Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman, de benadeelde partij en zijn vertegenwoordiger naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair hij op of omstreeks 8 oktober 2020 te Amsterdam aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- twee, althans één of meer, aangezichtsfractu(u)r(en) (te weten een breuk van het wandbeen (‘os
pariëtale’) en/of een breuk van het rechterjukbeen (‘zygoma’) met gedeeltelijke ontwrichting
(‘subluxatie’) van het rechterkaakgewricht) en/of
- ernstig hersenletsel (te weten aan de rechterzijde van de hersenen één of meer gebied(en) met
hersenkneuzing en bijkomend bloed (‘hemorragische contusiehaarden') en /of aan de linkerzijde
‘’een of meer bloedophoping(en) onder het harde hersenvlies (‘subduraal’) en/of onder het
spinnenwebvlies (‘subarachnoïdaal') en/of één of meer bloeduitstorting(en) in het hersenweefsel
(‘parenchymbioedingen’), met verplaatsing van de middellijn (‘midlineshift’) naar rechts),
heeft toegebracht door eenmaal die [benadeelde partij] (met kracht) met zijn, verdachtes, (gebalde) (rechter)hand/vuist tegen/op de (linker)kaak, althans het hoofd van die [benadeelde partij] te slaan, waarna die [benadeelde partij] (hard) op de grond is gevallen;
subsidiair hij op of omstreeks 8 oktober 2020 te [benadeelde partij] heeft mishandeld door eenmaal die [benadeelde partij] (met kracht) met zijn, verdachtes, (gebalde) (rechter)hand/vuist tegen/op de (linker)kaak, althans het hoofd van die [benadeelde partij] te slaan, waarna die [benadeelde partij] (hard) op de grond is gevallen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten
- twee, althans één of meer, aangezichtsfractu(u)r(en) (te weten een breuk van het wandbeen (‘os
pariëtale’) en/of een breuk van het rechterjukbeen (‘zygoma’) met gedeeltelijke ontwrichting
(‘subluxatie’) van het rechterkaakgewricht) en/of
- ernstig hersenletsel (te weten aan de rechterzijde van de hersenen één of meer gebied(en) met
hersenkneuzing en bijkomend bloed (‘hemorragische contusiehaarden') en /of aan de linkerzijde ‘’een
of meer bloedophoping(en) onder het harde hersenvlies (‘subduraal’) en/of onder het
spinnenwebvlies (‘subarachnoïdaal') en/of één of meer bloeduitstorting(en) in het hersenweefsel
(‘parenchymbioedingen’), met verplaatsing van de middellijn (‘midlineshift’) naar rechts),
ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere strafoplegging en een andere beslissing op de vordering van de benadeelde partij dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van zware mishandeling. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte met het geven van een enkele harde klap tegen het hoofd van het slachtoffer geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van zware mishandeling.
Op basis van de bewijsmiddelen zoals die zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest in geval cassatie wordt ingesteld, stelt het hof volgende vast.
Op 8 oktober 2020 rond 22:15 uur fietste de aangever in Amsterdam over de Amstelveenseweg, in de richting van de ingang van het Vondelpark. Hij verleende geen voorrang aan de verdachte die met zijn auto kwam aanrijden en daardoor hard moest remmen. De verdachte stapte uit en rende richting de aangever. Omdat zijn auto begon te rollen rende hij terug, en zette hij de auto – midden op de rijbaan – op de handrem. Vervolgens ging de verdachte weer naar de aangever, die nog altijd zijn fiets vast had, en schreeuwde tegen hem. Er ontstond een soort worsteling waarbij de aangever zijn fiets tussen hen in hield. Vervolgens stapte de verdachte weg en gaf hij de aangever met zijn vuist een harde klap op zijn kaak, waarna de aangever meteen hard op de grond viel. De verdachte keerde terug naar zijn auto en reed snel weg. De aangever is in een bewusteloze toestand naar het ziekenhuis vervoerd en heeft langere tijd in coma gelegen. De aangever heeft breuken in zijn gezicht en ernstig hersenletsel opgelopen.
