingsaanslagen zaten,
succesvol zijn verzonden. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat hij niet weet of eiser
zich heeft aangemeld voor het digitaal ontvangen van berichten, maar dat dit wel het geval
moet zijn nu die wijze van verzending is gekozen. Hij heeft verder aangegeven niet te weten
of eiser heeft aangevinkt dat hij notificaties van het plaatsen van een bericht wenst te
ontvangen en ook niet te weten of in deze gevallen een notificatie is verstuurd (vgl. de
uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2021,
ECLI:NL:CRVB:2021 :2174). De rechtbank is van oordeel dat verweerders verwijzing naar
de verzendadministratie onvoldoende is om eisers betwisting te weerleggen, ook al omdat
uit deze schermprint niet is af te leiden welke inhoud de aan eiser digitaal toegestuurde
stukken hadden. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank niet
aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen op de juiste wijze bekend zijn
gemaakt.
11. Eiser raakte op 1 april 2023 bekend met naheffingsaanslag 1 en op 16 mei 2023
met naheffingsaanslag 2. Zijn bezwaren zijn daarom tijdig ingediend op respectievelijk
12 april 2023 en 25 mei 2023. Dat betekent dat verweerder eisers bezwaren ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
12. De beroepen zijn reeds daarom gegrond. In zijn arrest van 6 juni 2006
(ECLLNL:HR:2006:AX7330) heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien een
bestuursorgaan de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de
belastingrechter die uitspraak vernietigt, de rechter in de regel met toepassing van artikel
8:72, vierde lid, van de Awb het bestuursorgaan dient op te dragen opnieuw op het bezwaar
te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat,
bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil
door de rechter, of indien duidelijk is dat eiser niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf
in de zaak voorziet. Nu partijen niet om terugwijzing hebben verzocht en hun standpunten
over de stellingen van eiser op schrift en ter zitting uiteen hebben gezet, is de rechtbank van
oordeel dat eiser niet in zijn belangen wordt geschaad door een inhoudelijke beoordeling
van het geschil door de rechtbank. Terugwijzing zou in dit geval slechts leiden tot onnodige
vertraging van de procedure.
Zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd?
13. In het kader van de parkeerregulering kan een belasting worden geheven ter zake
van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de
belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats,
tijdstip en wijze. Dat staat in artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet
en artikel 2, onderdeel a, van de Verordening parkeerbelasting Hoorn 2022 (Verordening
2022) alsmede artikel 2, onderdeel a, van de Verordening parkeerbelasting Hoorn 2023
(Verordening 2023).
14. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1, onderdeel
a, van de Verordening 2022 en 2023 wordt onder ‘parkeren’ verstaan: het gedurende een
aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd
die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan
wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken. De bewijslast dat sprake was van in- en/of
uitstappen of onmiddellijk laden en lossen, rust op degene die zich op deze uitzondering
beroept.
15. Niet in geschil is dat de auto van eiser stilstond op de [straatnaam]
(naheffingsaanslag 1) en op [straatnaam 2] (naheffingsaanslag 2) te Hoorn, dat beide
adressen zijn gelegen in een betaald parkeren gebied en dat eiser geen parkeerbelasting heeft
betaald. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn blote stelling dat sprake was van in- en
uitstappen dan wel laden en lossen niet aannemelijk heeft gemaakt. Op de foto’s die door
de scanauto zijn gemaakt, is niet te zien dat eiser in de auto zit. Op de scanfoto’s is te zien
dat de auto stil staat, de lichten uit zijn, de deuren en kofferbak gesloten zijn en er geen
personen in en rond het voertuig zijn. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat
sprake was van parkeren en dat geen van de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 2,
aanhef en onder a, van de Verordening aan de orde is. Eiser was voor dit parkeren dan ook
parkeerbelasting verschuldigd. Eisers stelling dat ter plaatse geen nadere controle door een
parkeercontroleur heeft plaatsgevonden, doet daaraan niet af nu dit geen wettelijk vereiste
is. Ook eisers stelling dat hij in de auto zat wordt verworpen nu die stelling op geen enkele
wijze onderbouwd is en niet is waar te nemen op de door verweerder overgelegde foto’s.
16. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen coulanceregeling heeft toegepast
dan wel een pardontijd heeft gegund. Alvorens de naheffingsaanslag op te leggen had een
pardontijd van 5-10 minuten in acht moeten worden genomen, aldus eiser. De rechtbank
volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe als volgt. Volgens vaste rechtsspraak dient een
parkeerder een, gelet op de omstandigheden, redelijke tijd te hebben voor het verrichten van
uitvoeringshandelingen om de verschuldigde parkeerbelasting te betalen, (vgl. Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:201 6:9379). Dat eiser bezig
was om betalingshandelingen te verrichten ten tijde dat de naheffingsaanslagen zijn
opgelegd heeft eiser echter niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Dit ligt ook niet in
de rede omdat in beide gevallen in het geheel niet betaald is, ook niet kort na het opleggen
van de naheffingsaanslagen. Deze grief van eiser kan daarom niet slagen.
Bevoegdheid
18. Eiser voert aan dat de naheffingsaanslagen onbevoegd zijn opgelegd. Ten aanzien
van naheffingsaanslag 1 stelt eiser dat verweerder niet heeft aangetoond dat de bediener van
de scanauto daartoe bevoegd en bekwaam is en ten aanzien van naheffingsaanslag 2 betwist
eiser dat gebruik is gemaakt van een scanauto. De rechtbank volgt eiser hierin niet en
overweegt daartoe als volgt. Beide naheffingsaanslagen zijn opgelegd na controle met een
scanauto, waarvan de foto’s van beide controles tot het dossier behoren. De
naheffingsaanslagen zijn voorts opgelegd door de heffingsambtenaar, die daartoe bevoegd is
op grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gelezen in
samenhang met artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet.
19. Eiser voert aan dat de uitspraken op bezwaar niet door een bevoegd persoon zijn
opgelegd, omdat in 2022 en 2023 geen aanwijzingsbesluiten voor een heffingsambtenaar is
gepubliceerd. De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe als volgt. Op grond
van artikel 231. tweede lid, onder d, van de Gemeentewet is de heffingsambtenaar bevoegd
om gemeentelijke belastingen, zoals parkeerbelasting, te heffen. Het college van
burgemeester en wethouders wijst de heffingsambtenaar aan. De rechtbank stelt vast dat het
college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Hoorn bij besluit van
29 januari 2013 drie heffingsambtenaren heeft aangewezen en dat dit aanwijzingsbesluit
geldig was van 14 februari 2013 tot 18.mei 2024. Beide naheffingsaanslagen en uitspraken
op bezwaar zijn ondertekend door ‘de Heffingsambtenaar van de gemeente Hoorn’. Naar het
oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen om aan te nemen dat de naheffingsaanslagen
en uitspraken op bezwaar niet door een bevoegd persoon zijn opgelegd of gedaan.
Hoogte naheffingskosten
20. Eiser voert aan dat de kosten van de naheffingsaanslagen niet in rekening kunnen
worden gebracht dan wel onjuist (te hoog) zijn, omdat verweerder in 2022 en 2023 geen
kostenbesluit heeft gepubliceerd. De rechtbank overweegt als volgt.
21. Op basis van artikel 234, lid 5 en 6, van de Gemeentewet, worden bij algemene
maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de wijze van berekening en de
maximale hoogte van de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag. In de
belastingverordening wordt het bedrag van de in rekening te brengen kosten bepaald.
22. Volgens artikel 2, lid 1, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen kunnen de
gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag ten hoogste
bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet
betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
23. Artikel 2, lid 2, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen schrijft voor dat
de raad, op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten, in verhouding tot
het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag
waarover wordt nageheven, het bedrag vaststelt dat per nageheven aaneengesloten
parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt
gebracht.
