ECLI:NL:GHAMS:2025:3689

ECLI:NL:GHAMS:2025:3689

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 05-02-2025
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 200.344.233/03
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Wraking in artikel 12 Sv-zaak. Wrakingsverzoek is te laat ingediend. Bovendien is geen sprake geweest van vooringenomenheid. Wraking ongegrond. Wrakingsverbod.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer : 200.344.233/03

zaaknummer hoofdzaak : K23/230009

Beslissing van de wrakingskamer van 5 februari 2025

op het wrakingsverzoek ingediend door

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats] ( [land] ),

hierna: verzoekster.

1. De procedure

De hoofdzaak betreft een beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tegen een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie van 6 oktober 2022. Daarbij is aan verzoekster meegedeeld dat [beklaagde] (hierna: beklaagde)

niet strafrechtelijk zal worden vervolgd. Namens verzoekster was tegen beklaagde aangifte

gedaan van mishandeling en poging tot doodslag.

Op daartoe strekkende verzoeken van (de gemachtigde van) verzoekster is de

behandeling van de hoofdzaak (hierna: de beklagzaak) op 6 december 2023, 11 april 2024 en 16 mei 2024 aangehouden.

In een tussenbeschikking van 20 juni 2024 heeft de beklagkamer van dit gerechtshof

beslist dat het vierde verzoek tot aanhouding van de gemachtigde van verzoekster voor een

laatste keer zal worden ingewilligd. De behandeling van het beklag is vervolgens bepaald op

25 juli 2024. Op 23 juli 2024 heeft verzoekster het hof per e-mail laten weten dat zij heeft gebroken met haar gemachtigde, dat het niet lukt op deze korte termijn een

advocaat te regelen en gevraagd wat zij zou kunnen doen. Diezelfde dag heeft de griffier

van de beklagkamer aan verzoekster laten weten dat de voorzitter geen redenen zag de

behandeling van de beklagzaak nog verder aan te houden.

Verzoekster heeft per e-mail van 24 juli 2024 de wraking verzocht van de leden

van de beklagkamer van 25 juli 2024. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 6 augustus 2024 plaatsgevonden. Bij beslissing van 20 augustus 2024 is het verzoek tot wraking ongegrond verklaard.

Op 13 augustus 2024 heeft verzoekster een oproeping ontvangen om op 12 september 2024 voor de beklagkamer te verschijnen.

Verzoekster heeft per e-mail van 11 september 2024 de wraking verzocht van de leden van de beklagkamer van 12 september 2024, waarna de beklagkamer de behandeling van de beklagzaak heeft aangehouden. Na de mondelinge behandeling op 27 september 2024 heeft de wrakingskamer bij beslissing van 3 oktober 2024 het tweede verzoek tot wraking eveneens ongegrond verklaard.

De behandeling van de beklagzaak heeft vervolgens op 12 december 2024 plaatsgevonden. Namens verzoekster was haar gemachtigde mr. Van Egmond op deze zitting aanwezig. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verzoekster zelf heeft bij op 21 december 2024 ingekomen e-mail de wraking verzocht van de leden van de beklagkamer op de zitting van 12 december 2024: mrs. A.R.O. Mooy, R. Veldhuisen en A.C. Huisman.

De genoemde raadsheren hebben op 31 december 2024 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.

Verzoekster heeft na verkregen toestemming van de wrakingskamer op 19 januari 2025 een nadere toelichting op haar wrakingsverzoek toegestuurd en heeft daarin gereageerd op de reacties van de raadsheren van de beklagkamer.

Het wrakingsverzoek is op 22 januari 2024 door de wrakingskamer achter gesloten deuren behandeld. Op de zitting was mr. M. Steinmetz, advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam, aanwezig. Mrs. Mooy, Veldhuisen en Huisman waren, zoals door hen op voorhand aangekondigd, niet aanwezig.

Omdat verzoekster aangaf dat zij niet in persoon bij de zitting aanwezig kon zijn, heeft de wrakingskamer op haar verzoek een beveiligde videoverbinding bewerkstelligd. Het is verzoekster echter niet gelukt om via de beveiligde verbinding - die bij controle wel bleek te werken – aan de zitting deel te nemen. Daarop heeft de wrakingskamer de zitting gesloten. Het wrakingsverzoek is niet inhoudelijk op de zitting besproken.

De wrakingskamer heeft (aansluitend) verzoekster bericht dat zij zich voldoende voorgelicht acht, en dat zij op een termijn van veertien dagen uitspraak zal doen.

2. Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover

De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het schriftelijk verzoek van 21 december 2024 en de schriftelijke uitlating van verzoekster van 19 januari 2025. Samengevat heeft verzoekster aangevoerd dat de raadsheren blijk hebben gegeven van vooringenomenheid door de volgende omstandigheden:

- ten onrechte is een verzoek tot aanhouding van de zitting afgewezen;

- ten onrechte is het verzoek tot het bijwonen van de zitting per videoverbinding afgewezen;

- ter zitting is klaagster verweten dat zij er niet was;

- ter zitting is klaagster verweten dat zij pas na een lange tijd aangifte heeft gedaan;

- hoge ambtenaren van het Openbaar Ministerie hadden steunbetuigingen opgesteld en waren aanwezig bij de besloten zitting;

- tijdens de zitting werd het aanbrengen van tien getuigen afgewimpeld met argumenten die van vooringenomenheid getuigen.