Meerdere getuigen benoemen de agressieve wijze waarop de verdachte de confrontatie zocht. Zelfs het wegrollen van zijn auto heeft hem er niet van weerhouden om (voor een tweede keer) de confrontatie op te zoeken: de verdachte liet zijn auto – na die op de handrem te hebben gezet – midden op de weg staan om opnieuw schreeuwend naar de aangever toe te gaan en hem vervolgens met een vuist tegen het hoofd te slaan. De vuistslag die de verdachte – die volgens eigen zeggen met 94 kg een stuk zwaarder was dan de aangever – heeft gegeven is heel hard geweest, zo volgt uit de bewijsmiddelen (waaronder verklaringen van getuigen die de indruk hadden dat de verdachte aan vechtsport deed). Verder draagt naar het oordeel van het hof ook de omstandigheid dat de aangever direct na en kennelijk door de klap op de grond is gevallen, bij aan de conclusie dat de vuistslag tegen het hoofd hard is geweest.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarbij heeft het hof in acht genomen dat de verdachte de aangever met zijn vuist hard heeft geslagen tegen het hoofd – een zeer kwetsbaar lichaamsdeel – en dat de gedragingen van de verdachte gelet op de uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden aangemerkt dan als aanvaarding van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel (welke kans helaas is verwezenlijkt).
Gelet op het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 8 oktober 2020 te Amsterdam aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- aangezichtsfracturen (te weten een breuk van het wandbeen (‘os pariëtale’) en een breuk van het
rechterjukbeen (‘zygoma’) met gedeeltelijke ontwrichting (‘subluxatie’) van het rechterkaakgewricht)
en
- ernstig hersenletsel (te weten aan de rechterzijde van de hersenen gebieden met hersenkneuzing en
bijkomend bloed (‘hemorragische contusiehaarden') en aan de linkerzijde bloedophoping onder het
harde hersenvlies (‘subduraal’) en onder het spinnenwebvlies (‘subarachnoïdaal') en bloeduitstortingen
in het hersenweefsel (‘parenchymbioedingen’), met verplaatsing van de middellijn (‘midlineshift’) naar
rechts),
heeft toegebracht door eenmaal die [benadeelde partij] met kracht met zijn (gebalde) (rechter) vuist tegen de kaak van die [benadeelde partij] te slaan, waarna die [benadeelde partij] hard op de grond is gevallen.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een forse taakstraf op te leggen, met daarbij eventueel een gevangenisstraf conform het voorarrest en een voorwaardelijke gedeelte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De verdachte was boos omdat het fietsende slachtoffer ten onrechte geen voorrang zou hebben verleend. Dit vormde voor de verdachte de aanleiding om zijn auto midden op de rijbaan te verlaten, de confrontatie met het slachtoffer te zoeken en hem met zijn vuist hard in zijn gezicht te slaan. Door deze klap is het slachtoffer hard ten val gekomen en buiten bewustzijn geraakt. Het slachtoffer heeft twee weken in coma gelegen, wat ook voor zijn dierbaren een hele zware, onzekere tijd moet zijn geweest. Het slachtoffer heeft meerdere aangezichtsfracturen, een gedeeltelijk ontwrichte kaak en een hersenkneuzing en -bloeding opgelopen. Het hersenletsel is zo ernstig dat hij tot op heden kampt met cognitieve klachten, waaronder een geheugenstoornis en woordvindingsproblemen, en snelle vermoeibaarheid. De prognose op (enig verder) herstel is somber.
Op indrukwekkende wijze heeft het slachtoffer op de zitting gesproken over hoe zijn leven letterlijk in één klap veranderde en welke gevolgen dat voor hem en zijn naasten heeft, waaronder zijn twee minderjarige dochters. Het slachtoffer beschreef de ongecontroleerde, richtingloze en niet aflatende chaos in zijn hoofd die hem continu kwelt. Vanwege zijn lichamelijke en geestelijke klachten is hij volledig arbeidsongeschikt verklaard en heeft zijn baan moeten opgeven. Tot de mishandeling werkte hij met veel voldoening als fysicus bij het [organisatie] . Ook zijn hobby’s kan hij niet of nauwelijks meer uitoefenen. Familieleden hebben beschreven hoe het slachtoffer is veranderd en ‘de vroegere [benadeelde partij] ’ er niet meer is.