24. De raad van de gemeente Hoorn heeft de hoogte van de kosten van de
naheffingsaanslag voor 2022 vastgesteld op € 66,50 in artikel 11, tweede lid, van de
Verordening 2022 en voor 2023 op € 72,90 in artikel 11, eerste lid, van de Verordening
2023. Op verweerder rust de bewijslast dat het in enig jaar geldende kostenbedrag niet het
bedrag, dat zou zijn berekend op basis van ramingen voor het desbetreffende jaar, overtreft
(vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD6867). Verweerder heeft in het verweerschrift onderbouwd dat
de kosten van € 66,50 en € 72,90 niet te hoog zijn aan de hand van een overzicht van de
geraamde kosten in 2022 en 2023 (zie onder 3. en 6.). De rechtbank is van oordeel dat de in
de raming genoemde kosten samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting
in de zin van artikel 2 van het Besluit. De in de raming vermelde kosten zijn onderdeel van
het proces van het innen van niet betaalde parkeerbelasting en zijn, zoals verweerder ter
zitting heeft toegelicht, gebaseerd op de door de gemeenteraad vastgestelde begroting.
Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de onderbouwing voor 2022 en 2023 niet
is gepubliceerd, maar op verzoek wordt vertrekt. Een dergelijk verzoek heeft eiser niet
gedaan. Dat voor 2022 en 2023 geen kostenbesluit is gepubliceerd, maakt naar het oordeel
van de rechtbank niet dat de kosten van de naheffingsaanslag niet in rekening kunnen
worden gebracht. De rechtbank overweegt tot slot dat er geen ruimte bestaat om in een
individueel geval van het in rekening brengen van het volledige bedrag aan
naheffingskosten af te zien omdat de hoogte van dat bedrag in de omstandigheden van dat
geval niet passend en geboden zou zijn (vgl. HR 25 oktober 2024 ECLI:NL:HR:2024:1535).
Betalingsherinnering
25. Voor zover eiser zijn beroep mede heeft bedoeld te richten tegen de
betalingsherinnering van 1 april 2024, overweegt de rechtbank dat eiser daartegen geen
bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank kan deze kwestie reeds daarom niet inhoudelijk
beoordelen, nog daargelaten of deze betalingsherinnering een besluit is in de zin van artikel
1:3, eerste lid, van de Awb.
Slotsom
26. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de
naheffingsaanslagen parkeerbelasting terecht zijn opgelegd. De bezwaren daartegen dienen
ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de naheffingsaanslagen parkeerbelasting in
stand blijven.”
5. Beoordeling van het geschil
Belanghebbende heeft in hoger beroep in de kern zijn door hem in eerste aanleg aangevoerde klachten herhaald. Het Hof overweegt als volgt.
Zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd?
De rechtbank heeft de klachten van belanghebbende in r.o. 13 tot en met 16 terecht en op goede gronden verworpen. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt.
In het Aanwijzings- en uitvoeringsbesluit parkeren 2018, geldend van 2 november 2018 tot en met 26 mei 2023, waarnaar de heffingsambtenaar in de van hem afkomstige stukken heeft verwezen, staan de wegen en weggedeelten opgenomen die het college van burgemeester en wethouders heeft aangewezen als gebied waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. In dit besluit wordt onder meer genoemd: [straatnaam 2] (onder nr. 15) en het parkeerterrein [naam] aan de [straatnaam] (onder nr. 22). De desbetreffende locaties zijn derhalve aangewezen als fiscale parkeerplaatsen.
Kerkplein
Op de foto’s die tot het dossier behoren is te zien dat de auto van belanghebbende stil stond op [straatnaam 2] op een fiscale parkeerplek die herkenbaar is aan de ronde steen met vermelding van de hoofdletter ‘P’. Op de foto’s is ook de bebording te zien waaruit kan worden opgemaakt dat de auto van belanghebbende zich bevond in een zone waar men parkeerbelasting diende te betalen; de auto van belanghebbende stond – met alle deuren gesloten en de lichten uit – stil, schuin voor een parkeerautomaat.