De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten. De raadsheren hebben primair gesteld dat verzoekster

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar wrakingsverzoek nu het verzoek te laat is ingediend. Subsidiair vinden de raadheren dat het verzoek in alle onderdelen daarvan dient te worden afgewezen, waarbij zij er op hebben gewezen dat procesbeslissingen geen grond voor een wraking kunnen opleveren. De raadsheren hebben betwist dat sprake is geweest van vooringenomenheid. Meer in het bijzonder hebben zij aangegeven dat tijdens de zitting door de voorzitter aan de advocaat is gevraagd of verzoekster zou verschijnen, waarom verzoekster pas na enkele jaren via een notaris aangifte heeft gedaan en niet – zoals gebruikelijk – bij de politie binnen afzienbare tijd en wat, in het licht van het tijdsverloop, in de visie van de advocaat het nut van het nog horen van getuigen is. Uit het stellen van deze vragen kan, aldus de raadheren, geen vooringenomenheid worden afgeleid. Tot slot hebben de raadsheren medegedeeld dat aan twee stagiaires/medewerkers van het Openbaar Ministerie bijzondere machtiging is verleend om in het kader van hun opleiding bij de besloten zitting aanwezig te zijn. Uit hun aanwezigheid kan geen vooringenomenheid worden afgeleid. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van de advocaat-generaal.

3. De beoordeling

Juridisch kader

Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Volgens artikel 513, lid 1, Sv moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Het verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die daarvoor aanleiding geven aan verzoekster bekend zijn geworden. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook wordt hiermee beoogd onnodige vertraging van de procedure te voorkomen.

Beoordeling in deze zaak

De door verzoekster aangevoerde omstandigheden zijn aan haar – althans aan haar procesvertegenwoordiger - bekend geworden op 12 december 2024 en het verzoek is gedaan op 21 december 2024. Voor het tijdsverloop van negen dagen is door verzoekster de verklaring gegeven dat zij pas een aantal dagen na de zitting contact had met haar advocaat en door drukte pas laat kon reageren. Dit zijn geen omstandigheden die de termijnoverschrijding redelijkerwijs rechtvaardigen. Het verzoek is daarom te laat gedaan en de wrakingskamer zou om die reden verzoekster niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar verzoek. Gelet op het uit te spreken wrakingsverbod zal de wrakingskamer niettemin de inhoud van de klacht van verzoekster nader onderzoeken.

Ook als de wrakingskamer kijkt naar de inhoud van haar bezwaren, kan het verzoek tot wraking niet gegrond worden verklaard. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende.

De beklagkamer heeft voorafgaand aan de zitting van 12 december 2024 het verzoek tot aanhouding van verzoekster en het verzoek tot het bijwonen van de zitting middels een beveiligde videoverbinding afgewezen. Dat zijn processuele beslissingen die in beginsel geen grond voor een wraking kunnen vormen. Alleen indien die beslissingen dermate onbegrijpelijk zijn dat deze een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Dat is hier niet het geval. Verzoekster was op 22 oktober 2024 op de hoogte gebracht van de zittingsdatum en haar verzoek tot aanhouding heeft zij eerst op 10 december 2024 gedaan. Tegen deze achtergrond is de motivering van de afwijzing van de verzoeken van verzoekster voor de wrakingskamer niet onbegrijpelijk, en levert deze geen grond op voor wraking.

De tijdens de mondelinge behandeling van de beklagzaak gestelde vragen over de aanwezigheid van verzoekster, de manier waarop de aangifte tot stand is gekomen en het nut van het horen van getuigen duiden op het verzamelen van inlichtingen als onderdeel van het onderzoek ter zitting; daaruit kan niet een vooringenomenheid of een naar objectieve maatstaven bestaande vrees van schijn van vooringenomenheid worden afgeleid.

Dat er hoge ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de zitting aanwezig waren, die steunbetuigingen hadden opgesteld, is niet gebleken. Wel waren er twee stagiaires/medewerkers van het ressortspakket aanwezig, die de zitting in het kader van hun opleiding bijwoonden en waarvan de voorzitter ter zitting mededeling heeft gedaan, alsmede de advocaat-generaal. De wrakingskamer wijst erop dat het in een beklagprocedure gebruikelijk is dat een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, in de persoon van een advocaat-generaal, ter zitting aanwezig is. Het is eveneens gebruikelijk dat voorafgaand aan de zitting namens de hoofdofficier van justitie, als eindverantwoordelijke voor het beleid en beslissingen van het Openbaar Ministerie, en door de advocaat-generaal een advies wordt uitgebracht. Dit betreft de zienswijze van het Openbaar Ministerie over wat er met de zaak dient te gebeuren, en is geen steunbetuiging van een hoge ambtenaar, zoals verzoekster stelt. De wrakingskamer merkt daarbij op dat de beklagkamer op geen enkele manier aan de zienswijze van het Openbaar Ministerie gebonden is. Het staat de beklagkamer vrij die naast zich neer te leggen. Klager of diens vertegenwoordiger wordt tijdens de behandeling van de beklagzaak in de gelegenheid gesteld te reageren op de zienswijze van het Openbaar Ministerie, in welk verband de raadsheren ook vragen kunnen stellen. Het is immers van belang dat beide partijen worden gehoord voordat de beklagkamer een beslissing neemt.

Gelet op het hiervoor overwogene blijkt uit de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling van de beklagzaak evenmin dat sprake is geweest van (de schijn van) vooringenomenheid.

Het verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen.

Het hof is in het licht van al het voorgaande van oordeel dat verzoekster het middel van wraking gebruikt met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Er zijn in de loop van de beklagprocedure al drie wrakingsverzoeken ingediend, steeds op vergelijkbare gronden, en die zijn alle ongegrond verklaard. Dit leidt tot onaanvaardbare vertraging van de procedure. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

4. De beslissing

De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking ongegrond en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.A. van den Berg, N.E. Kwak en F.J. van de Poel, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Peetoom als griffier

Griffier

  • mr. I. Peetoom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?