Daarnaast zijn veel omstanders getuige geweest van de geweldsuitbarsting van de verdachte. Het leidt geen twijfel dat dit soort gedrag onrust en angst veroorzaakt bij omstanders en ook overigens in de samenleving.
De aard en ernst van de feiten en de gevolgen daarvan rechtvaardigen in beginsel dan ook de straf zoals de rechtbank die heeft opgelegd. Het hof komt desondanks tot een andere straf, gelet op het volgende.
Uit het reclasseringsrapport dat begin 2022 over de verdachte is geschreven volgt dat hij een heftige jeugd heeft gehad. Op jonge leeftijd is zijn moeder overleden, waarna hij bij zijn vader kwam wonen. Zijn vader was verslaafd en erg onberekenbaar. De reclassering heeft de indruk dat de agressie die de verdachte vertoonde samenhangt met stressfactoren in zijn leven en zijn onvermogen om zijn emoties op een gezonde manier te verwerken. Ter terechtzitting heeft de verdachte beaamd dat hij destijds veel agressieproblemen had en last had van opgekropte woede en frustraties. Zijn aan drugs en alcohol verslaafde vader – die daarvoor volgens de verdachte een hele goede vader was – stal zelfs van hem, kennelijk om in zijn verslaving te kunnen voorzien. Inmiddels heeft de verdachte in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis een agressieregulatie training doorlopen. Daarnaast heeft hij op eigen initiatief psychologische hulp ingeschakeld en een behandeling van 10 gesprekken met een psycholoog gehad. Dit heeft hem naar eigen zeggen geholpen. Ook het gegeven dat het strafblad geen geweldsfeiten vermeldt die dateren van na het bewezenverklaarde feit, biedt voorzichtig steun aan de gedachte dat de verdachte zijn emoties en agressie beter onder controle heeft. Op zitting heeft de verdachte bij het hof de indruk achtergelaten dat hij terdege beseft dat hij het slachtoffer enorm leed heeft toegebracht en dat hij daar spijt van heeft. Ook in praktische zin heeft hij zijn leven een andere wending gegeven en inmiddels behoorlijk op de rit: hij heeft een baan waar hij van kan rondkomen, heeft een vriendin met wie hij een kind verwacht en heeft een eigen woning waardoor hij niet meer afhankelijk is van zijn vader.
Deze persoonlijke omstandigheden doen er niets aan af dat de verdachte een ernstig geweldsdelict heeft gepleegd met desastreuze gevolgen. Zij vormen daar ook geen enkel excuus voor. Wel is het hof van oordeel dat die persoonlijke omstandigheden en het tijdverloop (het feit is meer dan vijf jaar geleden gepleegd) ertoe moeten leiden dat de verdachte niet opnieuw komt vast te zitten voor deze zaak. Een nieuwe detentie bergt namelijk een grote kans in zich dat hetgeen de verdachte heeft opgebouwd en de sociaal-emotionele ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt, (deels) teniet worden gedaan. Die gevolgen zijn niet alleen voor de verdachte onwenselijk, maar vanuit het oogpunt van speciale preventie in het bijzonder ook voor de samenleving. Om die reden volstaat het hof met een gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overschrijdt en de oplegging van de maximale taakstraf. Het flinke deel voorwaardelijke gevangenisstraf – met proeftijd van twee jaren – dient ervoor om de verdachte er blijvend van te doordringen dat hij geen strafbare feiten meer moet plegen en om de ernst van het feit te onderstrepen. Daarnaast zal de verdachte een zeer forse schadevergoeding moeten betalen (zie hierna) zodat hij ook langs die weg nog heel lange tijd geconfronteerd blijft met de gevolgen van wat hij heeft aangericht.
Het hof stelt vast dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn van berechting, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, met ruim één jaar en tien maanden is overschreden. In zekere zin is de overschrijding van die termijn gecompenseerd in de strafmodaliteit doordat het tijdsverloop één van de factoren is geweest die ertoe heeft geleid dat het hof de verdachte geen straf zal opleggen die hernieuwde vrijheidsbeneming meebrengt. Dat neemt niet weg dat de overschrijding van de redelijke termijn ook als zodanig door het hof zal worden gecompenseerd in die mate dat het een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 177 voorwaardelijk zal opleggen in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen waarvan 207 voorwaardelijk.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, ter hoogte van € 1.216.424,28, waarvan € 1.141.424,28 ter zake materiële schade en
€ 75.000,00 ter zake immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 77.264,26, bestaande uit € 2.264,26 ter zake materiële schade en € 75.000,00 ter zake immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd maar voor een lager bedrag dan de oorspronkelijke vordering, namelijk € 380.644,16, waarvan € 305.644,16 ter zake materiële kosten en
€ 75.000,00 ter zake immateriële kosten.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
1) daggeldvergoeding ziekenhuis/revalidatie: € 1.424,00, ter terechtzitting verlaagd naar € 1.365,00;
2) reiskosten: € 1.468,40;
3) medische kosten: € 793,88;
4) verlies verdienvermogen: € 213.071,00;
5) huishoudelijke hulp: € 83.520,00;
6) overige kosten: € 5.366,88.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 379.175,76. Ten aanzien van de post ‘reiskosten’ dient de benadeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Standpunt verdediging
De posten 1 en 3 zijn niet betwist.
De raadsman heeft verzocht om de niet-ontvankelijkverklaring of matiging van post 2 (reiskosten), omdat onvoldoende gebleken is dat sprake is van noodzakelijke kosten.
Ten aanzien van post 4 heeft de raadsman betoogd dat sprake is van een onevenredig zware belasting van het strafproces en de benadeelde partij ten aanzien van deze post daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat het gaat om zeer complexe berekeningen ten aanzien van de toekomstige schade (waarbij de verdediging in het bijzonder wijst op het toekomstig verlies aan arbeidsvermogen, pensioenschade en fiscale schade) en dat van de zijde van de verdediging onvoldoende specialistische kennis aanwezig is om adequaat te kunnen reageren op de rekenrapporten die namens de benadeelde zijn ingebracht. Subsidiair heeft de verdediging verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om een expert te kunnen inschakelen teneinde de post verlies verdienvermogen te kunnen betwisten.
Met betrekking tot post 5 heeft de verdediging eveneens bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de behandeling van deze post vanwege de complexiteit daarvan, een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daarbij is onder meer aangevoerd dat deze post onvoldoende is onderbouwd en opgemerkt dat het ‘onduidelijk (is) waarom de huishoudelijke hulp tot deze leeftijd (70e levensjaar) op het bord van cliënt terecht zou moeten komen’.
Ten aanzien van post 6 heeft de verdediging verzocht om die (gedeeltelijk) niet ontvankelijk te verklaren dan wel voor een lager bedrag toe te wijzen dan is gevorderd.
Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bedrag aan immateriële schadevergoeding op een lager bedrag dient te worden vastgesteld dan het gevorderde bedrag. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit de medische informatie en uit het arbeidsdeskundig rapport van het UWV volgt dat geen goede prognose te geven is over eventuele verbetering van de belastbaarheid van de benadeelde.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de bewijsoverweging en bewezenverklaring volgt dat het slachtoffer als rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige daad van de verdachte (de bewezenverklaarde zware mishandeling) letsel heeft opgelopen. Op grond van (onder meer) de onderbouwing van de vordering en hetgeen is besproken ter terechtzitting in hoger beroep komt het hof tot de navolgende vaststellingen die van belang zijn voor de beoordeling van de diverse posten.
De benadeelde heeft verschillende aangezichtsfracturen, een subluxatie van het rechterkaakgewricht, een hersenkneuzing en een subduraal hematoom opgelopen. Hij is in een comateuze toestand naar het ziekenhuis afgevoerd, welke toestand twee weken heeft geduurd. Gedurende langere tijd heeft hij dubbel gezien. Hij heeft van 8 tot en met 25 oktober 2020 op de intensive care van het VU-mc gelegen, waarna hij van 25 tot en met 28 oktober 2020 op een neurologische afdeling werd geplaatst. De periode van 28 oktober tot en met 7 december 2020 heeft de benadeelde in het kader van revalidatie doorgebracht in het Diakonessenhuis en in een revalidatiecentrum. Hij is per 7 oktober 2022 zijn baan kwijtgeraakt ten gevolge van het bewezenverklaarde en ontvangt sindsdien een uitkering van het UWV omdat hij volledig arbeidsongeschikt is verklaard.
In de vijf jaren sinds het incident is de gezondheidstoestand van de benadeelde verbeterd, maar tot op de dag van vandaag kampt de benadeelde met de zeer forse gevolgen van de mishandeling en is hij nog altijd volledig arbeidsongeschikt. De benadeelde ervaart cognitieve problemen, heeft onder meer last van woordvindingsproblemen, en is snel vermoeid. De benadeelde heeft last van continue ‘chaos’ in zijn hoofd en een grote mate van vergeetachtigheid hetgeen hem zeer sterk beperkt in zijn dagelijks functioneren.
Het hof zal hierna de diverse gevorderde schadeposten bespreken, met inachtneming van de vaststellingen die het hiervoor heeft gedaan.
Materiële schade
Posten 1 en 3
Deze posten zijn niet betwist, zijn het rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige daad van de verdachte en komen het hof ook overigens niet ongegrond of onrechtmatig voor zodat zij voor toewijzing gereed liggen. Het hof zal deze posten dan ook toewijzen voor een bedrag van € 1.365,00 successievelijk € 793,88.
Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente van post 1 (daggeldvergoeding) bepalen op ongeveer het midden van de periode waarover de benadeelde recht heeft op daggeldvergoeding (8 oktober 2020 tot 7 december 2020), te weten op 7 november 2020. Ten aanzien van de post medische kosten zijn de rentedata als volgt vastgesteld:
- voor de ambulancevergoeding van € 281,28 op 8 oktober 2020;
- voor de kosten van het oogonderzoek van € 68,89 op 18 februari 2021;
- voor de consulten van € 233,71 op 7 juli 2021;
- voor de neurotherapie van € 210,00 op 6 december 2021.
Post 2
De benadeelde partij heeft vergoeding gevraagd van de reiskosten die de vader en de broer van de verdachte hebben gemaakt om hem te komen bezoeken in het ziekenhuis en vervolgens in het revalidatiecentrum. Gesteld is dat deze bezoeken hebben bijgedragen aan het herstel van de benadeelde en dat deze schade als verplaatste schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof is van oordeel dat – hoe voorstelbaar de wens en de behoefte tot contact met naasten juist in deze situatie ook is – onvoldoende is gebleken dat het bezoek heeft bijgedragen aan het herstel op een wijze die maakt dat van verplaatsbare schade sprake is. Het aanhouden van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen de vordering in zoverre nader te onderbouwen levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij wordt in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Post 4
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt onmiskenbaar dat de benadeelde – kort gezegd – inkomstenschade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De benadeelde is volledig arbeidsongeschikt verklaard en heeft zijn baan moeten opgeven.
De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van deze schadepost onder meer een ‘Rapport inzake verlies van arbeidsvermogen’ van 22 oktober 2025 overgelegd. Daarin wordt de schade onderverdeeld in de volgende subposten: a) verschenen schade tot 1 januari 2026, b) toekomstige schade vanaf 1 januari 2026 tot pensioen, c) pensioenschade vanaf 3 februari 2047, en d) fiscale schade vanaf 1 januari 2026.
Het hof acht de onder a) genoemde subpost (verschenen schade) voldoende onderbouwd. Daarbij neemt het in aanmerking dat in het rapport is gerekend met minimale uitgangspunten (zo is onder meer uitgegaan van het salaris per 1 januari 2021 en is geen rekening gehouden met carrière stappen). Ook overigens zijn de uitgangspunten onderbouwd met onder meer informatie van het UWV en zijn die uitgangspunten als zodanig niet betwist. Deze informatie die ten grondslag ligt aan het rapport is inzichtelijk en was reeds in eerste aanleg voorhanden. Verder is niet betwist, en staat ook niet ter discussie, dat de benadeelde partij in ieder geval tot 1 januari 2026 niet zal kunnen werken. Het hof acht de vordering in zoverre ook niet onrechtmatig of ongegrond en is van oordeel dat deze kan worden toegewezen. Daarbij overweegt het hof uitdrukkelijk dat – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – ten aanzien van deze subpost er voldoende ruimte en mogelijkheid is geweest voor een partijdebat, ook zonder dat de verdediging een beroep heeft gedaan op een (eigen) deskundige op dit vlak.
Ten aanzien van de subposten b t/m c ligt het naar het oordeel van het hof anders. Het betreft hier toekomstige schade die naar zijn aard een mate van onzekerheid in zich bergt. In zijn berekening is de benadeelde partij weliswaar uitgegaan van ‘minimale uitgangspunten’, maar dat neemt niet weg dat de berekening van deze subposten complex is en door de verdediging is betwist. Hierbij is verder het volgende van belang. Ter onderbouwing van – kort gezegd – de stelling dat de benadeelde partij ook in de toekomst geen inkomen door arbeid meer kan genereren, heeft de benadeelde partij een beroep gedaan op een rapport van zijn ‘medisch adviseur’ (niet praktiserend arts voor arbeid en gezondheid-verzekeringsarts). Deze deskundige baseert zijn oordeel in de kern op medische informatie van enige jaren oud, die (met name) ziet op de medische behandelingen in het ziekenhuis en het daaropvolgende revalidatietraject. Op basis van die informatie en de vaststelling dat er de laatste jaren bij de benadeelde partij geen enkele verbetering is opgetreden, stelt de deskundige dat hij wat betreft het ‘beperkingenbeeld’ ‘zonder meer somber is gesteld voor wat betreft de kans op verder herstel’. Het hof stelt vast dat het niet de beschikking heeft over recent medisch onderzoek ten behoeve van een adequate prognose en dat de door [deskundige] getrokken conclusie niet (geheel) eenduidig is. Gelet hierop en in aanmerking genomen het belang van een partijdebat waarbij de verdediging zo nodig in de gelegenheid wordt gesteld deskundigen in te schakelen ter betwisting van de (onderbouwing van) de gevorderde schade, zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van de subposten b t/m d niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Aanhouding van de zaak om aan het voorgaande tegemoet te komen – voor zover dat binnen het strafproces redelijkerwijs al mogelijk is – zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
Het (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden teneinde ‘een expert’ in te schakelen wordt afgewezen, nu de benadeelde partij ten aanzien van de posten b t/m d niet-ontvankelijk wordt verklaard (toekomstige schade waaronder pensioenschade en fiscale schade) en gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van post a is overwogen.
Kortom: het hof wijst post 4 toe tot een bedrag van € 9.049,00 en verklaart de benadeelde partij ten aanzien van deze post voor het overige niet-ontvankelijk.
Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente bepalen op ongeveer het midden van de periode tussen de datum van het plegen van de onrechtmatige daad en de datum van de uitspraak, te weten 1 juli 2023.
Post 5
Met betrekking tot deze post komt het hof tot een soortgelijk oordeel als ten aanzien van post 4. Het hof acht de vordering voldoende onderbouwd in zoverre deze ziet op de gevorderde kosten die tot op heden zijn verschenen en door de benadeelde partij in zijn brief van 31 oktober 2025 zijn begroot op € 14.400,00. Op grond van de stukken die de benadeelde partij heeft ingediend, waaronder een advies van een Zorgschadedeskundige/ergotherapeut van 13 januari 2022, en de toelichting die daarop is gegeven, acht het hof voldoende vaststaand dat de benadeelde partij hulp in de huishouding nodig heeft gehad. Nu de vordering het hof ten aanzien van deze post ook overigens niet ongegrond of onrechtmatig toekomt, zal de vordering in zoverre worden toegewezen. Daarbij zij opgemerkt dat het hof conform die berekening in voornoemde brief uitgaat van een periode van 5 jaren, zij het dat het hof niet rekent vanaf de datum van het bewezenverklaarde, maar vanaf de datum waarop de benadeelde partij uit de revalidatiekliniek is ontslagen (7 december 2020).
Voor het overige deel zal het hof de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet ontvankelijk verklaring in zijn vordering, met in achtneming van wat hiervoor bij de bespreking van post 4 is overwogen ten aanzien van – kort gezegd – de medische toekomstverwachting.
Het hof zal de ingangsdatum van de wettelijke rente bepalen op ongeveer het midden van de periode tussen de datum van het plegen van de onrechtmatige daad en de datum van de uitspraak, te weten 1 juli 2023.
Post 6
De kosten die onder de post ‘overige kosten’ worden gevorderd betreffen – kort gezegd – kosten die zijn gemaakt ter vaststelling/onderbouwing van de schade. Het gaat (in hoger beroep) om a) kosten huisarts ad € 46,38, b) kosten ‘medisch advies [deskundige] eerste aanleg’ ad € 1.269,00 c) kosten ‘medisch advies [deskundige] tweede aanleg’ ad € 542,50 en d) kosten rekenrapport [website] ad € 3.509,00. Het totaalbedrag van deze post ‘overige kosten’ bedraagt in hoger beroep € 5.366,88. In eerste aanleg werd onder de post ‘overige kosten’ een bedrag van € 7.376,31 gevorderd.
Allereerst heeft het hof de vraag te beantwoorden of, en zo ja, in hoeverre, er – kort gezegd – sprake is van posten die in hoger beroep voor het eerst worden opgevoerd, of zijn verhoogd, en of de benadeelde partij binnen de grenzen van zijn eerste vordering is gebleven (vgl. Hoge Raad 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1932). Het hof overweegt dat alle voornoemde kosten zijn geschaard onder de post ‘overige kosten’ die het hof begrijpt als één kostenpost ten behoeve van de vaststelling van de schade ex art. 6:96 Burgerlijk Wetboek. Weliswaar zijn de subposten tot op zekere hoogte gewijzigd in hoger beroep, maar de totaal gevorderde kosten van deze post zijn in hoger beroep lager dan in eerste aanleg. Ten aanzien van de onder d genoemde kosten overweegt het hof in dat kader verder het volgende. In eerste aanleg zijn de kosten van een ander (kostbaarder) rapport van [website] gevorderd. Omdat in hoger beroep de post ‘verlies verdienvermogen’ aanzienlijk naar beneden is bijgesteld, is een nieuw rapport ingebracht. In hoger beroep worden enkel nog de kosten van dit tweede (goedkopere rapport) gevraagd. Gelet op het voorgaande, en in aanmerking genomen dat de post ‘overige kosten’ in zijn geheel bezien in hoger beroep naar beneden is bijgesteld, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in zoverre binnen de grenzen van zijn eerste vordering is gebleven.
De posten zijn naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en het rechtstreeks gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte. Nu deze kosten het hof ook overigens niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, zal het die kosten toewijzen. Daarbij overweegt het hof dat de verdediging weliswaar terecht heeft opgemerkt dat een factuur van het onder b) genoemde advies ontbreekt, maar dat de onderbouwing van de vordering genoegzaam duidelijk maakt welke kosten worden gevorderd en hoe die zijn opgebouwd (bestede tijd in verhouding tot uurtarief) en de vordering in zoverre inhoudelijk niet is betwist.
Het hof zal de ingangsdata van wettelijke rente als volgt per factuurdatum bepalen:
A: ten aanzien van de kosten huisarts (€ 46,38) op 25 januari 2021;
B: ten aanzien van de kosten voor het medisch advies van [deskundige] voor de zaak in eerste aanleg (€ 1.269,00) op 12 januari 2022;
C: ten aanzien van de kosten voor het medisch advies van [deskundige] voor de zaak in tweede aanleg (€ 542,50) op 27 oktober 2025;
D: ten aanzien van de kosten voor het rekenadvies van [website] (€ 3.509,00) op 24 oktober 2025.
Totaal toegewezen materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is volgens het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 30.974,76 (€ 1.365,00 + € 793,88 + € 9.049,00 + € 14.400,00 + € 5.366,88).
Immateriële schade
Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is vooropgesteld over de gevolgen van het bewezenverklaarde voor de benadeelde partij is het hof van oordeel dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden gelet op het letsel dat hem is toegebracht.
Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid vaststellen op € 75.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
- de aard en de ernst van de normschending voor de benadeelde partij;
- de mate van aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en het opgelopen letsel;
- de niet weersproken gevolgen die het incident voor de benadeelde partij verder tot op heden hebben;
- de schadevergoedingen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden toegekend.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte verder in het bijzonder gekeken naar de zogenoemde Rotterdamse Schaal, meer in het bijzonder naar de categorie Hersenletsel, paragraaf 2.1 onder C, ‘middelzwaar hersenletsel’, sub categorie II, waar een bandbreedte van € 62.000,00 tot € 105.000,00 wordt genoemd. Het hof overweegt in dit licht nog dat uit de overgelegde stukken volgt dat de fysieke schade aan het hersenweefsel ‘irreversibel’ is. Er is dus sprake van onherstelbare schade, waaraan niet afdoet dat op basis van de stukken niet (geheel) kan worden uitgesloten dat ten aanzien van het beperkingenbeeld nog (enige) verbetering optreedt doordat andere gebieden in de hersenen taken en functies van het beschadigde hersengebied deels overnemen.
Op basis van het voorgaande wijst het hof de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van deze post volledig toe (€ 75.000,00).
De ingangsdatum van de wettelijke rente wordt vastgesteld op 8 oktober 2020.
Voorts veroordeelt het hof de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Totaal toegewezen schade
Materieel: € 30.974,76
Immaterieel: € 75.000,00
Totaal: € 105.974,76
De toegewezen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data zoals hiervoor
bepaald. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van
artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet het
hof geen aanleiding om de duur van daarbij te bepalen gijzeling, te bepalen op een korte duur dan
gebruikelijk en zal de duur op het hierna te noemen aantal dagen bepalen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 177 (honderdzevenenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 105.974,76 (honderdvijfduizend negenhonderdvierenzeventig euro en zesenzeventig cent), bestaande uit € 30.974,76 (dertigduizend negenhonderdvierenzeventig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 105.974,76 (honderdvijfduizend negenhonderdvierenzeventig euro en zesenzeventig cent), bestaande uit € 30.974,76 (dertigduizend negenhonderdvierenzeventig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
- 08 oktober 2020 over een bedrag van € 281,28 ter zake van ambulancekosten; - 07 november 2020 over een bedrag van € 1.365,00 ter zake van de daggeldvergoeding ziekenhuis;- 25 januari 2021 over een bedrag van € 46,38 ter zake van kosten huisarts; - 18 februari 2021 over een bedrag van € 68,89 ter zake van kosten oogonderzoek; - 07 juli 2021 over een bedrag van € 233,71 ter zake van kosten consulten; - 06 december 2021 over een bedrag van € 210,00 ter zake van kosten neurotherapie;- 12 januari 2022 over een bedrag van € 1.269,00 ter zake van kosten medisch advies [deskundige]
eerste aanleg; - 01 juli 2023 over een bedrag van € 23.449,00, ter zake van verlies verdienvermogen (€ 9.049,00)
en kosten huishoudelijke hulp (€ 14.400,00);- 24 oktober 2025 over een bedrag van € 3.509,00 ter zake van kosten rekenadvies
[website] ; - 27 oktober 2025 over een bedrag van € 542,50 ter zake van kosten medisch advies [deskundige]
tweede aanleg;
en van de immateriële schade op 8 oktober 2020.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. N.A. Schimmel en mr. B. van der Werf, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2025.
mr. N.A. Schimmel en mr. B. van der Werf zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]