[straatnaam]
Op de foto’s die tot het dossier behoren is te zien dat de auto van belanghebbende stil stond op een (groot) parkeerterrein plaatselijk bekend als “[naam]”. Zoals hiervoor overwogen betreft ook dit gebied een zone waar parkeerbelasting is verschuldigd. Op de foto’s is, anders dan belanghebbende betoogt, geen slagboom of andere belemmering te zien, die de openbare toegang tot dit parkeerterrein belet.
Aanwijzingsbesluiten ontbreken
De stelling van belanghebbende dat de auto van belanghebbende stil stond op een plaats waar het op grond van een wettelijk voorschrift verboden was om te parkeren, zodat, zo al sprake is van parkeren, een zogenoemde Mulderbon had moeten worden uitgeschreven, volgt het Hof niet. De heffingsambtenaar heeft in dit kader in zijn verweerschrift in hoger beroep aangevoerd: “Bij het invoeren van de coördinaten in het Omgevingsloket ten aanzien van de locatie (…) [straatnaam] geldt het volgende. De geparkeerde locatie heeft ten tijde van de overtreding (2022) de functieaanduiding ‘Parkeerdoeleinden’ vanuit het bestemmingsplan Hoorn Noord-West 1971. De voor ‘Parkeerdoeleinden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere parkeergelegenheden.” Van een parkeerverbod was derhalve geen sprake.
Bevoegdheidsklachten
Belanghebbende heeft de in hoger beroep ook de door hem aangevoerde bevoegdheidsklachten herhaald. Ook die klachten zijn door de rechtbank in r.o. 18 en 19 van haar uitspraak terecht en op goede gronden verworpen. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt. De chauffeurs van de scanauto’s beschikken weliswaar niet over een mandaat om naheffingsaanslagen parkeerbelasting op te leggen, maar dat is ook niet vereist omdat niet zij maar de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag opleggen. Indien en voor zover belanghebbende betoogt dat voor de oplegging van een naheffingsaanslag parkeerbelasting is vereist dat er een constatering wordt gedaan door een parkeerwachter (in persoon), faalt de klacht. Waar het op aankomst is dat de heffingsambtenaar het bewijs levert op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan. Daarbij heeft ten eerste te gelden dat bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting geen sprake is van strafoplegging maar van belastingheffing. Ten tweede kan toezicht in de huidige tijd ook op afstand plaatsvinden, door een parkeercontroleur die de met de scanauto gemaakte foto’s achter een computer beoordeelt.
De naheffingsaanslag is, aan de hand van de door de scanauto gemaakte foto’s, via het geautomatiseerde systeem opgelegd door de heffingsambtenaar, die uit hoofde van haar aanwijzing als heffings- en invorderingsambtenaar daartoe bevoegd is. De heffingsambtenaar heeft die aanwijzing onderbouwd met hyperlinkjes leidend naar de besluiten waarin dit een en ander is vastgelegd. Daarmee heeft de heffingsambtenaar voldaan aan de ter zake op hem rustende bewijslast.
Bewijs parkeren geleverd?
Belanghebbende betwist dat hij op de desbetreffende locaties heeft geparkeerd althans dat daarvan het bewijs is geleverd door de heffingsambtenaar. Daartoe voert hij aan dat de scanauto slechts op 1 moment een foto heeft genomen en dat zo’n momentopname onvoldoende is om op grond daarvan aannemelijk te achten dat hij stond geparkeerd. Bovendien is hem geen redelijke termijn gegund om de belasting te voldoen.
Ook al deze stellingen zijn terecht en op goede gronden door de rechtbank verworpen. Tot de stukken van het geding behoren foto’s waarop de auto van belanghebbende is te zien met vermelding van de GPS-ontvanger bepaalde coördinaten, de bij die coördinaten behorende straatnaam, de datum en het tijdstip waarop de gegevens zijn gegenereerd en het kenteken en het merk van het voertuig. In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar bovendien een Street view overgelegd van de locaties vanuit (ongeveer) hetzelfde perspectief als de scanauto. Hierop is zichtbaar dat de auto op het moment van constateren op deze locaties stil stond. De grief van belanghebbende dat de heffingsambtenaar daarvoor tenminste twee scanfoto’s had moeten overleggen met een onderling tijdsverschil van ten minste een aantal minuten, wordt verworpen. Weliswaar dient aan degene die parkeerbelasting wil voldoen, een redelijke termijn te worden gegund om de daarvoor benodigde handelingen te verrichten, maar die situatie heeft zich in de onderwerpelijke zaak niet voorgedaan; belanghebbende wilde immers geen parkeerbelasting voldoen (en heeft dat ook niet gedaan). Er bestaat verder geen regel op grond waarvan de eerste minuten van het parkeren gratis zou zijn, of dat de heffingsambtenaar pas na een aantal minuten parkeren een naheffingsaanslag mag opleggen. Bij deze stand van zaken brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat van belanghebbende, die heeft gesteld dat sprake is geweest van één van de uitzonderingen, gevergd kan worden dat hij nader concretiseert wat de redengevende feiten en omstandigheden waren die tot deze conclusie kunnen leiden (vgl. Hof Amsterdam 23 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5030 r.o. 5.1.5). Het Hof is, met de rechtbank, van oordeel dat belanghebbende dit niet heeft gedaan.
Er is geen gelegenheid geboden om de naheffingsaanslag te betalen zonder kostenopslag
De klacht dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de belasting niet is betaald, volgt het Hof niet. In de eerste plaats omdat belanghebbende geen betaalbewijzen heeft overgelegd, ten tweede omdat een betaling niet is geregistreerd door het geautomatiseerde betaalsysteem en ten derde omdat belanghebbende meende dat hij geen parkeerbelasting was verschuldigd.
De stelling dat de heffingsambtenaar belanghebbende eerst de gelegenheid had moeten bieden om alleen de parkeerbelasting te betalen, dus zonder een kostenopslag, faalt. Wanneer, zoals in de onderwerpelijke casus, er geen parkeerbelasting is betaald, wordt een naheffingsaanslag opgelegd waarbij ook de daarmee samenhangende kosten in rekening mogen worden gebracht. Zulks volgt uit artikel 234, vijfde lid van de Gemeentewet jo. het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen 2022 respectievelijk het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen 2023. De kosten zijn terecht berekend.
Kosten naheffingsaanslag te hoog?
Op zijn verzoek heeft belanghebbende van de heffingsambtenaar een overzicht van de desbetreffende kostenposten ontvangen (zie r.o. 3 en 6 van de uitspraak van de rechtbank). Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat de kosten ten onrechte in rekening zijn gebracht omdat de heffingsambtenaar geen kostenbesluit heeft gepubliceerd. Dienaangaande is de rechtbank in r.o. 20 tot en met 24 tot een juist oordeel gekomen. Het Hof voegt hieraan nog het volgende toe. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de geraamde kosten voor 2022 en 2023 hoger waren dan de verwachte opbrengsten en dat dit samenhangt met de invoering van de scanauto en een nieuw, daarbij aansluitend, geautomatiseerd systeem. De kosten waren daarom in de onderhavige jaren (veel) hoger dan het ter zake door de regelgever vastgestelde maximumtarief. Het Hof komt deze verklaring aannemelijk voor en overweegt daarbij dat de gemeente de kosten van de invoering van de scanauto en een nieuw informatie systeem (een grote kostenpost) terecht en volledig in de raming heeft betrokken (vgl. Hof Amsterdam, 21 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370).
Belanghebbende heeft slechts in algemene bewoordingen de hoogte van de geraamde kosten betwist. Daarmee heeft belanghebbende geen twijfel weten te zaaien over het antwoord op de vraag of er wellicht kosten zijn meegenomen in de raming die niet ter zake van het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn gemaakt.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
6. Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. C.J. Hummel, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 13 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: